Kroniek
De najaarszitting der Generale Synode — School-aangelegenheden — Aparte registers — Dr. H. Berkhof benoemd tot hoogleraar — Prof. Smits' aanval op de Synodale „oproep tot gebed".
Op 16 en 17 november jl. is de Generale Synode der Ned. Herv. Kerk in najaarszitting bijeen geweest. De agenda vermeldde voornamelijk: rapporten en benoemingen. H. G. G. wees in zijn stukje onder het hoofd: „De Synode bijeen" in „Hervormd Weekblad", d.d. 12-ll-'59, vooral op het belangrijke van de benoeming van een kerkelijk hoogleraar in de vacature prof. dr. K. H. Miskotte, die tegen 1 januari 1960 ontslag aanvroeg, wijl hij wegens gezondheidsredenen voortijdig zijn ambt moet neerleggen. Ik ben dat wel met hem eens.
Evenwel, de rapporten hebben ook hun betekenis. In discussie werd gebracht „de beleidsnota van de Raad voor de zaken van Kerk en School". In die bespreking sprak ds. M. A. Krop over „de toegang" tot de O.L.S. Hij „stelde met dankbaarheid vast, dat er grote verandering bij het openbaar onderwijs ten aanzien van het Bijbel-onderricht blijkt. Voor de Hervormde Kerk is het op vele plaatsen gemakkelijker toegang tot de openbare school dan bij de chr. scholen, die vaak alle kerkelijke inmenging statutair afwijzen". Aldus het verslag in „Trouw", d.d. 17-ll-'59. Ik laat deze uitlating voor wat zij is. Bevreemden doet mij het daarin uitgesprokene ten opzichte van de openbare school helemaal niet. Daarin zit m.i. een stuk propaganda tegen de chr. school. Ik zeg niet bij ds. Krop maar bij de openbare school. Liever ware mij geweest iets te horen van vordering betreffende pogingen der Synode, alias de Raad, wier nota hier werd besproken, bij de regering om de kaders der neutraliteit, waarin het openbaar onderwijs is geklemd, verbroken te krijgen. Dat zou voeren op het terrein der pohtiek, dat de Synode overigens niet schuwt.
Ds. F. H. Landsman drukte dit uit met het zeggen: „Politieke vragen kunnen door de kerk ook, zij het op eigen wijze, benaderd worden". Hij plaatste deze zin in verband met het feit, dat de nota — het ging over de wet Cals — „de politieke vragen had laten liggen".
Betreffende die wet, de „mammoetwet", merkte hij op, dat de grondstructuur daarvan was: „bijzonder" onderwijs is regel". „Maar", zo voegde hij eraan toe, „de kerk wil het hele onderwijs kerstenen. Laat men dit los, dan heeft men geen wezenhjke bemoeienis met het onderwijs in het algemeen. Aanvaardt men de openbare school als restschool, dan geeft men een reformatorisch beginsel weg".
Nu ben ik mij zeer goed bewust, voorzichtig te moeten zijn met conclusies, getrokken uit een verslag, al is het nog zo goed. Een verslag wil het saillante, het naar voren springende, geven. Heb ik ds. Landsman goed begrepen, dan ging het hem er om te onderstrepen, dat de reformatie grote zorg aan den dag legde voor het onderwijs in het algemeen. Accoord! Het is een van de zegeningen der hervorming. En als het gaat over „kerstenen", merk ik op, dat alle door de reformatie in het leven geroepen onderwijs, krachtens haar leven uit de Schriften, naar die Schriften was. Die aera, dat tijdperk, is voorbij. De kerk heeft door haar verwording daarop een heilloze invloed uitgeoefend.
Maar wat ds. Landsman met zijn uitspraak: „Aanvaardt men de openbare school als restschool, dan geeft men een reformatorisch beginsel weg", bedoelt, begrijp ik niet. Openbare school en reformatie hebben wat het beginsel betreft, niets, maar dan ook niets met elkaar gemeen.
En wat de „grondstructuur van de „mammoetwet" betreft, het ideaal van de „Unie, een school met den Bijbel", was, blijkens een harer oudste rapporten over deze materie, ook: „De bijzondere school regel". Maar of de „grondstructuur van de „mammoetwet" en dit „Unie"-ideaal elkaar dekken, is voor mij nog een open vraag. Gegeven de vele bedenkingen en weerstanden uit schier alle kringen van het christelijk onderwijs, ben ik geneigd precies het tegendeel te zeggen. En voorzover ik kan oordelen over het wetsvoorstel, hoop ik zeer, dat dit als wet, tenzij grondig en principieel geamendeerd, ons bespaard blijve.
Ik vestig nu de aandacht op een andere zaak, waarover ter vergadering der Synode is gehandeld en een besluit is gevallen. De zaak van de „noodgemeenten" is ter tafel geweest. Zulks wijl rapport werd uitgebracht over de consideraties der classes betreffende het voorstel der Synode om, indien kerkeraden in wier gemeente een „noodvoorziening" is, om des gewetens wille weigeren de daar gedoopten, en tot belijdenis gekomenen als mede, de in het huwehjk bevestigden, in de officiële registers in te schrijven, zulks door de P.K.V. te laten doen in aparte registers. Ondanks dat vele classes — de meerderheid — hier fel tegen waren, is toch besloten tot wat ik maar zal noemen aparte registers. Wel zullen weigerende kerkeraden „broederlijk vermaand worden" door de P.K.V., die hen „moet trachten te bewegen" tot inschrijven. Is de inschrijving na drie maanden niet geschied, dan doet de P.K.V. het in „voorlopige registers". Nu ja, alles betreffende de „noodgemeenten" is „voorlopig". Zo lang die „minderheidsgroepen" officieel erkend blijven, zullen de registers ook wel blijven. We zijn daar dan „voorlopig" dankbaar voor.
We hebben echter, om kerkelijk te kunnen leven naar Schrift en Belijdenis meer nodig. Gedenk aan de openstelling van de ambten voor de vrouw. De derde „domina" is toegelaten. En wie in diverse kerk- en ringbladen de candidatenlijsten voor ouderlingen en diakenen naleest, ziet ook „zusters" aanbevolen. Zelfs trof ik daaronder namen, van wie ik haast wel zeker weet, dat zij er allerminst op gecharmeerd zijn op een dergelijke aanbeveling voor te komen. Men ziet, het kwaad werkt door. Als water, dat door reten en gaatjes heensijpelt. Aanbevelingen als waarvan ik sprak, kunnen nog wel eens in onze beste gemeenten, worden ingediend. Wil men op verschillende manier proberen of wij het toch nog wel „slikken"?
Ik had het in het begin over benoemingen. Een volledige lijst daarvan zag ik nog niet in het verslag in de pers. Een der belangrijkste kwam ik aan de weet door de „nieuwsdienst", nl. de benoeming tot kerkeUjk hoogleraar te Leiden Van dr. H. Berkhof, de rector van het Seminarium der Ned. Herv. Kerk te Driebergen. De reactie van een oudseminarist aan wie ik het nieuws mededeelde was: „zou hij het aannemen? " Hij doelde natuurlijk op het bedanken van dr. De Jong, de conrector van het seminarium, voor zijn benoeming tot kerkelijk hoogleraar te Groningen. Dat is nu bijna een jaar geleden. Ja, zo zou het nu ook kunnen gaan. Ik hoop het tegendeel.
Het is zeer begrijpelijk, dat men dr. Berkhof koos. Hij is, om een woord te bezigen, dat ik in een In memoriam dr. G. Oorthuis tegenkwam, „professorabel". Hij heeft de gave de problemen in hun gecompliceerdheid te doorzien en zijn solutie, zijn oplossing, glashelder te geven. En wat zijn praktijk als rector betreft, zijn omgang met en leiding van de studenten worden gewaardeerd en gerezen. En dan voorts, hij behoort tot de „midden-orthodoxie", — hij is immers de man, die aan bedoelde groepering de naam, welke nu wel gemeen goed is, gaf — zij het, dat hij aan de rechtse flank daarvan zijn plaats heeft. Al met al, gegeven het feit, dat toch de keuze wel zou gevallen zijn op een doctor uit genoemde groepering, maar misschien minder aanvaardbaar, kan, dunkt mij, de kerk tevreden zijn. En dat het een professoraat in Leiden is, moet ook voor de benoemde, een oud-alumnus van Nederlands oudste universiteit — de oud-Leidenaars spreken van haar wel als „de Academie" — zijn aantrekkelijkheid hebben.
Wat er ook van zij, we complimenteren gaarne dr. Berkhof met zijn eervolle benoeming. En zo hij Driebergen verwisselt met Leiden, dan wensen wij hem toe een professorale arbeid, waardoor de Leidse traditiën verstevigd voortgezet worden. In de stichtingsoorkonde moet de uitdrukking voorkomen, dat de universiteit dient te zijn „een blockhuys tot der religie Gods". In die hjn hebben lang niet alle professoren, met name theologische, gewerkt.
Ik hoop, dat als wij straks kunnen spreken van prof. Berkhof, hij in zijn arbeid wel in die lijn zal gaan en zijn onderwijs zal tenderen in de richting van de oud-vaderlandse spreuk: „Vreest God en houdt uw kruit droog".
Prof. dr. P. Smits, bijzonder hoogleraar in Leiden, heeft weer een opzienbarend artikel gepubliceerd in „Kerk en Wereld", waarvan hij nog de hoofd-redactie heeft. In het stuk, dat hij de titel gaf: „Synodale afsmeking der goden", kapittelt hij de Synode der Herv. Kerk om haar „oproep tot gebed" in verband met de droogte, gericht tot alle predikanten. Vooral de volgende alinea tiit die „oproep", heeft zijn toom gaande gemaakt:
„Laten wij de Heer van hemel en aarde, die beloofd heeft dat zaaiing en oogst, koude en hitte, dag en nacht niet zullen ophouden en Wiens wijsheid groter is dan onze begeerte, bidden dat Hij Zijn hand opene om te verzadigen al wat leeft, naar Zijn welbehagen".
Hij stelt daar tegenover zijn visie op de loop der dingen, zijn religie, kan ik wel zeggen:
„De natuur is vol verschrikkingen én gaat haar eigen natuurlijke weg; recente natuurrampen in Japan en Califomië hebben ons daar opnieuw van doordrongen. En ergens in een klein landje vraagt de leiding van een christeHjke gemeenschap aan de dienaren van die gemeenschap om God te bidden, dat de natuur toch alsjeblieft in dit geval niet haar eigen weg moge gaan"
En dan volgt de verzuchting:
„O, o, wat zal er nog veel water naar de zee moeten vloeien voordat onze kerk in haar officiële uitingen zich enigermate met haar religieuze voorstellingswereld gesynchroniseerd heeft aan de feitelijke stand van de ontwikkeling der mensheid in maatschappij en cultuur!"
Het is mijn taak niet om het stuk van prof. Smits, waarvan ik de wezenlijke inhoud, gelijk ik daarvan kennis nam uit „Trouw" dd. 7-ll-'59 en Herv. Persbureau van die week, aan een wetenschappelijke kritiek te onderwerpen. Dat laat ik gaarne aan meer bevoegden over. Wel moet mij de opmerking van het hart, dat we hier te doen hebben met een herleving van het oude moderne standpunt van een eeuw terug, dat ook zwoer bij de „almachtige" natuurwetenschap en die als god vereerde. Daarna is een reactie ingetreden en heeft men begrip gekregen voor het onderscheiden terrein van religie en wetenschap. Het zou tot genezing van prof. Smits kunnen dienen, indien hij — naar ik meen meer socioloog dan theoloog — zich in de nieuwere visie dienaangaande eens verdiepte. Dan zou hij minder hoog van de toren blazen over de autonomie van de natuur — , de natuur gaat haar eigen natuurlijke weg", noemt hij het — die er niet is. Calvijn zou gewis bij wat prof. Smits neerschreef corrigeren: „Deo sie ordinante", krachtens bestel Gods. En bij diepere bestudering van het probleem, zou hij (prof. Smits) dan ook niet in zijn „optornen" tegen de voorstellingen in „de oproep" spreken van „stommiteiten". Bij een dergelijke exclamatie voel ik altijd een innerlijke zwakheid.
Maar afgezien van dit alles, wat ons ondanks ergernis, alleen maar deernis kan doen hebben met een man, die dergelijke honende taal durft uit te spreken tegen de Waarheid der Schriften en het belijden van Gods Kerk de eeuwen door, klemt de vraag: Kan en zal de kerk (de Synode) dit bedrijf langer tolereren? Men kan prof. Smits een „enfant terrible" (een kind, dat nog al eens uit de band springt) der vrijzinnigheid noemen. Maar is hij bhjkens zijn gehandhaafd blijven door de jl. jaarvergadering der vrijzinnig hervormden, ook niet in zekere zin haar „enfant chéri"? (een geliefd kind) Hoe dat ook zij, de vraag klemt: mag de Synode hem verder tolereren? Beweegt deze man zich in de weg van het belijden der kerk, binnen de grenzen van Art. X? We weten zo langzamerhand, krachtens wat de praktijk leert: die grenzen zijn ruim. Maar ook aan die grenzen zijn tenslotte grenzen!
De Synode heeft moeilijkheden genoeg. Ik denk aan de dooppraktijk waarover in de najaarszitting nogal wat te doen was. Het concept-rapport is ten tweeden male naar de commissie teruggezonden. Dat zegt genoeg! Maar kan de Synode prof. Smits zonder maatregelen op deze ergerlijke wijze door laten gaan? Is er nu in de jongste vergadering bij de rondvraag nog iets over gezegd? Het moge moeilijk zijn een emeritus predikant kerkelijk te behandelen. Prof. van Itterzon handelde daarover in de vragenbus in „Herv. Weekblad" dd. 12-ll-'59. Maar waar het hier betreft een aantasten van „de fundamenten' van het geloof, zou tolereren en zwijgen schuld zijn jegens God en Zijn gemeente.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's