De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Dordtse LEERREGELS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Dordtse LEERREGELS

9 minuten leestijd

HOOFDSTUK III/IV Artikel 5 Gelijk het met het licht der natuur toegaat, zo gaat het ook in deze toe met de Wet der Tien Geboden, van God door Mozes de Joden in het bijzonder gegeven. Want nademaal deze de grootheid der zonde wel ontdekt en de mens meer en meer van zijn schuld overtuigt, doch het herstellingsmiddel daartegen niet aanwijst, noch enige krachten toebrengt om uit deze ellendigheid te kunnen geraken, en omdat zij alzo, door het vlees krachteloos geworden zijnde, de overtreder onder de vloek laat blijven, zo kan de mens daardoor de zaligmakende kracht niet verkrijgen.

Van het licht der natuur is gezegd, dat de mens door dat licht niet kan komen tot de zaligmakende kennis Gods en tot bekering. Zelfs in natuurlijke en burgerlijke zaken gebruikt hij dit licht niet recht. Nu komen de Tien Geboden aan de beurt. Deze gelden voor iedereen en hebben altijd gegolden. Paulus schrijft, dat ook de heidenen op enigerlei wijze kennis aan deze Geboden hebben. De gereformeerde ethiek heeft daarom steeds gehandhaafd, dat de natuurlijke mens niet geheel onbekend is met de zedewet. Punt van uitgang is dus, dat er enig licht der natuur is en enige kennis der Wet bij alle mensen. Doch de Heilige Schrift leert ons niet, dat de eerste of de laatste iets bij kan dragen tot ons heil. Paulus wil alleen aantonen, dat noch Jood, noch heiden voor God te verontschuldigen is. Naar de eis van God moeten wij allen de Wet houden. Doen wij dit niet dan treft ons Gods toorn. Daarvan staat in Romeinen 1 dat de toorn Gods wordt geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der mensen. Wij moeten allen de Wet houden om in het gericht Gods vrijgesproken te worden. God wil dat aan Zijn gerechtigheid en ook aan Zijn Wet genoeg geschiede. Het maakt geen wezenlijk verschil of wij de Tien Geboden uit ons hoofd kennen of er nooit van gehoord hebben. Verdrukking en benauwdheid komt over alle ziel des mensen, die het kwade werkt eerst van de Jood, maar ook van de Griek. Niet het bezit of het gemis van de Wet van Mozes beslist in het oordeel Gods, maar of wij de Wet volbracht hebben. „Want zovelen als er zonder Wet gezondigd hebben, zullen ook zonder Wet verloren gaan; en zovelen als er onder de Wet gezondigd hebben, zuUen door de Wet geoordeeld wórden".

Het bezit van de Wet maakt niet zalig en het gemis van de geschreven Wet van Mozes redt niet van het eeuwig verderf.

Maar als iemand nu eens buitengewoon zijn best doet om Gods Geboden te houden en daartoe bovendien nog een geweldige aanleg heeft? Het gaat er niet om of iemand zijn best doet, maar of hij Gods geboden volmaakt houdt. God eist een volmaakt mens. Die is er niet. Wij zijn in zonde ontvangen en geboren, dus geheel van de ongerechtigheid doortrokken. „Daarom zal uit de werken der Wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor God" (voor Hem).

Waartoe is dan de Wet gegeven? Het is een bekende voorstelling van onze dagen, dat de Wet der Tien Geboden tot het genadeverbond behoort. Daarmee wil men dan vaststellen, dat de Wet op Sinaï gegeven is alleen tot een regel der dankbaarheid. De Leerregels zeggen echter, geheel in de geest der Reformatie, dat de Wet de grootheid der zonde ontdekt en de mens meer en meer van zijn schuld overtuigt.

Dat is nu niet precies de Wet alleen als regel der dankbaarheid. Hoe is het daar nu eigenlijk mee, met de betekenis van de Wet voor de kennis der zonde en voor de bekering en zo? Het heeft er tegenwoordig de schijn van alsof men de Wet maar af wil schaffen. Men kan die Tien Geboden toch niet houden en het is ook niet nodig, dat zij ons leren, hoe groot onze zonde is, want dat kan het evangelie ons veel beter zeggen.

Nu is het natuurlijk niet van het allerhoogste belang door welk middel wij onze zonde leren kennen tot onze vernedering, verootmoediging en verbrijzeling. Maar het is toch wel van belang, dat wij het juiste middel kennen en gebruiken. Voorts geloof ik, dat het in dit geschil niet zozeer over Wet en Evangelie gaat, doch veel meer om wat anders. Sommigen of velen willen beginnen met te geloven, dat zij verlost zijn om daarna te leren wat hun ellende was. Men wil dat eerste stuk van verslagenheid en zondekennis en sterven aan de Wet en zo, kwijt als eerste stuk. Het mag overal terugkomen, want het is toch wel goed, dat wij weten, hoe groot onze zonde is. Maar het eerste stuk mag niet meer eerst wezen. Wij hoeven niet eerst tot ons zelf te komen, voordat we bij God komen.

Calvijn zei nog, dat Christus zich alleen openbaart aan hongerigen en dorstigen en tobbenden, maar dat moet weg. Als daar eens een gewoon zelfgenoegzaam, wereldlievend en zondelievend mens de kerk binnenstapt, behoeft hij niet overtuigd te worden van zonde en schuld en verdoemenis. Trouwens dat laatste woord is uit de Bijbel geschrapt. Dat is te hard voor onze tere oren. Men heeft het vervangen door veroordeling. In elk geval hoeft ook niemand eerst van zijn veroordeling overtuigd te worden. Hij zij wie hij zij, hij moet het er voor houden, dat Jezus alles goed gemaakt heeft en nu maar blij wezen, ook al weet men niet waarover men blij moet wezen. Klopt dat nu wel helemaal? Ik geloof het niet.

Maar eerst eens dat genadeverbond, waar dan de Tien Geboden in zouden passen als een leefregel voor verlosten. Men wijst dan wel eens op het begin van de openbaring der Wet. Israël, zo lezen we daar, is uit het diensthuis van Egypte verlost. Betekent dit nu ook, dat Israël hoofd voor hoofd uit het diensthuis der zonde verlost is? Men doet alsof het dit betekent. Maar de Heere heeft ons in Zijn Woord wel anders onderwezen. In het merendeel van deze verlosten uit Egypte had de Heere geen welbehagen. De oude theologen waren nog zo onbijbels niet, toen zij met grote zorgvuldigheid aarzelden tussen volksverbond en genadeverbond, dat daar op Sinaï zou gesloten zijn. Zij wisten er ook niet goed uit te komen. Deze zorgvuldigheid ontbreekt bij vele nieuweren, die alleen maar van een genadeverbond weten en dan verder gaan alsof al die Israëlieten wedergeboren waren en tot God bekeerd. Het tegendeel is het geval, dat weten we. De Tien Geboden zijn gegeven aan een volk, dat wel in zijn geheel uit Egypte, doch slechts voor een gering deel uit het diensthuis der zonde verlost was. Zo had het voor het volk bij de Sinaï van het begin af aan zijn usus elenchticus niet minder dan zijn usus didacticus en usus politicus.

Van dat gebruik tot overtuiging en tot aan het licht brengen van de zonde weet het N. Testament dan ook heel wat te zeggen. De Heilige Geest openbaarde door de Apostel Paulus, dat de Wet niet de zaligheid brengt, doch de kennis der zonde. „Daarom zal uit de werken der Wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem; want door de Wet is de kennis der zonde".

In onze tijd mag men graag zeggen, dat de kennis der zonde door het evangelie is. Het komt mij voor, dat dit onmogelijk is. Alleen de Wet Gods wijst aan wat zonde is. Het evangelie eist niets, het geeft alleen maar. De Wet Gods daarentegen eist een volmaakt mens. Dat wij verplicht zijn om te gehoorzamen aan de oproep tot bekering en geloof rust op de eis der Wet om God als God te erkennen. Daarom schreef prof. H. Bavinck terecht: „Want maatstaf der zonde is Gods Wet alleen. Wat zonde is wordt ter laatste instantie bepaald, niet door de Kerk (Rome) of de staat (Hobbes), niet door de onafhankelijke zedewet (Grotius) of het autonome ik (Kant), niet door de mensheid (Comte) of de sociale instincten (Darwin), maar enkel en alleen door de wet Gods

Deze zedewet, die de mens bij zijn schepping werd ingeplant, na de val in zijn consciëntie nawerkt, door God op de Sinaï werd afgekondigd en ook voor de gelovigen de regel deze levens blijft is de kenbron der zonde (Rom. 3 : 20, 4: 14, 5:20, 7:7). Door Schleiermacher, Ritsehl e.a. is er terecht nadruk op gelegd, dat de zonde eerst tegenover het Evangelie der genade Gods in Christus, en dus binnen de grenzen der Christenheid tot hare schrikkelijkste openbaring komt. De Schrift getuigt daar zelve van, als zij bepaaldelijk in het Nieuwe Testament herhaaldelijk en breedvoerig de zonden van het ongeloof, van de ergernis, van de afval en vooral ook de lastering tegen de Heilige Geest bespreekt en haar grote schuld en strafwaardigheid in het licht stelt. Maar daaruit volgt nog niet, dat alle zonden, vóór en buiten het Evangelie bedreven, alleen onwetendheidsen zwakheidszonden zijn en evenmin, dat niet de Wet, maar het Evangelie kenbron der zonde zou wezen".

Het blijft dus zo: de Wet kenbron der zonde. Dit is natuurlijk een verkorte wijze van spreken. De Wet is alleen kenbron, als de Heilige Geest ons verstand verlicht en door middel der Wet werkt. En hoe werkt dan de Wet? Als God een mens gaat bekeren wordt hij een jood. Hij tracht het verbroken werkverbond weer op te richten. Wat gebeurt er dan? H. Ridderbos schrijft: „Wie de Wet aangrijpt, om met behulp van haar zich de gerechtigheid en het leven te verwerven, kan slechts tot een tegenovergesteld resultaat komen. De Wet rechtvaardigt de mens niet, maar beschuldigt en veroordeelt hem. Juist zij onthult wat aan de mens anders misschien verborgen blijft of bij hem slechts als een vaag besef aanwezig is, nl. dat hij een zondaar is.

Hoe diep de apostel deze „kennis der zonde" opvat, zal hij met name in hoofdstuk 7 nog op een indringende en indrukwekkende wijze duidelijk maken. Dan zal ook blijken, dat met deze kennis niet slechts een intellectueel weten, maar een besef bedoeld is, dat de mens ook de macht en de tyrannie der zonde doet kennen. In zoverre kan men zeggen, dat de laatste 5 woorden van vers 20 een praegnantie bezitten, waarvan de betekenis veel verder strekt dan hier nog tot uitdrukking kan worden gebracht".

Dit moge ditmaal voldoende zijn om de uitspraak van artikel 5 te onderstrepen: „want nademaal deze (de Wet) de grootheid der zonde wel ontdekt en de mens meer en meer van zijn schuld overtuigd"

Dat staat dus altijd nog vast. Niet door het evangelie is in beginsel de kennis der zonde, doch door de Wet. Zo staat het in Gods Woord: „Ik kende de zonde niet dan door de Wet; want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn: indien de Wet niet zeide: Gij zult niet begeren." Rom. 7 : 7.

Het Evangelie veronderstelt de prediking van de Wet en de kennis der zonde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Dordtse LEERREGELS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's