De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Maria bij Luther 3

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Maria bij Luther 3

10 minuten leestijd

Voor we overgaan tot de behandeling van Luthers voornaamste geschrift over Maria, zijn „Magnificat" van 1521, willen we eerst even aandacht schenken aan een punt dat we tot nog toe lieten rusten, namelijk de roomse leer van Maria's Onbevlekte Ontvangenis.

Officieel vastgesteld is deze leer pas in 1854 door paus Pius IX, maar al lang daarvoor, al vóór Luther, werd ze in de roomse kerk geleerd en geloofd. Waar het in deze leer op aankomt is dit, dat Maria van af haar ontvangenis vrij zou zijn geweest van de erfzonde. Wel was ook zij een gevallene in Adam en onder Adam begrepen, maar door een bijzondere genade van God en met het oog op Christus' verdiensten zou haar de last van de erfzonde bespaard zijn gebleven. Aldus de roomse theologie.

Aanvankelijk — hoe kan het anders! — heeft Luther deze leer aanvaard. In een preek van 8 dec. 1516 geeft hij zich over aan allerlei bespiegelingen over de betekenis van Maria's naam. Luther is in deze tijd nog een echte allegorist, in navolging van Augustinus, wiens werk „Over de geest en de letter" hij zojuist verslonden heeft. „Maria" — zegt hij in deze preek — kon weleens betekenen: „stilla maris", d.i. „druppel van de zee". Vanwaar deze vreemde naam? Wel, zij was de énige reine druppel in de hele zee van het menselijk geslacht. Maar men kan haar ook een „myrrhedruppel" noemen, zo speculeert Luther verder. En tenslotte, haar naam herinnert ook nog aan de kerk, die uit heel de zee van de wereld door God uitverkoren is en waar Maria, de zalige Maagd, het voornaamste lid van is.

Al deze loffelijke woorden bewijzen slechts dit ene, dat Maria rein is geweest al van af haar ontvangenis door een bijzondere genade van God — dat is dus de zuivere roomse leer!

Maar al spoedig komt er enige verandering in Luthers denken over deze zaak. In een Postille van een jaar later over Lukas 11 : 27 en 28 begint hij al in de eerste regel met zich af te zetten tegen de gangbare opvatting dat Maria op dezelfde wijze ontvangen zou zijn als Christus. Hiervoor is geen enkele grond in de Schrift, zegt Luther, bovendien is het een leer zonder enige betekenis voor de vroomheid. Maria is wat haar lichaam betreft ongetwijfeld op dezelfde wijze ontvangen als alle andere mensen. Alleen wat haar ziel betreft ziet Luther (nog) een verschil. God heeft haar een reine, zondeloze ziel geschonken, Maria was dus zonder zonde, maar enkel door Gods heiligende genade!

We proeven de aarzeling. De leer der onbevlekte ontvangenis geheel te verwerpen, zover is Luther nog niet, maar wel brokkelt hij haar behoorlijk af. Hij ontneemt aan Maria de té grote eer die haar door Rome was toegekend, namelijk een ontvangenis gelijkwaardig aan die van Christus. Maar Maria was geen Christus zegt Luther met nadruk in deze Postille. Hij voegt er echter aan toe dat haar ontvangenis niet gelijk is geweest aan die van andere mensen; ze stond wat dit betreft tussen Christus en de andere mensen in.

Het is wel te begrijpen dat Luther op dit standpunt niet kon blijven staan. Nu hij de eerste stap had gezet moest hij verder. Hij ging ook verder. Wel duurde het nog enkele jaren. In 1522 nog, in zijn uitlegging van het Ave Maria, zegt hij in een bepaald verband, dat zij zónder zonde was, maar over het hóe van haar ontvangenis rept hij niet meer één woord. Zijn speculaties hebben plaats moeten maken voor een nuchter bijbels denken. In deze lijn gaat hij verder. Volgens Preuss komt na 1529 geen enkele uitspraak bij Luther meer voor die herinnert aan de leer der onbevlekte ontvangenis, ze heeft voor hem afgedaan.

Parallel hiermee zien we bij hem een steeds gewoner en menselijker spreken over Maria. Laten we er een samenvatting van mogen geven, mede om een indruk te geven van Luthers preekwijze. We geven hem zelf het woord.

Wie was Maria? Een meisje uit Nazareth, waarschijnlijk een wees-, ze was ondertrouwd (verloofd) met Jozef. Ze waren beiden uit het geslacht van David, maar niet nakomelingen van Salomo maar van Nathan. Ze was de dochter van arme mensen, Joachim en Anna. Ook Jozef was niet rijk en aanzienlijk, maar slechts een timmermansknecht. Maria verdiende haar levensonderhoud als dienstbode, ze paste op het vee en op het huis, en ging dan ook heel eenvoudig gekleed. Het leek er helemaal niet op dat dit meisje iets groots zou worden. Niet één vrouw zou ooit gezegd hebben: Dat wordt de Moeder Gods. Ze had het zelf ook niet gedacht dat ze dat eens zou worden. Maar op zekere dag — Maria was ongeveer 12 tot 15 jaar — kwam een engel bij haar terwijl ze juist met haar werk bezig was. De groet van de engel: Gij begenadigde, deed Maria schrikken en vertrooste haar tegelijk, het arme meisje wist niet hoe ze aan deze eer kwam. God had zeer bepaald iemand anders kunnen verkiezen, maar Hij wilde niet. Uitgerekend zij moest de begenadigde zijn. Het woord van de engel: Gij zult bevrucht worden en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten Jezus, begreep Maria niet. Hoe zou dat mogelijk zijn, dat zij een kind zou krijgen? Maar de engel zei tot haar: Laat je verstand varen. Je moet een onverstandige worden, die niet weet hoe het gaan zal! En zie Maria geloofde, ze oordeelde niet naar haar verstand maar zei; Mij geschiede naar Uw Wóórd! De engel deelde haar nog mee, dat noch zij noch iemand anders bemerken zou dat en wannéér ze zwanger werd. Nevelen en wolken zouden haar omgeven, zodat niemand zou bemerken hoe het toeging, zelfs de duivel niet. Weer zei Maria: Mij geschiede naar Uw Woord en daarop vertrok de engel.

Maar in die dagen stond ze op en ging naar Elisabeth. De weg van Nazareth naar Bethlehem, waar Zacharias woonde, was ver, verder dan van Saksen naar Frankrijk. Maar ze liep vlug, ze keek niet op of om en bleef ook niet op alle hoeken staan, zoals de meeste vrouwen plegen te doen. Ook ging ze vast en zeker niet alleen, want dat betaamt een meisje niet. Waarschijnlijk ging een van haar broers mee, haar moei of zelfs Jozef. Elisabeth bemerkte terstond de toestand van Maria. Hoe kwam dat? Door een wonder! Als antwoord op de groet van Ehsabeth, heft dan Maria haar Lofzang aan, waarin ze niet haar ootmoed, goede werken enz. prijst, maar alleen de goedheid Gods. «

Drie maanden bleef Maria bij Elisabeth. In deze tijd hielp ze haar bij de huishoudelijke werkzaamheden, baadde ze Hansje dat lieve Dopertje, kookte pap voor hem, wies zijn doeken en werkte als kindermeisje. Dan keert ze naar Nazareth terug.

Om haar voor steniging te behoeden trouwde Jozef met Maria, zo bedekte hij het werk des H. Geestes. Had hij dat niet gedaan, dan was zij naar de Joodse wet gestenigd geworden. Maar ze moest een nette vrouw worden en niet een slecht meisje.

Het gebod van keizer Augustus dwong beiden op reis naar Bethlehem te gaan. De grote keizer moest medewerken aan de vervulling der Schrift. Maria moest naar Bethlehem omwille van de profetie. Ze had zich overigens wel kunnen verontschuldigen. Toen ze daar waren, kwam de tijd dat ze baren zou. Jozef nam een bos hooi of stro en maakte een bed. Ondanks al hun zoeken hadden ze slechts een stal tot onderdak kunnen vinden. Maria was moe, want ze had de hele weg gelopen. Het Evangelie zegt er niets van, dat ze op een ezel zou hebben gereden, zoals zo vaak verteld wordt.

En zij baarde haar eerstgeboren zoon. Hoe ging deze geboorte er aan toe? Zonder pijn, er heerste enkel vreugde. Op andere plaatsen zegt Luther het echter anders, en erkent hij dat Jezus' geboorte op een heel natuurlijke wijze heeft plaatsgevonden.

Tot zover onze samenvatting. De lezer heeft zich misschien wat over de manier van Luthers prediking over de historische gegevens van de Bijbel verwonderd. We kunnen daar in komen. Toch moeten we er niet de staf over breken. Inderdaad, veel is er wat ons aan fantasie doet denken. Toch is het de vraag of hier wel van fantasie gesproken kan worden, tenminste niet uitsluitend; de weelderige „traditie" uit de middeleeuwen sprak ook een woordje mee.

Ook het heel gewone valt op in deze preekwijze. Maar dat is o.i. geen nadeel maar voordeel, wanneer het tenminste niet banaal wordt en dat zal men van Luther niet mogen zeggen.

Het heeft trouwens een diepe theologische achtergrond bij Luther, dat hij zo heel gewoon over Maria spreekt. Hij heeft een laatste ernst gemaakt met het historisch karakter van Gods openbaring. Het heil is niet boven onze hoofden blijven zweven, zodat wij er onszelf toe óp hebben te trekken, in de mystiek of hoe dan ook, maar het is tot ons gekomen in de persoon van Jezus van Nazareth, die de Zoon van Gods is. Daarom kan er zo historisch en menselijk over Zijn geboorte gesproken worden. Daaronder lijdt niet in het minst de eerbied die wij aan de Schrift verschuldigd zijn. Integendeel. Dit is juist een uiting van geloof — kan het tenminste zijn — namelijk in de wérkelijkheid van het heil, in Christus verschenen. Er komt echter nog iets bij en dat brengt ons weer bij ons uitgangspunt. Luther is gaandeweg meer van de roomse Maria tot de bijbelse Maria teruggekeerd. Van een goddelijke Advocate in de hemel werd ze een eenvoudige christin op aarde, die thans in de hemel haar Zaligmaker groot maakt. Ze had geen enkel recht op het grote voorrecht dat haar te beurt viel; ze heeft zich op geen enkele wijze op de genade voorbereid; ze had geen verdiensten. Dat heeft Luther willen zeggen met zijn plastische beschrijving van haar meisjesleven.

De toepassing die daaruit getrokken kan worden — volkomen in de geest van Luther — is deze: God schenkt Zijn genade niet aan bijzondere mensen, maar aan gewone mensen; niet aan „heiligen" maar aan zondaren. Om zalig te worden behoeft men geen afstand te doen van het gewone leven, men kan zalig worden in het gewone leven. Namelijk door het geloof. Want dat is het waardoor Maria deel kreeg aan het beloofde heil.

Dit geloof staat tegenover de rede. Maria vertrouwde niet op haar verstand, maar op Gods Woord. Toen gebeurde wat de engel in 's Heeren naam haar beloofde. 

Ook Jozef, ook Zacharias en Elisabeth, en ook Johannes de Doper waren geen bijzondere mensen, geen „heiligen" in roomse zin, maar gewone mensen, evenwel gelovigen. De kleine Johannes moest pap eten, en bij Elisabeth moest het huishouden gedaan worden. Ja natuurlijk! Het gaat Luther om een afwijzing van alle schijnvroomheid en een aanwijzing van de ware vroomheid. We kunnen ons er alleen maar over verwonderen dat deze monnik — nota bene! — zo kon preken en schrijven. Hier breekt de reformatorische vroomheid baan, een vroomheid waarin wij ons thuisvoelen — dat is tenminste te hopen. De roomse vroormheid, met haar apartheid, „heiligheid" en verdienstelijkheid ligt de mens beter, maar we zien daar een verzoeking in. Waar we helaas maar al te veel voor bezwijken.

Luther heeft met veel strijd zich er aan ontworsteld, inplaats van de „verdienstelijkheid" kwam de „genade", in plaats van de „heiligheid" het „zondaar en gerechtvaardigde zijn in enen", inplaats van de „apartheid" het „beroep". Vandaar dat hij in zijn preken de bijbelheiligen zo druk bezig laat zijn, ze tekent in hun klein-menselijk leven, dat niettemin groot is in de ogen Gods, omdat het in het geloof wordt geleefd.

Me dunkt dat we nog wat van Luther kunnen leren.

De volgende keer over het Magnificat.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Maria bij Luther 3

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's