Wat zal het worden?
Langzamerhand komt het einde van de tien-jarige termijn in het zicht, waarin verschillende artikelen betreffende de handhaving van de kerkelijke tucht op non-actief worden gesteld. Of deze maatregel op zich zelf genomen verstandig of minder beleidvol is geweest, willen wij niet beoordelen. Alleen zij opgemerkt, dat wij de indruk hebben, dat de kerk gedurende de jaren van uitstel verder van een leven naar de belijdenis is verwijderd. De Synode zelf is daarin voorgegaan. Van een naar de belijdenis toe, dat men vroeger nog wel uit de mond van leidende figuren kon te horen krijgen, wordt men althans weinig gewaar en de vraag is gerechtvaardigd, of men dat ernstig nastreeft dan wel „uit de tijd" acht.
Niemand kan ons dit euvel duiden, omdat de Synode op het allerfundamenteelste stuk de belijdenis heeft losgelaten. Niet alleen dezerzijds is daarop bij herhaling gewezen, doch ook van onverdacht vrijzinnige zijde is onlangs — wij hebben er reeds op gewezen — de aandacht gevestigd op het feit, dat het standpunt der Synode in de discussie omtrent de toelating van de vrouw in het ambt, openlijk gebroken heeft met de duidelijke uitspraken van de Heilige Schrift.
De hoogste vergadering der kerk is er in meerderheid — al was die meerderheid klein — niet voor teruggedeinsd om de vrouw zelfs tot het predikambt toe te laten, ondanks het stellige getuigenis van de apostel Paulus, dat het des Heeren gebod is, dat de vrouw in de gemeente zal zwijgen (1 Kor. 14 : 37).
Dat is het resultaat van de z.g. bezinning op de „waarheidsvraag", die van meet af buiten de belijdenis is omgegaan en klaarblijkelijk van een onderstelling is uitgegaan, die tegelijkertijd de Waarheid en de belijdenis der vaderen problematiek d.i. twijfelachtig maakte.
Problematiek is een modewoord ook in de kerk geworden en daarmede een teken van twijfelzucht en onzekerheid.
Terecht heeft men de conclusie getrokken, dat het beleid der Synode derhalve niet zal worden bepaald door het gezag van de Heilige Schrift, zoals de vaderen dat beleden hebben.
Het ligt toch voor de hand, dat de negatie van de uitdrukkelijke bevestiging. dat het zwijgen der vrouw in de gemeente gebod des Heeren is, geen halt zal maken bij deze zaak. Wie zover gaat, op het stuk van het gezag der Heilige Schrift, zal zich ook niet ontzien de belijdenis aangaande de leer der verkiezing, der rechtvaardigmaking e.d.g. naar eigen inzicht te wijzigen.
Op grond van een en ander moet men vrezen, dat niet de Heilige Schrift, om van de officiële confessie maar niet te spreken, doch het oordeel der Synode zal gaan beslissen in geloofszaken.
Als het die weg op moet, en er is waarlijk aanleiding om te vrezen, dat wij reeds een eind op die weg zijn, wat zal er dan van de kerkelijke tucht terechtkomen? Het ergste is, dat het dan „kerkelijke" tucht zal zijn, tucht overeenkomstig de strevingen en opvattingen van hen, die menen te kunnen uitmaken, wat — zoals zij zich voorstellen — „kerkelijk" is. Immers als het Woord Gods niet over de mens heerst, gaat de mens zich heerschappij over Gods Woord aanmatigen.
Althans voor een tijd schijnt dat straffeloos te kunnen geschieden. Dat schijnt zo, doch meer dan schijn is dat waarlijk niet.
Indien de Synode op deze weg voortgaat en zich niet bekeert tot gehoorzaamheid aan het Woord, werkt zij aan de ondergang van de Hervormde Kerk.
Het is daarom te wensen, dat de Synode begint met zich zelf onder de tucht des Woords te zetten en gemeenschap te zoeken en te betrachten met de belijdenis der vaderen. Daaraan zou van zelf het streven gepaard gaan om de kerk als geheel aan die tucht te gewennen. Als die belijdenis eindelijk eens mocht aangegrepen worden om te functioneren in de kerkelijke saamleving, zou dat niet zonder vrucht blijken te zijn voor vele dwalende geesten, die de kerk niet kunnen missen in haar roeping van een zorgzame moeder, omdat zij de levende en verse weg in Christus tot de Vader, die in de hemelen is, nog niet gevonden hebben. Een kerk, die haar leden vrij laat als eigenzinnige kinderen, die recht zouden hebben om naar eigen believen te oordelen en te beschikken over de geestelijke goederen, die aan de kerk zijn toebetrouwd, om er over te waken en ze te bewaren, in zonderheid Gods Woord, zulk een kerk moet de gemeenschap met Jeruzalem, dat boven is, verlaten hebben en betoont zich een zorgeloze moeder zonder liefde, die haar roeping verzaakt.
De kerk heeft een opvoedende taak. Zij heeft haar leden niet alleen bij het Evangelie te bepalen door de zuivere verkondiging, maar zij heeft ook de taak haar leden aan de hand der Schrift op te voeden tot de volle wasdom des geloofs. Die taak kan zij nimmer vervullen in gehoorzaamheid aan de Heere God, als zij nalaat haar regering en haar onderwijs onder de tucht des Woords, zijnde dit de eeuwige regel des geloofs, te brengen en te bewaren.
Zo staat de kerk straks weer voor een ernstige beslissing: een aanvang maken met de tucht, maar dan volgens het Woord, zoals de confessie daaromtrent behjdenis doet, of een tucht naar eigen goeddunken, waarmede de kerk op generlei wijze gediend kan zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's