De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Hoe is het met u ... ?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Hoe is het met u ... ?

8 minuten leestijd

„Alzo is het met die, die zichzelf schatten vergadert, en niet rijk is in God." Lucas 12 : 21. „Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn." Mattheüs 6:21.

De beide tekstwoorden, die u hierboven afgedrukt vindt, hangen nauw met elkaar samen. Het tweede tekstwoord geeft een nadere verklaring van het eerste. Staan wij bij beide een ogenblik stil.

Het is niet te ontkennen, dat aardse rijkdom een bijzondere zegen kan zijn en armoede een zwaar kruis. Toch wordt te weinig bedacht, dat het bezit van een grote schat niet alleen een grote verantwoordelijkheid, maar ook een werkelijk gevaar met zich meebrengt. Menigeen, die in dit opzicht benijd wordt, is in werkelijkheid te beklagen. Hoe treffend blijkt dit in de gelijkenis van de rijke dwaas, die aan het eerste tekstwoord voorafgaat.

Hier is een man, die veel ontvangt, maar weinig geniet; die tenslotte alles verliest en helemaal niets bezit om zijn verlies te vergoeden. Wat schijnt deze groot-grondbezitter gelukkig. Eindelijk mag hij tevreden zijn oogstfeest vieren. Zijn akkers hebben rijke vruchten gedragen. Hoeveel hij ook verlangde, thans heeft hij eens reden om voldaan te zijn. En toch, hoe zou hij waarlijk gelukkig zijn, aangezien hij aan geen andere stem het oor leent dan aan de stem van zijn baatzuchtig en eigenlievend hart? Wij lezen niet, dat hij de Gever voor Zijn gaven heeft gedankt. Evenmin, dat hij er de arme naaste goed van gedaan heeft. Hoeveel hij ook heeft ontvangen, hij hunkert naar meer. Het vermeerderd genot is hem nog slechts een bron van grotere kwelling. „Wat zal ik doen", zo is zijn vraag van verlegenheid. En als tenslotte het antwoord gevonden is, dan is voorlopig slechts het uitzicht op nieuwe onrust bereid. Ja, later zal hij van zijn rijkdom eens naar hartelust genieten. Dan zal hij tot zijn ziel zeggen: „gij hebt vele goederen, neem rust, eet, drink en wees vrolijk".

Zo droomt hij van een onzekere toekomst zonder voor het heden één gelukkig ogenblik te kennen. Welk een vreselijk ontwaken, als al het wijs overleg wordt beschaamd door dat ontroerend woord: „gij dwaas, nog déze nacht zal men uw ziel van u opeisen". Welk een onafzienbare schade, als alles ontvalt, zonder dat er iets overblijft, dat alle verlies volkomen vergoedt. Wat hij bereid heeft, aan wie zal het toebehoren, en waar moet hij zelf aanlanden? Arme mens, die hier zichzelf schatten vergadert, maar niet waarlijk rijk is in God!

Met hoevelen is het eigenlijk niet anders gegaan en zal het nog zo gaan in een tijd, waarin de macht van het geld spreekwoordelijk geworden is en de zucht naar aards bezit en genot millioenen steeds verder meevoert in de maalstroom, waarin zij niet slechts het aardse goed, maar tenslotte ook zichzelf verliezen.

Terecht sprak de Heiland bij deze zelfde gelegenheid: „het is niet in de overvloed gelegen, dat iemand leeft uit zijn goederen". Rijkdom brengt nog geen geluk aan, eerder zelfs het tegendeel.

De woorden God en goud verschillen slechts één letter, maar er is een hemelsbreed verschil tussen beide, als het goud onze afgod is geworden. Nog steeds zegt menigeen: „ziel, gij hebt vele goederen". Maar het tegendeel is waar. Het aardse goed heeft hèm, die zo spreekt. Het beheerst, vervult, versteent hem, en het ontvalt hem tenslotte aan de rand van het graf om dan wellicht in nog dwazere handen over te gaan.

Er is geen zonde, die haar slachtoffers en slaven zozeer beheerst als de gierigheid, de hebzucht. Men leest dan ook niet vaak van bekering van waarlijk boetvaardige gierigaards. Hoe vaak herhaalt zich het „wat zal ik doen" van de rijke dwaas tegenover éénmaal de vraag van de stokbewaarder: „wat moet ik doen om zalig te worden?"

En wij, die dat alles wellicht maar al te gemakkelijk erkennen en toestemmen, waar staan wij zélf? Indien eens in deze zelfde nacht onze ziel van ons werd opgeëist, wat zouden wij overhouden? Zij daarom de apostolische waarschuwing voor niemand tevergeefs gesproken: „stelt uw hoop niet op de ongestadigheid van de rijkdom, maar op de levende God".

Eerst als wij rijk in God zijn geworden door het geloof in de Heere Jezus Christus, dan kunnen wij reeds nu tot onze ziel zeggen: „ziel, gij hebt vele goederen, neem rust, eet, drink, wees vrolijk". Hetzij arm of rijk naar de wereld, alleen wie een schat heeft in de hemel, die kan de toekomst rustig afwachten. Al werd ook déze nacht zijn ziel van hem afgeëist, zijn beste deel is geborgen in de hemel. Want geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord, in geen 's mensen hart is opgekomen, wat God bereid heeft die, die Hem liefhebben.

In het licht van het eerste tekstwoord is het tweede tekstwoord een woord van de heiligste waarheid en ernst. „Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn". Het hart trekt steeds weer naar de schat, die het hart zich boven alles heeft uitgekozen. En zoals nu die schat is, zo wordt langzamerhand ook de gesteldheid van het hart.

Schat en hart zijn evenmin te scheiden als licht en schaduw. Zoals onze schat is, zo wordt op de duur ook ons hart. De afgoden drukken niet slechts hun beeld in ons af, maar brengen ook hun natuur in ons over. Wat wij liefhebben, dat leven wij en wat wij leven, dat zijn wij in de diepste grond van ons wezen. Terecht mocht daarom de Heiland met dit woord aandringen om geen schatten op aarde te vergaderen, maar de schat in de hemel te zoeken. Wie kan de diepte peilen, waartoe een mensenhart kan zinken, dat geen hoger goed kent dan het goed, waarvan de waarde naar een aardse maatstaf wordt berekend. Bij hoevelen, die aanvankelijk niet ongevoelig waren voor goede indrukken, heeft toch de wereld, waarmee zij nooit geheel hadden gebroken, ongemerkt het verloren terrein weer ingenomen. De zorg voor, de gehechtheid aan de aardse schat — welke dan ook — heeft hen spoedig zó vervuld, dat zij doof werden voor de ernstigste roepstemmen en dood voor alles, behalve voor dat vergankelijk goed, waarmee zij innerlijk vergroeid zijn geworden. Wat kan een mens, die geen christen wordt, al niet worden! Gelukkig daarom de mens, die zijn hoogste schat reeds hier mocht vinden in de geestelijke en eeuwige dingen. Want ook déze schat trekt zijn bezitter onzichtbaar met kracht en deelt iets van zijn lichtnatuur aan de eigenaar mee. Zoals de bloem naar het zonlicht trekt, zo gevoelt de christen zich in de beste uren van zijn leven, méér dan door iets anders, aangetrokken door zijn boven alles uitgaande schat. Voor wie die schat geestelijk, hemels is, die wordt ook van nature geestelijk en hemelsgezind. Voor wie Christus waarlijk zijn leven is, diens hart trekt ook naar de hemel, waar Hij leeft aan Gods rechterhand. Die wordt daarom niet onverschillig, en nog veel minder ongeschikt voor wat hem op aarde omringt. Die wenst zijn dagelijkse taak niet te verwaarlozen. Die zal ook de goederen en gaven der aarde niet gering achten, maar deze met wijsheid en zorgvuldigheid gebruiken. Maar toch, machtiger dan het dierbaarste en kostbaarste op aarde trekt hem het hemelse aan. En somtijds ontwaakt in het hart het stille heimwee naar het Vaderhuis, waar de schatten vergaderd zijn, die geen mot of roest kan verderven.

Zo hangt de gesteldheid van het hart samen met de keuze van de schat. Daarom kon de Koning van het Godsrijk al Zijn onderdanen toeroepen: „vergadert u schatten in de hemel, want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn".

Maar dan ligt de vraag voor de hand: Waar is nu ónze schat, en waarheen strekken de uitgangen van óns hart zich uit? De Heere weet het van een ieder onzer. En wij zélf kunnen het weten, als wij niet moedwillig vreemdeling zijn gebleven in ons eigen hart. Als ons geweten op die vraag een verontrustend en beschuldigend antwoord geeft, hoe gelukkig is het dan, dat wij niet slechts op de Christus van de Bergrede, maar ook op de Christus van Golgotha, op de verhoogde Levensvorst mogen zien. Vragen wij Hem, dat Hij ons hart moge losmaken van een wereld, die dat hart vasthoudt en ongelukkig maakt. Bidden wij Hem, dat Hij het zó geheel door Zijn Geest moge herscheppen en vervullen, dat het ons onmogelijk wordt Hem iets te onthouden. De liefde tot het aardse kan slechts door een sterkere liefde overwonnen worden, n.l. door de liefde tot het hemelse, die uit de Geest des levens geboren is. Maar als wij daaraan kennis hebben gekregen, dan worden wij opgewekt om te waken over dat hart, waaruit de levensbron ontspringt. Dan moet worden toegezien, dat de verkregen schat niet renteloos blijve. Dan mogen wij ons ook verblijden in het vooruitzicht, dat schat en hart niet ver van elkaar gescheiden kunnen blijven. Want dit tekstwoord bevat ook de rijke profetie, dat deze beide straks voor eeuwig bij elkaar zullen zijn.

Dan zal het hart zijn schat volkomen kunnen genieten en zal de schat het hart volkomen kunnen vervullen!

Papendrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Hoe is het met u ... ?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's