De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJK OPTIMISME

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJK OPTIMISME

7 minuten leestijd

Zo hebben wij altijd goede moed, als het over de toekomst der kerk gaat, nl. over de Kerk van Christus. Want die is zeker, zo waarlijk alle beloften Gods in Christus ja en amen zijn. Van dit optimisme kunnen alle moeilijkheden, teleurstellingen en tegenwerkingen welke de belijdenisgetrouwe geloofsgenoten in de kerkelijke saamleving, die Hervormde Kerk heet, — althans onder het instituut van die naam wordt bijeengehouden, — niet beroven. De toevergadering tot de gemeente, die zalig wordt, is geen mensenwerk. Het is in de hand van de Christus zelf. Niemand kan het Hem ontrukken, want Hem is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde. Dat werk gaat voort naar het goddelijk bestek. Indien we echter op het instituut Hervormde Kerk zien, op de wijze, zoals het zich gedraagt en zoals het geregeerd wordt, is het wel buitengewoon moeilijk ten aanzien daarvan verwachtingen te koesteren van opbloei en zegen. Dat vindt zijn eerste en voornaamste oorzaak in het eenheidsinstituut, dat steunt in de reglementenbundel. Deze omringt de kerkorde als een vestinggordel van muren en torens. Constructies van raden en commissiën verheffen zich als episcopale zuilen en gebinten van de vloer tot schier boven het dak. Of het toeleg is geweest, of wel onnozelheid wil ik niet beslissen. Dat moeten de verdedigers maar voor zichzelf uitmaken. Doch feit is, dat de presbyteriale schijn, welke in de kerkorde aanwijsbaar is, ten enenmale bedriegt. Wat is er over van de zelfstandigheid en de zelfstandige rechten van de plaatselijke gemeenten, overeenkomstig het gereformeerde kerkrecht?

Wat is er overgelaten aan de classes tot regeling en overeenkomst van voorkomende kwestiën betreffende leer en ambt?

Wij denken aan de onverkwikkelijke „oplossing" die men wil ten aanzien van de z.g. minderheden. Behalve, dat men van boven af weinig eerbied betoont ten aanzien van de zelfstandige verantwoordelijkheid van de plaatselijke kerkeraad voor de pastorale bearbeiding der gemeente en het pastorale beleid, onttrekt men een deel der gemeente aan de pastorale zorg om dat tot een „noodgemeente" van dissenters te maken en dan zijn er nog die adviseren goedschiks of kwaadschiks zo'n kerkeraad de registratie van die noodgemeente op te dringen. Ziedaar het instituut! De helft plus één beslist over plaatselijke rechten en geestelijke aangelegenheden. Heel deze opzet verraadt, dat zij, die verantwoordelijk zijn voor het initiatief en de leiding in deze zaken, een kerkideaal najagen, dat weinig overeenkomst vertoont met de geest der confessie. Dat is trouwens op onweerlegbaar duidelijke wijze aan de dag gekomen bij de behandeling van de toelating der vrouw tot het ambt. Niet alleen, dat men deze heeft doorgezet, ondanks een zo geringe nominale meerderheid in de synode, maar ook ondanks de wetenschap, dat de weerstand in de kerk met name bij hen, die de belijdenis in ere wensen gehouden te zien, algemeen is. En wat intussen een kerkregering het meest als ongepast en onbehoorlijk moet worden aangerekend, dat zij hierbij meer geluisterd heeft naar de geest des tijds dan naar de Schrift, welke het geestehjk ambt uitgesproken de man toeschrijft, en gebiedt, dat de vrouw in de gemeente zwijge. Het is ten enenmale een onredelijke eis van de verdedigers van de toelating der vrouw tot het ambt, hun standpunt te willen erkend zien als ook overeenkomende met gehoorzaamheid aan de Schrift, alsof deze tegelijk ja en neen zei. „Indien iemand meent een profeet te zijn of geestelijk, die erkenne, dat hetgeen ik u schrijf, des Heeren geboden zijn, maar zo iemand onwetend is, die zij onwetend" (1 Cor. 14 : 37). Het beroep van de apostel betreft juist het zwijgen der vrouw in de gemeente. De enige conclusie, waartoe het woord van de apostel leidt is deze: die er anders over denken, zijn geen geestelijken en geen profeten.

Men heeft de eenheids-structuur van het instituut te hulp geroepen, omdat de geestelijke eenheid ontbrak. Dat is de ellende van het instituut. Er zijn er niettemin geweest, in wier geest een idee van geestelijke eenheid heeft rondgezweefd: Zij dachten aan een middenmoot na afstoting van uiterst rechtse en uiterst linkse onverteerbare brokken. Volkomen willekeurig dus. Anderen hoopten op een wonder Gods. Weer anderen op een reactie van het kerkelijk leven naar de belijdenis toe.

Doch wellicht niemand heeft een ontwikkeling verwacht, gelijk zich heeft voorgedaan, tenzij dan mannen als mr. Kist, die dezer dagen afscheid nam als directeur van „Kerk en Wereld" en volgens het verslag (Utr. Nieuwsbl. dd. 21 november jl.) o.m. het volgende heeft gezegd:

„Vandaag moeten wij ons herinneren dat de oprichting van Kerk en Wereld in Driebergen geen carambole van toevalsfactoren was, maar een stoot van God zelf onder in de stroom der geschiedenis".

Het verslag verklaart dit nader als volgt:

„Met de stoot van God bedoelde mr. Kist, dat de hervormde kerk in 1945 werd uitgeleid „uit het diensthuis van de benepen kerk-narcistische voorstellingen van Jezus tot de vurige openbaring van God in Christus, de Heer, die Heer der wereld is."

Mogelijk wil dit een omschrijving van de verhouding van Kerk en Wereld zijn, zoals mr. Kist die wil zien. Dan is er reden om te vrezen, dat kerk en wereld in elkander vervloeien, zodat er van de kerk naar haar wezen niet veel zou overbUjven. In ieder geval zou zulk een visie geen recht doen aan de leer der Schriften aangaande de kerk en haar verhouding tot de wereld. Heeft Christus niet gezegd, dat de overste dezer wereld aan Hem niets heeft, en dat Hij voor de wereld niet bidt, maar voor degenen die Hem gegeven zijn en voor hen, die door hun woord geloven zullen? (Joh. 14 : 30; 17 : 9 en 20).

Hoe iemand daarover oordelen wil, dat de kerk bij de God van Christus zulk een onderscheiden plaats mag innemen, is voor zijn rekening, maar hij kan niet ontkennen, dat de HeiHge Schrift leert, dat het bij God en Zijn Christus zo is.

Mr. Kist spreekt van een gericht over de kerk, dat wij in 1945 zouden hebben ervaren:

„In 1945 hebben wij ervaren dat de Heer zich betoonde richter van de kerk te zijn door ten eerste de gemeente te ontslaan van de doem om als gepensioneerde reisgidsen onder elkaar rond de potkachel over het verleden te suffen, en ten tweede hen in (zijn) Rijksdienst het wereldreisapostolaat als tweede natuur in te geven. Uit dit elan is Kerk en Wereld ontstaan."

Wij laten in het midden, wat mr. Kist precies bedoelt te zeggen met deze zinsnede, die overigens een nog al gezwollen

indruk maakt, doch één ding mogen wij wel opmerken, nl. dit, dat een „wereldreisapostolaat" met geen andere boodschap dan dat Christus „de Heer der wereld is", veeleer gericht en oordeel dan evangelie betekent. Met ernst mag worden gevraagd, of de moderne mens lust en behoefte heeft aan het evangelie, dat een kracht Gods ter zaligheid wordt genoemd, omdat het op een Christus wijst, die ons wordt voorgesteld als het Lam, dat de zonde der wereld wegdraagt.

Over reformatie gesproken; mr. Kist besloot zijn rede als volgt, althans volgens genoemd verslag:

„Is het niet zeker te verwachten dat, evenals de reformatie van 1517 is gevolgd op de ontdekking van de nieuwe zeeën en continenten, een nog bredere reformatie thans voor de deur staat en zich voelbaar maakt nu de nieuwe vormgevingen van 'n intercontinentale samenleving en niet minder de aanstaande ruimtevaart om antwoord van de kerk roepen?

Of zou het werkelijk nodig zijn dat ons overkomt wat de Rooms-Katholieke Kerk in de zestiende eeuw is overkomen: dat deze tweede reformatie zich buiten onze kerk zal afspelen? " Aldus mr. Kist.

Samenleving tussen reformatie der Kerk en ontdekkingen zou mogelijk in enkele opzichten kunnen worden gecontrueerd. Hoe echter „nieuwe vormgevingen van een intercontinentale samenleving en niet minder aanstaande ruimtevaart" een reformatie der kerk moeten veroorzaken, indien reformatie althans reformatie in haar klassieke betekenis zal blijven, valt voorlopig buiten het geestelijk gezichtsveld.

Het optimisme van mr. Kist kunnen wij niet delen. Overigens gaat een echte reformatie nooit buiten de kerk om.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJK OPTIMISME

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's