Kroniek
De juiste datum — „Samen de hervormingsdag vieren" — „Voorlopig hervormd blijven" — „Een niet-theologische overpeinzing' van dr. Berkhof — De toogdag van de Mannenbond — „Meebouwen in de vaderlandse Kerk" — Dibelius' preek op 1 november — Samenvatting.
„Herdenken wij de Reformatie op de verkeerde dag? ", die vraag als opschrift boven een kerkartikel in de N.R.Crt, van 31 oktober jl. trof mij bijzonder. Want ja, ik weet, dat de historievorsing, mits goed gedocumenteerd, een onverbiddelijke critica is en heel wat feiten en data, welke naar men meende vaststonden, als onjuist heeft gesignaleerd. Maar betreffende de hervormingsdag had ik daarvan nog nimmer iets vernomen. Geen wonder, dat ik na een paar alinea's gelezen te hebben, even naar de ondertekening keek. Het artikel bleek van prof. dr. W. J. Kooiman, hoogleraar aan de G. U. te Amsterdam te zijn. Prof. Kooiman heeft een Luther-biografie op zijn naam, hield indertijd lezingen voor de microfoon van de N.C.R.V. onder de titel: „Weg en werk der Reformatie" — nadien als boekwerk uitgegeven en ook zo zeer boeiend — en staat bekend als een uitnemend Luther-kenner.
Nu viel het verhaal nogal mee. Het jaartal en het feit van het aanhechten van de 95 stellingen aan de deur van de Slotkapel te Wittenberg — die diende voor de academie als valvae, het „bord" waaraan de academische mededelingen werden aangehecht en stellingen als bedoelde 95, die voor disputatie aan de betreffende faculteit, hier de theologische, werden aangeboden — staan wel vast. Het gaat alleen om de dag, 31 oktober. Die was volgens de vermelding van Melanchton in de voorrede van het 2e deel van de uitgave van Luther's werken — ze werd geschreven enkele maanden na de dood van de Reformator — „de dag voorafgaande aan het Allerheiligenfeest".
Onderzoekingen van de laatste tijd — prof. Kooiman wijst op een werk in 1957 verschenen — hebben twee mededelingen van Luther zelf aan het licht gebracht, die uitwijzen dat het publiceren der stellingen op 1 november plaats had. In een brief van 1 nov. 1527, schrijft hij: „Het is vandaag Allerheiligen — tien jaar nadat de aflaat neergeslagen werd" Dat is de eerste mededeling van Luther zelf.
Er is nog een. Ze werd door hem gedaan „in een tafelgesprek uit het jaar 1532 (pas in de 19e eeuw bekend geworden), toen hij tot zijn disgenoten zei: „In het jaar 1517 op de dag van Allerheiligen begon ik eerst tegen de paus en de aflaten te schrijven". Ik val prof. Kooiman geheel bij als hij zegt, dat deze kwestie op zichzelf niet zo belangrijk is. En eveneens als hij vervolgt, dat de 31e oktober, die door een traditie van eeuwen is ingeburgerd wel als gedenkdag zich zal handhaven.
Het bovenstaande heb ik mede vermeld opdat men, als de 1e november de zondag is, dat het feit der Kerkhervorming in de prediking herdacht dient te worden, wete, dat die herdenking feitelijk niet een dag te laat is. Tenminste... . als niet nog latere en nadere onderzoekingen uitwijzen, dat toch 31 oktober de juiste dag is. Want dat is niet denkbeeldig, gegeven het feit, dat data bij Luther wel eens wisselen. Zo is bijv. niet uit zijn mededelingen op te maken in welk jaar precies zijn bekering plaats vond.
We houden het dus maar in traditionele trant op 31 oktober. De datum staat op het tweede plan, het feit op het eerste.
De herdenking van Gods daden in en door Luther is door de Calvijn-herdenking niet in de schaduw en op de achtergrond gekomen. Zij heeft zich in haar oecumenisch karakter gehandhaafd. Ik ben tot die typering gekomen door lezing van een artikel over Luther van de hand van prof. Berkouwer, onlangs verschenen in „Trouw", waar hij o.m. deze zin plaatste: „Luther blijft een oecumenische figuur en niet voor niets vieren we nog altijd samen de hervormingsdag".
De hooggeleerde auteur kan met dit „samen" wel bedoeld hebben, dat de protestanten in hun diverse kerkgemeenschappen ondanks alle innerlijke verschillen, toch een uiterlijke eenheid vormen wat het „vieren" betreft. Dan heeft hij gelijk. Het is ook mogelijk, dat hij het oog had op het feit, dat de laatste jaren ook hervormden en „gereformeerden" van verschillende denominaties gezamenlijke herdenkingssamenkomsten beleggen. Zo was het dit jaar o.m. te Rotterdam in de Christelijke Gereformeerde Kerk aan de Coloniastraat, waar ds. Goedhart (Herv.) sprak met ds. Rijksen (Ger. Gem.) en ds. v. d. Ent (Chr. Geref.).
Een manifestatie van verlangen naar meer dan „samen vieren"?
„Trouw" althans vermeldde deze samenkomst onder het opschrift: „Uitzien naar Hereniging".
Maar dat kan ook slaan — zonder het vorige te ontkennen — op de rede die prof. V. Stempvoort die zaterdag, 31 oktober, uitsprak in een herdenkingssamenkomst in de St. Laurenskerk. De eerste sinds 1939. Zijn onderwerp was: „Voorlopig hervormd blijven". De spreker wijdde een deel van zijn betoog aan „Ontmoeting" met Rome.
Dienaangaande zeide hij, dat er zeer vele contacten waren tussen protestantse en r.k. theologen, „werkelijk geen theevisites maar puur realistische ontmoetingen". „Er zijn", zo vervolgde hij, „in de r.k.-Kerk bewegingen gaande, waarvan wij kunnen hopen, dat zij zullen leiden tot hernieuwde heerschappij van het Evangelie alleen".
Hij sprak mede van een uitzien naar hereniging met de gereformeerden en wilde wat hereniging met Rome betreft, als „voor-oefening, bezinning op de plaats van het Avondmaal in de protestantse kerk".
„Voorlopig hervormd blijven, betekent, " zo zei prof. Van Stempvoort tenslotte, „dat wij het aan God overlaten hoe lang wij het nog zullen blijven, maar zelf intussen werken naar de kracht, die elk lid heeft" (Efeze 4 : 16), d.w.z., die elke aparte kerk heeft.
Dit is wel een merkwaardige „hervormingsherdenking", hoewel dergelijke klanken in deze syncrelistisch en synthetisch ingestelde tijd meer te beluisteren vallen. Het is gans iets anders dan wat Luther sprak, toen hij zich de doorwerking van de over hem uitgesproken pauselijke ban indacht. Hij zag nl. voor de kerk geen andere plaats dan „sub coelo", onder de blote hemel.
Voorlopig hoor ik prof. v. Stempvoort liever in de aether-colleges over „het rampjaar 64", alias Paulus' worsteling om de evangelische vrijheid.
Over „De stad Rome en de toekomst der Kerk", 'schreef dr. Berkhof in „de Protestant" dd. 24-10-'59. „Een boeiend artikel", zo zegt „Weekbulletin 43, 15e jrg. „Hervormd Persbureau" dd. 31 okt. jl., waaruit ik het ten dele overneem en hier laat volgen.
„Vijf kenmerken van het oude Rome, speciaal in zijn bloeitijd onder de keizers, zijn ook na de kerstening der stad voor wie ronddwaalt door het „roomse Rome" met de handen te tasten: een hartstochtelijke en ongebroken levensaanvaarding; een speciale hang naar praal en naar het massale; een in eeuwenlange ervaring opgebouwde regeerkunst; een opvallend veelgodendom; en — vijfde kenmerk — het „do ut des": godsdienst was voor de romein een zaak van , .ik geef opdat gij geeft". Wie de bijbel kent, weet dat al die oermenselijke driften die samen Rome heten, zijn gekruisigd op Golgotha. Golgotha en Rome staan tegenover elkaar. De pausen hebben geweten dat de Geest begeert tegen het vlees, maar in Rome hebben ze gestreefd naar een synthese (samen-groeien) van de kruisigende Geest en de te kruisigen wereld. Principieel mag het echter niet gaan om de synthese, maar alleen om de bekering.
De synthese die vanuit Rome werd geproclameerd, is binnen de Kerk nooit onweersproken geweest. Maar pas de Reformatie heeft een storing van historisch formaat teweeg gebracht. Even leek het, of Rome zelf in de grote storing zou worden betrokken, toen de Utrechtenaar Adriaan VI in 1522 paus werd en opriep tot een breuk met het leven van pracht en praal. Maar hij bleef een vreemdeling in de eeuwige stad. Sinds zijn dood hebben nooit meer anderen dan Italianen de pauselijke stoel bezet. Rome liet geen storing van haar traditie meer toe. Als antwoord op de Reformatie bouwt het de Sint Pieter. Zo vergeet het de Reformatie. Maar het is een vergeten vol weten, een verdringing.
Er zijn in onze tijd tekenen, die er op verdringing op haar einde loopt. Adriaan schijnen te wijzen dat de periode der VI wordt actueel. Men gaat zich de reformatie herinneren en durft daaraan ook te denken als aan een aanklacht en een oproep. De tekenen zijn bekend: diepere en bredere studie der Schrift, sterker accent op zonde en genade, een meer christocentrische geloofsbeleving, een roep om de mondigheid van het lekendom, een nieuwe interpretatie van Thomas en Trente. Deze beweging komt echter ook nu weer niet uit Rome. Frankrijk, Duitsland, België, Zwitserland en Oostenrijk leveren de voormannen van deze groeiende beweging. Langzamerhand wordt duidelijk: de r.k. kerk heeft de reformatie niet achter zich, maar nog vóór zich. De reformatie wordt daar in de 20ste eeuw actueel. Dat betekent niet, dat grote nieuwe scharen tot de kerken der reformatie toetreden. Zoiets komt alleen daar voor, waar de reformatie zelf nog een nieuw feit is (Zuid-Amerika). De grenzen der kerken liggen historisch vast, om niet te zeggen vastgeroest. Maar het opwindende gebeuren van deze eeuw dunkt me dit te zijn: dat de Heilige Geest van binnen uit met de rooms-katholieke kerk bezig is.
Een fatale keten.
De vraag is echter, of men in de r.k. kerk de echte reformatie goedkoper zal kunnen krijgen dan in de 16de eeuw het geval was. Toen kostte het de breuk met Rome. Ook nu is de beslissende vraag, hoe Rome tegenover de vernieuwingsbewegingen zal staan. De spanning tussen Rome en de vernieuwingsbewegingen was onder het pontificaat van Pius XII hoog opgelopen. Luider dan ooit te voren klonk na zijn dood de roep om een niet-Italiaanse paus. De elf stemmingen over zijn opvolger wezen op spanning en onenigheid. De nieuwe paus werd toch weer een Italiaan. De teleurstelling verdween echter, toen de uitingen van Johannes XXIII in de eerste maanden er op schenen te wijzen, dat hij met grote durf de traditie van Rome ging doorbreken. Maar ook het daardoor gewekte enthousiasme is al weer sterk gedaald. Men krijgt de indruk dat Rome na een periode van verwarring, zijn greep ook op deze paus heeft gekregen. In elk geval vindt de vernieuwingsbeweging vanaf de pauselijke stoel niet meer de gehoopte echo (denk aan het vraagstuk der priester-arbeiders in Frankrijk). Meer en meer dringt zich de vraag op, of de band van de rooms-katholieke kerk aan de stad Rome niet een fatale keten is, en of er een vernieuwing denkbaar is, zonder dat deze keten wordt verbroken. Hoedemaker wilde indertijd in de r.k. kerk onderscheiden tussen de kerk en „het hof van Rome".Zo'n onderscheiding heeft weinig zin, wanneer ze binnen de r.k. kerk zelf geen weerklank vindt. Maar naarmate de verdrongen roep om bijbelse reformatie weer hoorbaar wordt, dringt de onderscheiding tussen „de katholieke kerk" en „Rome en de curie" zich op aan steeds meerderen binnen de r.k. kerk. Of dit al voldoende geschiedt, zal een protestant spoedig betwijfelen. De toekomst zal leren, hoe sterk de keten is die deze kerk via de curie bindt aan de traditiën en het levensgevoel der eeuwige stad. En vooral: naar welke kant de oplopende spanningen hun oplossing zullen vinden. Er is wel eens gevreesd, dat Italië communistisch zou worden en de paus dan zijn zetel zou moeten verleggen. O.i. zou dat laatste begroet moeten worden als het wegvallen van één der grootste belemmeringen van de r.k, kerk in haar zoeken van de waarachtige bijbelse katholiciteit."
Dr. Berkhof besluit deze „niet-theologische overpeinzing", gelijk hij zijn artikel noemt, en waarin het, evenals in de rede van prof. v. Stempvoort, gaat om verschuivingen in de r.k. kerk, met de wens, dat, waar z.i. in de r.k. kerk „reformatorische krachten" werken, wij dit proces „steunen door te tonen wat leven uit de grondkrachten van het Evangehe is".
Op zaterdag 31 oktober il. hield „De Bond van Ned. Herv. Mannenverenigingen op gereformeerde grondslag" zijn jaarvergadering, de 26e.
Het verslag in „Trouw", waaraan ik ontleen, sprak van deze samenkomst als „een hoogtijdag voor de gereformeerden in de Ned. Herv. Kerk". Dat is zij zeer zeker. De voorzitter, ds. A. Vroegindeweij van Veenendaal, had als onderwerp voor zijn openingsrede gekozen: „Bouwen". Dat was actueel, in verband met de Kerkbouwactie, maar eveneens met het oog op heel de situatie der gereformeerde en in de Herv. Kerk. .
Die is niet rooskleurig. Moeilijkheden zijn er vele. Ds. P. G. van den Hooff, assessor van de synode der Ned. Herv. Kerk, de nog immer ziek zijnde praeses dr. A. A. Koolhaas vervangend, doelde daarop ook in zijn spreken. „Hij verzekerde uit naam van de Synode, dat hij dankbaar was voor het positieve woord van ds. Vroegindeweij. Hij zei heel goed te begrijpen, dat het voor de hervormd-gereformeerden vaak moeilijk is in de kerk." „Maar dat is het niet alleen voor u", zo voegde hij er aan toe. Ten zeerste drong ds. van den Hooff er bij de vergadering op aan om de eenheid met de anderen te zoeken. Gezamenlijk moet men luisteren naar het Woord van God. „Over dat Woord spreken wij in onze kerk met verschillende stemmen. Maar als wij samen dat Woord tot ons laten spreken, kunnen wij hieruit worden voortgeleid tot dieper inzicht in de waarheid en tot diepere gemeenschap". Het antwoord van de voorzitter op dit woord werd niet vermeld.
Het thema van de rede van ds. Vroegindeweij was althans naar het verslag:
„Meebouwen in de vaderlandse kerk". En zulks, blijkens het verslag, „als Luther en Calvijn in trouw aan het Woord". Hij riep op tot meerdere eenheid en wraakte het „deserteren", dat nog wel eens voorkomt.
Vermoedelijk heeft de uitdrukking: „meebouwen in de Vaderlandse kerk", wel voor een groot deel betrekking gehad op de „Kerkbouwactie", welke naar de laatste mij ten dienste staande gegevens, het nog niet verder bracht dan tot een bedrag van ca. 7 1/2 miljoen.
Maar wat bedoelde de oproep tot samenbinding? „Meebouwen in" is nog iets anders dan meebouwen aan. Kort geleden gaf de nieuwe rubriek „Kleine Kroniek" in het G. W. betreffende de situatie der gereformeerden in de Herv. Kerk een suggestie waarin ook modusvivendi-gedachten verweven waren. Men kan die koesteren ook met aansporing tot „meebouwen in". Ik zeg hiermede allerminst, dat ds. Vroegindeweij met zijn aangehaalde woorden doelde op een dergelijke oplossing van de moeilijkheden. Het zou natuurlijk kunnen.
Of moet het blijven gaan in de weg van protesteren? Dat hebben we lang en vlijtig gedaan. Evenwel... . „de karavaan trekt verder".
Er kan echter een tijd komen, dat het gereformeerde volk het protesteren moe wordt, en daden wil. Er is aan het optreden van Luther en Calvijn herinnerd ter vergadering. Die protesteerden met daden.
In het „Herv. Weekblad De Geref. Kerk" is onlangs geprotesteerd tegen gelijkschakeling of inschakeling van de „confessionelen" met de „midden-orthodoxie". De confessionele vereniging heeft schier een eeuw lang geprotesteerd, als maar geprotesteerd, ook al wilden vele leden daden. Ik zeg niet, dat de bovenaangeduide „inschakeling" van dat uitblijven van daden het gevolg is. Het zou echter kunnen. Maar het lijkt mij wel mogelijk dat protesteren zonder daden tot desertie uit onze gelederen zou kunnen brengen. En dat zou jammer zijn. Juist om „de Kerk der vaderen", voor mij nog iets anders dan „vaderlandse kerk". Intussen, ik ben blij met de goede Bondsdag, die onze mannen hadden en wens de leiding van de Bond en niet minder die van de G.B. genade en wijsheid in het moeilijke en verantwoordelijke werk.
Bisschop dr. Otto Dibelius is op 1 november in de Mariënkirche in Oost-Berlijn opgetreden, hoewel het hem verboden was. De tekst, waarover hij preekte was: Mattheüs 5 : 6 „Voor het grootste deel handelde de preek over Luther's strijd voor zijn beginsel", luidt het onderschrift van het bericht. Het is zeer verstandig, dat de Oost-Duitse autoriteiten de grijze, maar onverzettelijke leider der Evangelische Kirche „onverhinderd" hebben laten preken. Zal het bij deze „inbinding" bHjven?
Men kan van inzicht met dr. Dibelius verschillen betreffende de aan te nemen houding tegenover het Oost-Duitse bewind; men kan Barth bijvallen, wiens brief over de loyaliteitsverklaring ik onlangs doorgaf; men kan ook het standpunt van de bisschop van Hannover, Lilje, innemen, die nogal van zijn collega Dibelius verschilt in dezen, feit is en blijft, dat dr. Dibelius zijn belijdenis bezegelde met een daad. Dat dwingt respect af.
Over een meervoudig „samen vieren" van de hervormingsdag ging het in het vorenstaande. Luther is wel waarlijk een „oecumenische figuur: ". Heel anders dan Calvijn. Maar beiden doorleefden en beleden „het heilig evangelie der heerlijkheid en der genade Gods". Deze schat „is echter zeer gehaat, want hij maakt de eersten de laatsten".
Met dit citaat van Luther, dat ik ergens vond, eindig ik deze kroniek, min of meer een nabetrachting op het „samen vieren" van de Lutherdag.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's