De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT HET OUDE TESTAMENT  De roeping van Jesaja 1

Bekijk het origineel

UIT HET OUDE TESTAMENT De roeping van Jesaja 1

Jesaja 6

6 minuten leestijd

Van nature is een profeet een mens als ieder ander en een kind van zijn tijd; wat deze mensen tot profeten maakt, dat is de roeping; de Heere waakt over Zijn erfdeel en Hij stelt wachters aan om de gemeente bij Zijn Verbond te bewaren. Bij iedere profeet bespeuren wij iets van de dwang van het profetische getuigenis: De leeuw heeft gebruld; wie zou niet vrezen? De Heere HEERE heeft gesproken, wie zou niet profeteren? (Am. 3 : 8), Hij neemt mensen in Zijn dienst, herauten en ambassadeurs des Allerhoogsten; zij komen niet in eigen naam, houden het volk niet eigen ideeën en gedachten voor; zij hebben gestaan in de Raad des Heeren en daarom is hun woord met macht. Altijd weer wordt hun woord onderstreept door het: Alzo zegt de Heere HEERE.

Eigenaardige plaats van dit hoofdstuk.

Van de roeping van Jesaja lezen wij in het zesde hoofdstuk van zijn boek. Het is wel merkwaardig, dat die roeping eerst daar beschreven wordt. Jeremia's boek begint met de roeping tot profeet en bij Ezechiël is het evenzo. Oudere uitleggers, onder wie Calvijn menen, dat Jesaja hier door een nieuwe verschijning in zijn ambt gesterkt wordt van wege de veelvuldige wisselingen van tijden en heersers; eensdeels, zegt Calvijn heeft deze verschijning de bedoeling om Jesaja tot standvastigheid aan te vuren, anderzijds wil dit visioen het ambt van Jesaja als boodschapper Gods bij de Joden onaantastbaar maken. De voorafgaande hoofdstukken zouden reeds in de dagen van Uzzia zijn geprofeteerd, toen de koning door melaatsheid getroffen was. Zijn roeping wordt opnieuw verzegeld. Trouwens, meent Calvijn, ook uit het vervolg blijkt, dat Jesaja reeds een tijdlang moet nebben geprofeteerd, voordat hij deze verschijning kreeg; hij had reeds tevoren ervaren, hoe groot de blindheid van het volk was en daarom kon hij het oordeel aanzeggen, omdat hij zag, dat de prediking niets uithaalde tot bekering van het volk.

Het is waarschijnlijk juister om aan te nemen, dat de opname van het roepingsvisioen in hoofdstuk 6 een aanwijzing is, dat er geen sprake is van een chronologische volgorde in de profetieën. Dat vinden we ook in de andere boeken der profeten. Er zit wel systeem en orde in de opzet: hoofdstuk 6 past uitnemend bij hoofdstuk 7, dat spreekt over verwoesting van het land en van verlaten steden. Men zou kunnen zeggen, dat hoofdstuk , 6 een proloog is op de profetieën aangaande de syro-efraemitische oorlog in hoofdstuk 7. Dat Samaria niet genoemd wordt, betekent nog niet, dat deze hoofdstad van Israël reeds gevallen is en dat de redactie van hoofdstuk 6 dus vallen zou na 722, want evenzeer kan men dan vragen, waarom in dit gedeelte zelfs geen toespeling gevonden wordt op de ondergang van Samaria.

Maar, hoe dit ook zij, wij vinden geen andere verkondiging dan die van de voorafgaande hoofdstukken: De Heere zal verhoogd worden door recht en God, de Heilige, zal geheiUgd worden door gerechtigheid.

Over koning Uzzia.

Wij worden verplaatst naar het sterfjaar van koning Uzzia; hij was 16 jaar oud, toen hij koning werd en hij regeerde 52 jaar (2 Kon. 15 : 1vv.). In het boek der Koningen wordt hij Azarja genoemd. Aanvankelijk deed hij, wat recht was in de ogen des Heeren en zolang hij de Heere zocht, maakte God hem voorspoedig (2 Kron. 26:5). Hij slaagde erin Edom te behouden, hij dwong respect af bij de Filistijnen, legde tribuut op aan de Ammonieten en onderhield vriendschappelijke betrekkingen met de noordelijke stammen. Hij klom tot een toppunt van macht en bouwde torens te Jeruzalem aan de Hoekpoort en aan de Dalpoort. Het volk van Juda plukte de vruchten van zijn initiatieven, van zijn verstandige handelspolitiek en van zijn militaire overwinningen. Hij was een groot man, maar zijn zon is plotseling ondergegaan. Het scheen, alsof de expansiezucht van het Assyrische Rijk tot staan gekomen was. Eerst in 745 met de regering van Tiglath-Pileaser kwam het grote keerpunt in de historie van Juda; deze machtige, rusteloze vorst heeft zeer veel gedaan om de opperheerschappij over geheel Syrië en Palestina te versterken en te bevestigen. In 740 begon hij met de verovering van Noord-Syrië en dat alles was nog maar een begin: de Heere heeft Assyrië gesteld als een zweep om Zijn afvallige volk te tuchtigen.

Als Uzzia sterk geworden was, verhief hij zijn hart tot verdervens toe en hij overtrad tegen de Heere zijn God en de HEERE strafte hem met melaatsheid en zijn zoon Jotham regeerde in zijn plaats, eerst als regent en later als koning.

Men begroef Uzzia bij zijn vaderen; misschien werd hij niet in het familiegraf bijgezet, omdat hij melaats werd, maar de tekst is hier moeilijk (2 Kron. 26 : 21). Het is merkwaardig, dat in 1931 in de oude verzamelingen van het Russische Museum op de Olijfberg een zeer ongewone inscriptie werd ontdekt onder de opschriften van de ossuaria. Zulk een ossuarium was een stenen kist, waarin het gebeente van een dode werd verzameld, als een graf geruimd moest worden. Deze inscriptie luidt: „Hier werd het gebeente van Uzzia, koning van Juda, heengebracht; niet openen". Blijkbaar is het graf van Uzzia ontdekt tijdens de eerste eeuw voor of na Christus en heeft men toen het gebeente naar elders overgebracht.

Het visioen.

In het sterfjaar van Uzzia, waarschijnlijk 740, heeft Jesaja het aangrijpende visioen gehad, dat ons in dit hoofdstuk is beschreven, een verschijning, die bepalend is voor het gehele leven van de profeet. Jesaja ziet iets van de heerlijkheid in Zijn heilige tempel. „Ik zag de Heere zitten op een hoge en verheven troon en Zijn zomen vulden de tempel". Is hij de eerste, die iets van de heerlijkheid Gods aanschouwt? Integendeel, van Mozes en Aaron en van degenen, die met hen waren lezen wij, dat zij de God van Israël zagen (Ex. 24: 9v). God daalt af tot de mens en openbaart Zich. Calvijn zegt: Wij mogen terecht zeggen, dat Jesaja echt Christus' heerlijkheid heeft gezien, die ook toen reeds het evenbeeld van de onzienlijke God was (Col. 1: 15). Met woorden, aan een aardse werkelijkheid ontleend beschrijft hij het visioen. Ik zag..., zoals wij lezen van de profeet Micha de zoon van Jimla: Ik zag de Heere zitten op Zijn troon en al het hemelse heir staande naast Hem, aan Zijn rechter- en aan Zijn linkerhand (1 Kon. 22:19). Zie ook Ex. 20:19, Deut. 18 : 16, Richteren 13 : 22.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT HET OUDE TESTAMENT  De roeping van Jesaja 1

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's