DE DORDTSE LEERREGELS
Hoofdstuk III/IV, artikel 5 Gelijk het met het licht der natuur toegaat, zo gaat het ook in deze toe met de Wet der Tien Geboden, van God door Mozes de Joden in het bijzonder gegeven. Want nademaal deze de grootheid der zonde wel ontdekt en de mens meer en meer van zijn schuld overtuigt, doch het herstellingsmiddel daartegen niet aanwijst, noch enige krachten toebrengt om uit deze ellendigheid te geraken, en omdat zij alzo, door het vlees krachteloos geworden zijnde, de overtreder onder de vloek laat blijven, zo kan de mens daardoor de zaligmakende kracht niet verkrijgen.
De hoofdvraag van dit artikel is of men door middel van de Wet des Heeren de verlossing en zaligheid kan verkrijgen. Als we de vraag een beetje breder nemen, luidt ze zo : Kunnen wij, geheel of gedeeltelijk door onze werken verlost, zalig, met God verzoend worden ? Daarop antwoordt de hele wereld ja. Wij antwoorden: neen, en houden ons daarbij aan Gods Woord. Maar de hele wereld, die naar verlossing en verzoening zocht, hoopt deze te vinden door haar eigen werken. Max Müller, de Engelse filoloog en professor in het Sanskriet, met zijn Duitse naam en afkomst, moet eens het volgende op een vergadering van het Brits en Buitenlands Bijbelgenootschap hebben gesproken : „Ik kan zeggen, dat ik sedert 40 jaar in de vervulling van mijn plichten als professor in het Sanskriet aan de Universiteit te Oxford zo veel tijd aan de studie van de heilige boeken van het Oosten heb gewijd, als ook maar één ander mens in de wereld. En ik waag het om tot deze vergadering te zeggen, wat ik als de ene grondtoon — om zo te zeggen, het ene accoord — van al deze zogenaamde heilige boeken, zij het de Veda der Brahmanen, de Purana van Seva en Wisjnu, de Koran van de Mohammedanen, de Zend-Avesta van de Parsen enz. gevonden heb: dat de ene grondtoon, het ene accoord, die door allen heenloopt, de zaligheid der werken is. Zij allen leren, dat de zaligheid gekocht moet worden en dat hun eigen verdiensten en werken de koopprijs moeten vormen. Onze eigen bijbel, ons heilig boek uit het Oosten, is van begin tot eind een protest tegen deze leer. Goede werken worden zeer zeker ook in dit heilig boek uit het Oosten gevraagd en nog sterker gevraagd of geëist als in welk ander boek uit het Oosten ook. Maar zij zijn alleen het uitvloeisel van een dankbaar hart. Zij zijn slechts een dankoffer, alleen maar de vruchten van het geloof. Zij zijn nooit de losprijs van de ware discipelen van Christus. Laat ons niet onze ogen sluiten voor hetgeen wat edel en waar is en wat wèl luidt in die heilige boeken. Maar laat ons de Hindoe's, Boeddhisten en Islamieten leren, dat er maar één heilig boek van het Oosten is, dat hun troost kan zijn in die ernstige ogenblikken, waarin zij geheel alleen naar de overzijde moeten in die onzichtbare wereld. Het is dat heilig boek, waarin die boodschap, die zo getrouw is en zo waard dat allen haar aannemen, geschreven staat, die alle mensen : mannen, vrouwen en kinderen, geldt, en niet alleen ons christenen, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken".
Geheel in overeenstemming met dat ene heilige Boek uit het Oosten, leert ons artikel 5, dat de zaligheid niet door de werken is. Maar wat is dan de kracht van de Wet en waarom zoeken zoveel mensen de verlossing door de werken ?
Wat dit laatste betreft, kunnen wij het beste beginnen met het feit, dat we bij alle volken een besef van zonde en ellende aantreffen, zoals prof. H. Bavinck in zijn dogmatiek verklaart. Daarom hebben allen een behoefte aan verlossing. De hoop op deze verlossing gaat bijna altijd met de gedachte van een verzoening gepaard. De verlossing, die een mens zoekt, heeft n.l. met God te maken. Hier op aarde kan de mens veel. Wij zijn daar trots op, maar kunnen er al onze vragen niet mee oplossen. Als we midden in een grote welvaart staan, dringt het woord van de Prediker zich aan ons op : „IJdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid".
Als wij dromen van nog meer vooruitgang en beschaving, opent zich tegelijk voor onze blik een gericht op de onbestendigheid en de ijdelheid van het bestaande.
„Wat men hore of zie op aard.
Is des mensen hart niet waard"
Prof. Heymans schreef al in 1909: „Hoe overvloediger de weldaden der beschaving ons toestromen, des te leger wordt ons leven". De mens zoekt door de cultuur een verlossing van de dreigingen de natuur. Hij verheft zich door wetenschap en kunst boven het bestaande. Zo schept hij zich enige voldoening in de tijd, doch komt niet klaar met het probleem der eeuwigheid. En toch blijft het waar, dat God de eeuw in ons hart heeft gelegd. De mens wil een duurzaam geluk, een eeuwig goed. Ons hart is tot God geschapen en rust niet, tot het rust vindt in de Eeuwige. Maar er moet dan aanstonds worden bijgevoegd, dat de mensen in de duisternis van hun verstand en in de boze overleggingen van hun hart. Hem niet zoeken op de rechte wijze en niet daar, waar Hij te vinden is. Het beginsel van de natuurlijke mens, die de godsdienst beoefent, is, om door eigen wijsheid en kracht de zaligheid te verwerven. Men weet vaak, dat men die verlossing moet zoeken bij een bovennatuurlijke goddelijke macht, maar om die macht tot hulp te bewegen, moet men zelf veel doen. In de ene godsdienst zijn het meer de offers, gebeden, wassingen, rituele plechtigheden of andere ceremoniën, en in de andere godsdienst zijn het meer de zedelijke plichten, maar altijd is de mens toch zijn eigen zaligmaker. Alle godsdiensten buiten de christelijke, zijn zelfverlossend, autosoterisch, en wij weten hoe deze zelfverlossing dagelijks in de christelijke godsdienst bestreden moet worden. Tot deze strijd moeten we nu ook rekenen de bestrijding van de leer en van de practijk, dat de Wet der Tien Geboden gegeven is óm door de onderhouding daarvan zalig te worden. Hoe is het met Gods Wet?
De Heere heeft de Wet gegeven.
Het verhaal daarvan begint al bij de schepping. De eerste mens had kennis van Gods Wet, want hij had kennis Gods, die behoorde tot het Beeld Gods. Wat was de inhoud van de Wet, die de mens in het paradijs kende ? Dat kan moeilijk anders geweest zijn dan het dubbel gebod der liefde tot God en tot de naaste, een liefde die in alle levensbetrekkingen het doen en laten van de mens moet beheersen. Hoe kende de eerste mens die Wet ? Die was hem niet van buitenaf bekend gemaakt. Die bezat hij niet, als later Israël, op stenen tafelen, of als wij, in de Heilige Schrift. Deze Wet was hem ingeschapen of aangeboren pleegt men wel te zeggen. Hoe moet men dit verstaan ? G. Brillenburg Wurth schrijft : „Men heeft in dit spraakgebruik nog te doen met een zekere nawerking in ons christelijk denken van het Griekse, nader het platonische begrip der „ideae innatae" of „aangeboren" ideeën. Kennis was, volgens Plato, altijd een kwestie van herinnering. In zijn prae-existentie, zijn voorbestaan, zijn tijd, voor hij in deze wereld zijn intrede deed, had de mens in de hogere onzichtbare wereld, het rijk der ideeën vertoefd. En om aan kennis te komen, had hij nu slechts zich die tijd en wat hij daarin gezien had, te binnen te roepen. Sluimerend waren die ideeën in hem aanwezig. En het enige, waar het op aankwam was, die sluimerende ideeën weer op te wekken.
Iets van diezelfde geest leeft nog altijd min of meer voort in alle idealistische philosophie, in alle wijsgerig denken, dat aan „de rede" of het geweten van de mens de gave toekent uit zichzelf de kennis van Gods waarheid en wil voort te brengen, buiten alle openbaring van God om. Het zou echter van een volledig misverstand getuigen, als men de kennis, die de ongevallen mens aangaande Gods wil en Wet bezat, zich aldus voorstelde. Ook in zijn kennis mist de mens, niet alleen nu, maar eveneens vóór zijn val, alle zelfstandigheid en eigenmachtigheid. Hij is nu, maar hij was ook toen, daarvoor volstrekt aangewezen op Gods openbaring".
Het is zeker goed, deze woorden te bedenken. De mens heeft van nature niet een eigen kennisbron in zich, waardoor hij over de Schrift zou kunnen heersen. Dat is vrijzinnig gedacht, volgens welke richting de mens nog altijd heel wat autonomie bezit. De mens, leert ons de H. Schrift, óok de gevallen mens, moet het van openbaring hebben. Doch hoe heeft God hem Zijn Wet in het paradijs geopenbaard? Alleen door Woordopenbaring ? Of was het verstand van de mens zo geschapen, dat hij oorspronkehjk in het hart Gods kon inzien en wat God wilde, uit Hem kon aflezen ? Was er zo'n mystieke band tussen God en mens, dat de mens verstond bij intuïtie, wat Gods gebod wilde ? Viel het licht der kennis van God, van Zijn Waarheid en Zijn wil, onmiddellijk in de ziel ? Wie zal het zeggen ? In elk geval had de mens niet zelf de beschikking over de Wil Gods in zijn binnenste, zodat hij slechts naar zichzelf behoefde te luisteren. Hij moest ook in het paradijs naar God luisteren. Toen is de val gekomen. Daardoor is 's mensen verstand verduisterd. Dus heeft ons verstand geen ogen meer om Gods Wil in God te zien. Die nauwe gemeenschap van het paradijs is weg. En de ogen zijn weg. Vandaar dat de Apostel in Efeze 1 bidt: „Opdat de God van onze Heere Jezus Ghristus, de Vader der heerlijkheid, u geve de Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis, n.l. verlichte ogen uws verstands, opdat gij moogt weten, welke zij de hoop van Zijn roeping en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen". Aan de gevallen mens moet dus bij de voortduur dat verloren beeld terug gegeven worden. Daar horen ook die verlichte ogen des verstands bij. Voorts heeft de Heere nog meer gedaan. Hij heeft voor Israël en daarmee voor heel de wereld na het begin onzer jaartelling de Tien Geboden op schrift gesteld. Dat zijn in het bijzonder de Woorden Gods, die aan de besnijdenis, volgens Romeinen 3, zijn toebetrouwd. Wat bedoelde God in het paradijs met de openbaring van Zijn Wet ? Dat de eerste mens, na alle ontvangen genade, zou weten hoe zij moesten wandelen voor 's Heeren aangezicht. Moesten zij het paradijs en de gemeenschap met God verdienen ? Neen, beide waren hem uit gunst geschonken. Men kan alleen zeggen, dat zij het blijven bij God moesten vasthouden door het onderhouden van Zijn geboden.
Waartoe heeft God Zijn Wet aan Israël gegeven ? Moest het een heilsweg zijn om de zaligheid te verwerven ? Neen, ook voor Israël lag de zaligheid in 't zich toevertrouwen aan het Woord des Heeren, zoals Abraham gedaan had. „En Abraham geloofde God en Hij rekende het hem tot gerechtigheid".
Waartoe is dan de Wet aan Israël op schrift gegeven ? Wat was het verschil met de Wet in het paradijs ? Israël gaf God ook de offeranden en ceremoniën om telkens weer van de zonde gereinigd te worden. En wat zegt de Heilige Schrift over het doel van de Wet ? Was Israël misschien al Gods volk ? Wel in de algemene zin, maar niet zó, dat geheel Israël, dat de Wet ontving, de Heere vreesde. Integendeel, in het merendeel van hen had God geen behagen. Dus waartoe diende de Wet, zoals die aan Israël door Mozes werd gegeven ?
L. V.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's