HET LAGER ONDERWIJS IN Noord-Brabant OVERWEGINGEN EN OPMERKINGEN 4
Uit het onderzoek is gebleken, dat tussen de gebruikte intelligentietests en schoolvorderingstests — hoewel er ook verschillen in de resultaten naar voren kwamen — een vrij hoge samenhang bestaat. Beide testtypen reageerden bovendien op dezelfde wijze t.a.v. de onderzochte school- en milieuomstandigheden en ondergingen in hun resultaten een gehjke invloed van die omstandigheden.
De commissie zegt: De uitkomsten van dit onderzoek geven een feitelijke bevestiging van de reeds geruime tijd heersende opvattingen in kringen van onderwijsdeskundigen, dat de vele tijd en energie door leerkrachten en leerlingen besteed aan een speciale, langdurige voorbereiding op de toelatingsexamens voor het voortgezet onderwijs, misplaatst is. De voor dit onderwijs geschikte leerlingen bereiken het in werkelijkheid hiervoor benodigde ontwikkelingsniveau ook in een school waar zij gewoon lager onderwijs ontvangen. Ik ben zo vrij, door de praktijk geleerd, met de commissie van mening te verschillen. Het was inderdaad in 1928, bij de wederinvoering der toelatingsexamens, de bedoeling, dat een gewone lagere school, die zijn gewone program zou afwerken, in staat zou zijn om zijn leerlingen aan de eisen van het toelatingsexamen te laten voldoen. De ervaring heeft intussen wel geleerd, dat het gros der lagere scholen, dat of niet wenst of daartoe niet in staat is.
Van de 450 kinderen, die uit het onderzoek met de beste prestaties naar voren kwamen, bleek 42 % afkomstig uit kleine en 58 % uit grote gezinnen.
Van deze kinderen bleken bijna 31 % arbeiderskinderen te zijn.
De commissie zegt dan: hieruit blijkt hoe moeilijk nog steeds het v.h.m.o. voor de begaafde jeugdigen uit de grootste maatschappelijke groepen van onze bevolking toegankelijk is. Dit kan enerzijds worden verklaard door de onvoldoende aanpassing van het onderwijs aan de behoeften van die jeugdigen, anderzijds doordat het milieu waarin zij leven hen geen voldoende geestelijke en materiële steun kan bieden om dit onderwijs met succes te volgen.
Ik ben het niet met de commissie eens, dat het onderwijs niet voldoende aangepast zou zijn; trouwens meer recente onderzoekingen hebben duidelijk aangetoond, dat voldoende begaafde kinderen uit arbeidersmilieu het onderwijs vlot kunnen volgen zonder hinder van het milieu. Wel kan het milieu een belemmering zijn om een middelbare school te gaan bezoeken. We hopen te zijner tijd op dit onderzoek terug te komen.
Wanneer we het rapport mogen geloven, dan zouden de resultaten van het onderwijs vrijwel geheel afhangen van verschillende omstandigheden. Ofschoon ik de grote betekenis der omstandigheden zeker niet wil ontkennen, komt het mij toch voor, dat in dit onderzoek de persoonlijkheid van de onderwijzer niet tot zijn recht is gekomen en ook niet kon komen. De commissie heeft bij dit onderzoek ondersteld, dat er goede en minder goede onderwijzers zouden zijn en dat deze wel toevallig gelijkelijk over alle scholen verspreid zouden zijn.
De commissie heeft nu de resultaten der schoolvorderingentest ook naar gemeenten of groepen van gemeenten gerangschikt.. De beste resultaten werden gevonden in de gemeente Sprang-Capelle, daarop volgen dan Eindhoven, Den Bosch, Waalwijk, Oudenbosch, Helmond en Dongen. De commissie wil dit gunstig resultaat danken aan plaatselijk gunstige factoren. Ik ben zo vrij ook in dezen met de commissie van mening te verschillen en meen, dat wat Sprang-Capelle betreft. dit te danken is aan de kwaliteit van het gegeven onderwijs en de personen van degenen, die voor de klas staan.
De commissie heeft voor de verschillende gemeenten nu ook nagegaan hoe op 1 januari 1953 het bezoek van het v.h.m.o. en het ulo was.
Sprang-Capelle kwam hierbij voor het v.h.m.o. op 4, 2 % en voor v.h.m.o. en ulo samen op 9.1 % van alle 12—20 jarigen. Deze getallen waren voor de gehele provincie resp. 3, 9 % en 11, 6 %. Toch liep Sprang-Capelle achter bij zijn even knappe buren. Waalwijk b.v. resp. 9, 7 % en 18, 5 %.
Uit andere gegevens is echter af te leiden, dat Sprang-Capelle zijn achterstand intussen wel zal hebben ingelopen.
Op 1 januari 1953 werd de chr. h.b.s. te Waalwijk bezocht door 25 leerlingen uit Sprang-Capelle, op 15 september 1959 was dit gestegen tot 77.
Het rapport baseert zijn onderzoek op statistische gegevens. Het gaat daarbij om grote groepen van mensen en resultaten. Bepaalde overeenkomsten worden gevonden, maar met de interpretatie moet echter de grootste voorzichtigheid betracht worden. Dit wordt toegelicht met het volgende verhaaltje:
Bij een onderzoek, ingesteld in Denemarken, op het eiland Seeland, kwam men tot de ontdekking, dat er een samengaan werd geconstateerd tussen de hoogte van het geboorteaantal in een bepaalde streek en het aantal ooievaars, dat die streek bezocht. Het verhaal zegt niet, dat hieruit de conclusie getrokken werd, dat nu het sprookje van de ooievaar wetenschappelijk verklaard is, het demonstreert alleen, dat men voorzichtig moet zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's