De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

TOT OP DEZE DAG I

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

TOT OP DEZE DAG I

Een terugblik van een emeritus

8 minuten leestijd

Voorwoord.

Het is al weer een aantal jaren geleden, dat er een dominee aan het vertellen was in „De Waarheidsvriend". Hij heeft zijn verhaal zolang het hem mogelijk was, volgehouden, maar eindelijk was hij dan toch uitverteld. Hij wist echt niet meer.

En zie! Nu komt daar de Redactie van het Blad mij vragen of ik toch maar weer aan de gang wil gaan. De heren brengen mij daarmee in een moeilijk parket. Ze menen maar, dat ik nog wel een paar schoteltjes in de provisiekast heb staan. Als dat waar is, maakt het de zaak niet beter. Moet ik dan aan het opwarmen gaan van enkele oude hapjes, die vermoedelijk beschimmeld, althans uitgedroogd zijn? Daarop kan ik toch geen mens tracteren.

Of het moest wezen, dat er mensen zijn, die wel van kliekjes houden. Bovendien zou iemand met een ondeugend knipoogje tegen een ander wel eens kunnen zeggen: „Wat verbeeldt die man zich wel, dat wij zijn geschrijf van tien jaar geleden nog onthouden hebben? "

Dit geeft mij dan moed, om nu maar weer van voren af aan te beginnen. Komt er dan iets, dat u al meer gelezen hebt, en liever overslaat, u krijgt van mij volop dispensatie.

Een bepaald systeem zal ik in mijn schrijven maar niet volgen, noch een bepaalde indeling. Mijn onderwerp weet u.

Van een vijftig jaar geleden tot nu toe wil ik u verhalen en af en toe een vergelijking treffen tussen het voorheen en thans. Het zullen enkele grepen en wenken zijn op pastoraal en predikaal, misschien ook op dogmatisch en op kerkelijk terrein. Zijn wij het hier over eens, dan is dat in zoverre in orde.

En daar gaan we dan.

1. Die zich aangordt en die zich losmaakt.

Van koning Achab is ons niet veel bekend, maar het antwoord, dat hij aan de gezant van Benhadad, de koning van Syrië, meegaf, was toch wel raak: „Die zich aangordt, beroeme zich niet, als die zich losmaakt!" Inderdaad: Benhadad was zich teveel gaan verbeelden, met zijn gebral: „Zó doen mij de goden en doen zó daartoe indien het stof van Samaria genoegzaam zal zijn tot handvollen voor mijn soldaten!"

Daarop paste Achabs woord precies. Die zich aangordt tot de strijd kan soms wel grote drukte maken. Hij zal dit en hij zal dat! Denk maar aan Hitler „met zijn duizendjarig rijk". Maar als hij zich losmaakt, wat bleef er over van al zijn roem?

O die bluf! Die bluf! Er zijn nog soorten in ook. Er is een bluf hardop en er is een stille bluf. Die van hardop is de domste, de stille bluf is de gevaarlijkste en de meest verstokte. De Heere heeft wat een werk met ons, om ze uit te roeien. Overal is ze lelijk en staat ze lelijk, maar voor een dienaar van het Evangelie van Christus toch wel bijzonder afzichtelijk. Een ieder kan dit trouwens toepassen voor zichzelf.

Wanneer men pas begint, moet men geen toon aanslaan als had men de hitte van de strijd al verduurd. Er kan iets moois in zijn, wanneer jonge mensen direct al vol enthousiasme zitten. In elk geval doet het heel wat sympathieker aan dan dat lusteloze van die „lege zoutzakken", die nergens liefhebberij in hebben. Het is echter de vraag van welke aard dat enthousiasme is. Men kan ook teveel durven.

Een jong mens voelt de dingen zeker wel heel anders aan dan een oude van dagen. Zo is het met de dominees ook. Bij him ambtsaanvaarding zitten zij vaak vol idealen. Ik wil aannemen, dat zij door de Heere in de school der zelfkennis gezet zijn. Toch zitten ze dan nog maar in de laagste en niet in de hoogste klasse. Ook moeten ze niet vergeten, dat niets menselijks hun vreemd is. De ene zal meer last hebben van de hoogmoeds- Icwaal dan de andere. Nu, als hij er dan ook waarhjk last van mag krijgen; want zo niet, hij kraait te vroeg victorie.

Ik heb eens iemand horen zeggen bij zijn intree: „het Evangelie van Christus te verkondigen is de hartstocht van mijn leven!" Waarlijk geen kleinigheid!

Hoe menigmaal kan ons de gedachte beheersen: „Mijn voorganger deed het zó, ik zal het wel eens anders (beter) doen'.

Ik denk nog aan die ambtsbroeder, die na twee-jarige Dienst op zekere middag bij mij met de deur in huis viel onder de uitroep: „Weet je waarover ik j.l. zondag gepreekt heb? Over de tekst: Indien ook maar te vergeefs!" (Gal. 11). De verklaring volgde erbij: Daar heb ik nu twee jaar lang op rotsen geploegd. Mijn preken stuiten af op de keiharde voorhoofden der kerkgangers". Hiermee had onze broeder zijn hart eens gelucht. Nu dat is ook wel goed, dat wij dit voor elkander eens doen. Vergeten wij evenwel niet, dat wij het dagelijks voor de Heere moeten doen.

Intussen geven deze dingen weer te denken. Mensen met middelmatige gaven zijn wel eens jaloers op hen die vijf talenten van God ontvingen. Maar weten zij wel, dat het ontvangen van grote begaafdheid vaak vele gevaren meebrengt? Wanneer een groot verstand en prachtig spreektalent niet gepaard gaan met een nederige geest voor God, was het voor die redenaar zelf dan niet beter, dat hij daar niet op de kansel stond? Wee ons, wanneer wij stonden te preken, om onze naam te bevestigen. Beroemde wereldclowns zijn toch te beklagen om hun lachsucces, dat zij verwerven. Wat een arm leven eigenhjk!

Zo arm zijn ook de dominees, die opgaan in hun eigen succes. Het gaat er toch niet om, wie de meeste mensen trekt.

Overigens moeten wij met onze critiek op ongeduldige ambtsdragers wat voorzichtig zijn. Het is wel heel gemakkelijk te zeggen: „Twee jaren gepreekt en nu al teleurgesteld en vrucht verwachten? "

De Heere weet wel, wat Hij doet, ook met ons. Het is wel eens goed voor ons, dat ons de dagen bij de handen afgebroken worden. Wij zouden anders voorttuimelen met tomeloze vaart. Laten de stormen maar eens losbreken en uitrazen, maar dan aan 's Heeren voeten. Hebben wij ons ambt van Hem ontvangen, dan geeft Hij ons na storm, aardbeving en vuur ook wel eens het genot van het suizen Zijner zachte stilte.

Dat heeft ook die ambtsdrager en vriend wel terdege ondervonden.

Die zich aangordt, beroeme zich dus niet, als lagen de overwinningen al achter hem. Hij wachte zich voor grote woorden, die hij later niet waar kan maken. Hij zij niet te goedkoop met eigen beloften, opdat de mensen later niet zeggen, ook van de zijne: „domineesbeloften!"

Hij moet iedere dag leren, met roemen heel voorzichtig te zijn.

Die pas begint, moet zich niet aanstellen, als had hij al 25 dienstjaren achter de rug.

Maar hij die zich losmaakt, mag die zich dan beroemen? Zeer zeker! Doch, zó als zijn God het hem heeft geleerd; anders niet.

Ik zie zo'n afgeleefde emeritus al te pronk zitten op zijn zegewagen, met al zijn overwinningen afgebeeld en de gevangenen aan zijn zegekar geklonken!

„Hoe veel jubilea heeft u al gehaald, eerwaarde? Zoveel! Hoe veel kinderen hebt u toch wel gedoopt? Zoveel! Hoe­ veel huwelijken bevestigd? Hoe veel beroepen gehad? Zoveel! Wat zegt u: kunt u nog lezen zonder bril? "

Och neen! Zó moet het natuurlijk niet. Hoe het moet, dat weet ik wel. Ik ben een emeritus, die al jaren geleden door de aardse kerk van zijn taak is losgemaakt. Eerst mocht hij nog hulppredikerswerk doen; later noemde men dat „bijstand in het pastoraat". Over preken werd niet gesproken, want de kerk is een beetje bang voor ouderdomsgezemel.

Wat zal zo'n man nu zeggen? Zal hij nog roemen? Zeker, maar allerminst in het zijne. Wat hem aangaat, zal hij zich schamen en eerst zeggen: „Dank u Heere, dat Gij al die jaren, vanaf de aangording tot nu toe geduld met mij hebt gehad, ledere dag hebt Gij het weer van voren af aan met mij geprobeerd, na elke mislukking van mijn kant. Had het aan mij gelegen, ik zou meer bedorven dan goedgemaakt hebben. Wat heb ik vaak hard van stapel en liep met het hoofd tegen een blinde muur. Onder de mensen en in de gemeenten zei men, dat het goed ging. Ik kreeg zelfs enige naam en er kwamen beroepen van verschillende kanten. Men vond mij een eerlijk man, die zijn mening niet onder stoelen of banken stak. Maar Gij weet o Heere, dat ik vaak nog niet eerlijk genoeg was. In mijn overwinningen zou ik waarlijk niet durven roemen. Meer dan eens kwam ik thuis met de kous op de kop. Ik had zelf de dingen willen klaarmaken zonder gebed en leed aldus een nederlaag.

Haast zou ik voor al mijn nederlagen dankbaar zijn, want daardoor leerde ik weer, waar mijn plaats was. En dat ik dan de moed niet verloor, ik had het aan U, o Heere te danken, omdat Gij mij steeds weer nieuwe moed hebt gegeven na elke teleurstelling. Gij gaaft mij nog geen ontslag uit Uw Dienst! Gij duldt zulk een nog in het ambt en hebt het hem zó op het hart gebonden, dat, wanneer hij weer jong was en voor de aangording stond, hij dat ambt en geen ander van U zou begeren".

Aldus zal die emeritus moeten belijden voor Gods Aangezicht.

Overwinningen waren er ook wel in zijn ambtelijk leven en de Dag der dagen zal er misschien meerdere aan het licht brengen. Maar ze waren niet van hem, doch van zijn Koning en Heere Jezus Christus. Zo heeft die mens zich dan op niets te verheffen. Als gevangene van Christus en zelf gebonden aan Zijn zegewagen moge de ere Gods zijn hoogste vreugde zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

TOT OP DEZE DAG I

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's