TOT OP DEZE DAG 2
DOMINEESKLEDING
Als ambtsgewaad toch eigenlijk geen voorschrift is; wanneer men niet eens kan zeggen, waarin dat dan zou moeten bestaan, hoe komt het, dat de meeste dominees van de Gereformeerde Bond in het zwart gaan? Heeft dat iets met Calvijn te maken? Immers neen! Voor zover wij weten, droeg Calvijn geen zwart als regel. Heeft het iets met gereformeerd te maken? Ook dat niet!
Zwart is onder ons de kleur van de rouw. Hebben wij dus een speciale voorliefde voor rouw en niet voor het wit der overwinning?
Kan het in verband staan met het eerste stuk van onze geloofsleer: „Hoe groot mijn zonden en ellenden zijn? " Of gaan wij in het zwart vanwege de verdrukking door onze tegenstanders? ïk geloof dat het met die onderdrukking nogal losloopt.
Wij behoeven het, dunkt ons, zo diep niet te zoeken. Het zwart van buiten zegt mij nog niets over de gesteldheid van binnen.
Wel echter zit er bij ons volk een verschijnsel achter. Het heeft voor zwart een zekere voorliefde, die vooral uitkomt in het uitwendig godsdienstig leven, onder andere in het dragen van zwarte kousen door kerkgaande vrouwen, zoals dat in de Gereformeerde Gemeente het geval is. Naar ik hoor, moet daar in die kousen ook nog weer verscheidenheid zitten. Zeker is, dat van oudsher onze gereformeerde plaatsen hun herders en leraren liever in het stemmig donker zien en niet in „wufte" wereldkleding.
Van die gemeenten uit is er in de loop der jaren een zekere pressie uitgegaan op de Evangeliedienaren, een pressie, die licht in dwang oversloeg. Ik herinner mij, dat ik, jaren geleden, van het station gehaald werd door een diaken met prachtig paard en rijtuig. Dicht bij het dorp gekomen, draaide hij zich ineens om, wees met zijn zweep naar mijn slappe (overigens pikzwarte) hoed en vroeg kortaf: „Moet dat er zo naar toe? "
Hier begon dus de dwang. Tevens het aanpassen van het keurslijf: „Dit past een dominee" en: „dit past een dominee niet!"
Wij hadden nu twee dingen kunnen doen. Wij hadden die opmerking kunnen negeren of er tegen in kunnen gaan. Wij hadden kunnen zeggen: „Hoor eens, broeder, ik laat mij door u de wet niet voorschrijven, wat ik móet opzetten of wat ik moet aantrekken. Ik ben geen geestelijke pop, die zich door de gemeente laat aankleden." Ik vraag u: Zou het verstandig geweest zijn, daar aldus op te reageren? Wanneer een hele gemeente mij in zwarte kleding wenst te zien, moet ik dan expres in het wit gaan lopen? Hier is toch geen beginsel in het geding.
Of beeldt men zich in met één handomdraai een gemeente haar oude conservatieve tradities te kunnen afleren? Voorlopig had ik nog wel wat anders te doen, dan die aan te vallen.
Daar komt nog bij, dat het hier maar niet een stuk dor conservatisme geldt. Of heeft een gemeente er geen recht op, dat zij haar geestelijke dienaren graag in passende kledij ziet? Zwart is nog altijd onder ons het officiëele gewaad. Waarom zou ik dan gekleed gaan in sportcostuum wanneer ik dominee ben? Misschien ben ik in de ogen van vele jongeren een hele held, wanneer ik durf breken met oude gebruiken. Wanneer ik in padvinderscostuum voor de jonge gelederen uit marcheer. Of in wandelkleding voor ga in de Dienst des Woords. Door in kleding de wereld zoveel mogelijk gelijkvormig te worden, los ik de theologische en kerkelijke problemen ook niet op. Nog kort geleden zag ik een kapelaan, die een dag met heel wat jongens „op pad" was. Hij was natuurlijk in het zwart, maar óf hij ook jong met de jongeren kon zijn!
Intussen brengen de jaren ook hier langzamerhand verandering en kentering in. In de steden wordt er al bijna niet meer op gelet, hoe een dominee gekleed gaat; vooral in wereldsteden niet. Zou ik mij dan nog langer plagen met de dure dracht van een hoge hoed, wanneer ik in een havenstad gevaar loop bij het passeren van een brug, dat de meeuwen mij uit de lucht tracteren met iets wat ze niet laten kunnen, zoals mij eens overkwam?
Ontkennen wil ik niet, dat er in onze kringen nog wel wat slaafsheid zit en soms zelfs enige angst, om met een lichter pakje „ontdekt" te worden. O, die dwaze angst voor zijn gereformeerde naam!"
Dat de broek met strepen (zo donker mogelijk dan!) haar intree al doet. Dat men spreekt van een „antracietpak", maar in vacantietijd.
Och ja, een beetje belachelijk kunnen die dingen wel worden. De vraag o.a. of een toga nu werkelijk ambtsgewaad is en of men alleen de bef of ook een strikje op de bef er bij draagt. Maar ergerlijk blijf ik het vinden, wanneer men probeert als dominee absoluut onherkenbaar te zijn door de kleding.
Zulken zijn er velen in onze Hervormde Kerk. Zulken zijn er velen ook in de Gereformeerde Kerken. En als ik soms de prediking beluister, vraag ik mij wel eens af of die dominees met het afleggen van het oude, geklede gewaad, ook soms iets anders over boord wierpen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's