DANKSTOND VOOR 'T GEWAS 1
En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht en in goedertierenheid en in barmhartigheden. En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en gij zult de Heere kennen. En het zal te dien dage geschieden, dat Ik verhoren zal, spreekt de Heere; Ik zal de hemel verhoren en die zal de aarde verhoren; en de aarde zal het koren verhoren mitsgaders de most en de olie en die zullen Jizreël verhoren. Hosea 2 : 18-21.
Het klinkt ons heel wonderlijk in de oren, als de Heere aan Zijn knecht Hosea het bevel geeft om een vrouw der hoererijen en kinderen der hoererijen te nemen.
Was er in Israël geen betere vrouw voor hem te vinden dan de befaamde Gomer, de dochter van Diblaïm?
De kinderen uit dat huwelijk, afgezien van de vraag of Hosea er de vader van was, droegen onheilspellende namen.
Jizreël, zo heette de oudste, hetwelk wil zeggen: God verstrooit. Lo-Ruchama, de niet ontfermde, zo heette het tweede kind, en Lo-Ammi, niet mijn volk, was de naam van het derde kind.
En het droevige slot van het ongelukkige huwelijk was niet anders, dan dat Gomer haar trouwe echtvriend en haar kinderen verliet om haar boeleerders na te volgen.
O, wat een tragiek in het huwelijksleven van deze trouwe Godsgezant!
Tot zover is de geschiedenis bijna onbegrijpelijk. Maar daar lezen we in Hosea 3, dat de profeet zijn vrouw toch weer uit de hand van haar boeleerders heeft teruggekocht voor vijftien zilverlingen en een homer gerst en een halve homer gerst. Hij kan haar maar niet vergeten en hij heeft geen rust gehad, voordat ze berouwvol in zijn tent was teruggekeerd.
Ik kan het heel goed begrijpen, dat er uitleggers zijn, die van mening zijn, dat we hier slechts te doen hebben met een gelijkenis.
Om de aanstoot uit deze hoofdstukken weg te nemen, heeft men de toevlucht genomen tot de ontkenning van de realiteit van dit ongelukkige huwelijksleven.
Lezers, gaarne schaar ik mij echter onder die uitleggers, die wel terdege van mening zijn, dat dit alles berust op werkelijkheid.
Het ongelukkige huwelijksleven van deze profeet is een beeld geweest van de ontrouw van Israël, hetwelk God verliet en hoereerde met de Baals en met de Astaroth.
O, wat was het een droeve tijd, waarin de profeet leefde. Men had de oude paden verlaten en God de rug toegekeerd.
Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen, zegt het spreekwoord.
Israël heeft niet anders te verwachten dan de losbarsting van de toorn Gods. De Heere zal ze verstrooien. Straks komen de Assyriërs en dan zal Samaria worden verwoest en dan zal het volk van Jacob worden verstrooid onder de volkeren in smadelijke ballingschap.
De ontfermingen Gods zullen weldra een einde nemen. Als het zo blijft, kan Israël niet langer het volk van God meer zijn. Ziehier de betekenis van de namen der kinderen.
Lezers, dit alles geldt niet alleen voor Israël, maar ook voor ons.
Wie ver van U de weelde zoekt.
Vergaat eerlang en wordt vervloekt.
Hij roeit hen uit, die afhoereren.
En u de trotse nek toekeren.
Ook Neerlands volk is bezig om zich van de oude paden af te wenden. De wereldgelijkvormigheid neemt hand over hand toe. De grote massa wierookt aan de afgoden van deze eeuw. Als dat zo voortgaat, kan het niet anders of de oordelen Gods zullen ook ons treffen.
Toch trekt de Heere Zijn hand nog niet af. De opzoekende liefde van de profeet, die al het mogelijke heeft gedaan om zijn ontrouwe gade weer opnieuw voor zich te winnen, is geweest een levend getuigenis van de liefde Gods jegens arme, verloren zondaren.
Als we dat beginnen in te zien, dan wordt het ons duidelijk waarom we hier bij het huwelijk van de profeet niet aan beeldspraak, maar aan levende werkelijkheid hebben te denken.
Wat klopt de Heere telkens aan het hart van een zondaar, opdat die zondaar zich zal bekeren.
Wat al roepstemmen waarmee God een mensenkind omringt! Wat wordt de wagen van ons leven telkens afgeremd! De Heere klopt in wegen van lief en leed. Schoon wordt het gezegd in onze tekstwoorden: „En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid, ja Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht en in goedertierenheid en in barmhartigheden en Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof".
Ondertrouwen „in eeuwigheid". We mogen aannemen, dat Gomer na de vernieuwde ondertrouw nimmer meer haar man verlaten heeft.
Zo spreekt ook de Heilige Schrift van een eeuwige liefde, waarmee de Heere Zijn volk heeft liefgehad. De Heere laat nooit varen het werk Zijner handen. Wat Hij begonnen is, zal Hij ook voleindigen. Ondertrouwen „in gerechtigheid en in gericht". Komt, laat ons samen richten zegt de Heere. Maar als dat moet geschieden, dan is het aan onze kant voor eeuwig verloren.
Zo Gij in het recht wilt treden
O Heer en gadeslaan ons' ongerechtigheden
Ach, wie zal dan bestaan?
Onze schuld is immers geklommen tot aan de hemel. We hebben duizenden talenten schuld en geen penninkje om te betalen. En toch betrekt de Heere de mens in het gericht, opdat die mens in het stof zou bukken voor de Heere en met de tollenaar zou uitroepen: O God, wees mij zondaar genadig.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's