DE BIDDENDE MOZES
En het geschiedde, terwijl Mozes zijn hand ophief, zo was Israël de sterkste; maar terwijl hij zijn hand nederliet, zo was Amelek de sterkste. Exodus 17:11.
Het volk Israël is door de Heere uit Egypte gevoerd en is nu op weg naar het beloofde land Kanaän. Mozes is de aanvoerder van het volk en samen met het volk trotseert hij de gevaren van de woestijnreis. Dorst en honger wordt er geleden, maar op wonderlijke, goddelijke wijze redt de Heere uit alle nood.
Een nieuw gevaar dreigt. In de woestijn leeft een vrijgevochten, roofzuchtig volk, de Amelekieten, nakomelingen van Ezau, die het pas uit Egypte verloste volk aanvallen. De Amelekieten willen de achteruitzetting van hun vader Ezau, die zijn eerstgeboorterecht verkocht aan Jacob, wreken. Ze willen niet, dat de nakomelingen van Jacob, de erfenis zullen verkrijgen, waaruit Ezau geworpen is. De duivel hitst de Amelekieten op, om de belofte van God, waardoor het eerstgeboorterecht van Ezau op Jacob is overgegaan, te verijdelen en haar doel te doen missen.
Op verraderlijke wijze valt Amelek het volk Israël aan in Rafidim. Als leider van het volk neemt Mozes zijn maatregelen. Door de inspraak van de Heilige Geest erkent hij Jozua voor een strijdbaar held, als een middel in Gods hand. Krachtig klinkt het bevel van Mozes aan Jozua: „Kies ons mannen en trek uit, strijd tegen Amelek". Wonderlijk is dit bevel. Op het beslissende ogenblik, toen Israël bevrijd werd van de krijgsmacht van de Egyptenaren, aan de Rode Zee, waar het wel zeer voor de hand lag om naar de wapens te grijpen, klonk het: „De Heere zal voor u strijden en gij zult stille zijn". En nu een beduïnenstam het volk aanvalt, nu klinkt het bevel: „Te wapen en strijd tegen Amelek!"
Gods wegen zijn hoger dan onze wegen. Wanneer wij willen strijden, vraagt de Heere van ons, stil te zijn en geduldig en vertrouwend op Zijn hulp te wachten. Wanneer wij het niet noodzakelijk achten de strijd aan te binden, dan roept God Zelf ons ten strijde.
Mozes trekt niet mee met de strijdende mannen. Is hij bang? Vindt hij zijn leven te kostbaar om enige risico te lopen? Wat zal er van het volk terechtkomen, als hij sneuvelt? 'k Geloof niet dat Mozes daaraan gedacht heeft. Mozes heeft een andere taak. Hij zal ook strijden, maar op een geheel andere manier. „Morgen zal ik op des heuvels hoogte staan, en de staf Gods zal in mijn hand zijn". Maar voor Mozes de heuvel beklimt stelt hij Jozua aan tot aanvoerder van de strijd. Jozua komt hier voor het eerst in de bijbel voor. Oorspronkelijk heet hij Hozea. Deze naam betekent: „hulp". Het is niet zeker, wanneer deze naamsverandering plaats vindt, maar in ieder geval heet deze Hozea, vanaf de strijd met de Amelekieten, Jozua, dat is: „De HEERE is helper". Zo zorgt Mozes er voor dat in de eerste plaats het leger onder goede leiding staat. Jozua vooraan! De HEERE is helper! Terwijl het leger onder aanvoering van Jozua ten strijde trekt, beklimt Mozes de heuvel, in gezelschap van Aäron en Hur. Daar gaat Mozes strijden. Biddend heft hij zijn staf op, die zo nauw verbonden is aan het wonder. De staf, als een symbool van het geloof, waarmee hij de wateren van de Rode Zee gekliefd heeft, waarmee hij water uit de rots geslagen heeft. Die staf werpt Mozes als een banier op, om als voorbiddende middelaar deze staf, onder aanhoudend gebed hoog naar boven te houden. Neen, Mozes is niet weggegaan om de strijd te ontlopen, maar God heeft hem tot een ander ambt bevolen, n.l. om als bidder te worstelen voor het aangezicht van zijn God.
God roept het volk tot de strijd, maar duidelijk toont de Heere, dat de overwinning nooit in de wapens ligt, ook dan niet wanneer wij van de wapens gebruik moeten maken. Telkens wanneer God tot de strijd roept, zorgt Hij er voor, dat het duidelijk is, dat Hij het is, die de overwinningen geeft en de nederlagen. De Heere beslist! Al zijn de omstandigheden nog zo ongustig, wanneer wij aan de kant van de Heere strijden, dan zullen wij overwinnen, hoe onwaarschijnlijk dat ook lijkt. Het komt er op aan dat God met ons is. Is God voor ons, dan is het gevecht gewonnen, zelfs dan wanneer wij de strijd met de wapens moeten verliezen.
Ook wij kennen de strijd hier op aarde. Van nature zijn wij allen opstandig tegen God, onze Schepper. In Adam zijn wij allen gevallen en toen hebben wij de strijd aangebonden met God. Wij wensen te leven, zoals wij dat willen en niet zoals God van ons eist in Zijn wet. Daarom leven wij in oorlog met God. Vaak merken wij het niet eens, dat wij met de Heere op gespannen voet leven. God Zelf moet ons door Zijn Heilige Geest overtuigen van onze zonde en schuld, van onze opstand tegen onze Schepper. Dan komt de strijd opnieuw, maar nu tegen de Boze, tegen onze zonde en ellende. Wat is die strijd zwaar, want dan gaan wij God gelijk geven, rechtvaardigen, dat Hij ons verdoemt. Dan zien wij in onszelf alleen maar opstand en zonde tegen God; dan dreigen wij ten onder te gaan. Deze strijd is zwaar, onnoemelijk zwaar. Maar het is de strijd, die naar de overwinning voert; naar de verzoening met God. Kent u deze strijd? Maar u strijdt toch niet alleen met uw eigengesmede wapens? God roept u tot de strijd, maar de overwinning ligt in Zijn hand. Vergeet u dat niet in uw strijd tegen de zonden. Vergeet het gebed niet! Eerst maakt Mozes de wapens gereed en stelt hij het leger onder deskundige leiding, dan gaat hij de berg op om te bidden. Het is werken en bidden, bidden en werken! Dat gebed van Mozes is een zeer belangrijke zaak, dat de gehele strijd zal beheersen. Dat geldt ook van de geestelijke strijd. Wij moeten biddend strijden, dan mogen wij op overwinning hopen. Wanneer wij deze strijd alleen voeren, dan komen wij eeuwig om, evenals het volk Israël de strijd zal verliezen, als Mozes niet blijft bidden. Op de heuvel, daar ligt de beslissing. Daar ver van het strijdtoneel hgt de overwinning. Het gebed van Mozes op de heuvel draagt de strijd beneden. Mozes is de biddende middelaar voor het volk. Maar Mozes' gebed maakt de strijd niet overbodig. Het is niet een afwachten, een rustig blijven zitten en dan zal God wel met de Amelekieten afrekenen. Neen, Israël moet er voor strijden hard en bloedig, maar zonder Gods zegen is die strijd vruchteloos. Mozes en Israël moeten leren, dat als straks de overwinning behaald wordt, dat niet is om hen, maar alleen Gods genade.
Zo hebben ook wij de strijd te voeren tegen onze zonden, tegen onze geheime zonden. Dat is ontzettend moeilijk en telkens verliezen wij weer. Maar wij mogen die strijd niet opgeven. God beveelt ons te strijden, maar ... niet zonder gebed. Niet onze strijd tegen onze zonden zal ons zalig maken, hoe noodzakelijk die strijd ook is. De beslissing ligt in het gebed, in het gebed van de Middelaar. Het strijdende volk Israël ziet op naar de heuvel, waar Mozes bidt voor het volk. Zien wij, in onze strijd ook op naar Christus, Die onze Middelaar wil zijn bij de Vader? Christus is de meerdere Mozes, Die bidt voor Zijn volk. Daar ligt onze verlossing bij Christus. Ook als wij Hem mogen kennen als onze Middelaar, zullen wij moeten blijven strijden, ons gehele leven. Telkens weer zullen wij het alleen moeten verwachten van de voorbede van Christus, onze Middelaar, Die Borg is voor Zijn volk. Dan zien wij dat de overwinning niet van ons gebed afhangt, maar alleen van de voorbede van Christus. Strijd zo de goede strijd des geloofs, houd aan in het gebed en wijs maar op die biddende Middelaar. Christus is Overwinnaar en wij in HemI
Mozes wordt moe, de strijd duurt zo lang. Eerst begeven zijn benen hun dienst. Aäron en Hur halen een steen, waarop Mozes kan zitten. Dan zakken ook zijn armen. En telkens wanneer Mozes zijn hand laat zakken, rukken de Amelekieten op en oogsten overwinningen. De strijdende mannen zien naar boven. Zou Mozes het opgeven? Neen, Mozes zware handen worden ondersteund. Aäron en Hur onderstutten zijn handen, de een ter rechter, de ander ter linker zijde. Zo wordt daar op die heuvel de strijd gestreden. Ver van het front bevindt Mozes zich toch in de voorste gelederen en strijdt als middelaar tussen God en zijn volk. Biddend houdt Mozes zijn staf omhoog, gesteund door Aäron en Hur.
Wondelijk deze strijd daar op die heuvel. Mozes in het midden, neergezonken op een steen. De beide mannen ter linker en ter rechterzijde. Gaan onze gedachten niet uit naar die nacht in de hof van Gethsemanè, waar een Ander worstelt, de Middelaar der mensheid? Hij zoekt hulp bij Zijn trouwste discipelen maar vindt die niet. Christus moet de strijd alleen strijden. Geen helpers, die Zijn biddende armen ondersteunen, geen vrienden, die het zweet en bloed afvegen. Christus moet de strijd alleen strijden, zonder hulp van enig mens, opdat Hij de volkomen Middelaar zal zijn, de meerdere van Mozes, die zonder hulp van Aäron en Hur, bezweken zou zijn. Mensenhulp kan Christus niet baten. Hij strijd alleen. „Gij badt op enen berg alleen. ..."
Onze blik gaat verder naar de heuvel Golgotha, waar Jezus Christus neerzinkt op een hout en aan weerszijden een, die Zijn handen niet ondersteunen, die het niet kunnen, maar ook niet willen. Christus' handen zijn vast genageld en daar hangt Hij in hun midden. En de strijd, de onmenselijke zware strijd, die de grote Middelaar aan het kruis doorworstelt, geeft Hij niet op, totdat het klinkt uit Zijn mond: „Het is volbracht". Dat is voor de Kerk des Heeren de triomfkreet van het volbrachte werk van Christus. Hier niet de overwinning op Amelek, maar de overwinning op de hel! Zo wil de biddende Mozes ons brengen bij de biddende Christus! Mozes wordt de wegwijzer naar de biddende hogepriester in de hemel, naar de verhoogde Christus, die voor Zijn bedreigde Kerk hier op aarde intreedt, als Voorbidder bij Zijn Vader.
De Amelekieten worden verslagen. Mozes' voorbede is verhoord. God is het volk Israël genadig en wil op het gebed van Mozes verlossing geven. Amelek geheel vernietigen is niet het werk van Jozua geweest. Het totaal vernietigen van de Amelekieten, de erfvijand van Gods volk, is bestemd voor de koningen van Israël, inzonderheid voor koning David.
In Gods kracht kunnen wij onze vijanden verslaan, maar ze komen telkens weer terug en dan hebben we weer te strijden. Geheel vernietigen kan alleen Hij Davidszoon, wiens naam is Koning der Koningen en Heere der Heeren. Hij heeft de erfvijand van de beginne vernietigd. Hij de Middelaar tussen God en ons heeft de duivel overwonnen, vernietigd. Nog een kleine tijd. Kerk des Heeren, en uw strijd zal gestreden zijn. Dan zal Hij al Zijn vermoeide strijders in Zijn volkomen overwinning doen delen. Dan zal Hij hen thuis halen om hun Middelaar en Verlosser te mogen aanbidden en verheerlijken.
Zie dan op die biddende en overwinnende Middelaar, Jezus Christus, die ook ons Zijn Geest wil schenken, waardoor wij leren te strijden in afhankelijkheid van Hem, waardoor wij roepen: Abba, Vader. Die Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen Gods zijn. En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus; in dien wij althans met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's