De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN  CALVIJN 55

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 55

Zondag 51

9 minuten leestijd

Het Heilig Avondmaal.

Na de Heilige Doop komt het Heilig Avondmaal. Het wordt zo ingeleid: Laten we nu over het Heilig Avondmaal spreken. In de eerste plaats dan: Welke betekenis heeft het? Het antwoord zegt: Onze Heere (Jezus Christus) heeft het ingesteld om ons te verzekeren, dat door de gemeenschap met Zijn lichaam en Zijn bloed onze zielen worden gevoed in de hoop op het eeuwige leven. We tekenen hier aan, dat de uitdrukking „ziel", die onder ons nogal eens gebruikt wordt in bepaalde tegenstelling met ons lichaam, door Calvijn blijkbaar zo niet opgevat wordt. Men meent in hem nogal wat „grieks" denken op te merken, d. w. z. de tegenstelling van lichaam en ziel. Maar als hij onze „ziel" door de gemeenschap met Christus' lichaam en bloed versterkt ziet worden, bedoelt hij, zoals het Oude Testament dat zo duidelijk doet: ons hele mens zijn. De mens heeft niet alleen een ziel, maar hij is, in de compleetheid van zijn bestaan, een (levende) ziel en wordt zo door het Heilig Avondmaal aangesproken. Het Heilig Avondmaal is dan ook in Palestina ingesteld, niet op de Areopagus.

In de tweede plaats treft ons de uitdrukking, dat Calvijn ons door het Heilig Avondmaal laat gesterkt worden in de hoop op het eeuwige leven. We komen deze uitdrukking menigmaal op onze rouwbrieven tegen en daar heeft het zo vaak een nevelachtige bete­kenis. Men was blijkbaar bang „te veel" van de heengegane te zeggen. Dat het heengaan was „in volle verzekerdheid" durfde men niet aan. Zo liet men het opzettelijk wat onduidelijk en bedoelde: zekerheid was er niet, maar toch wel enige hoop.

Maar zo bedoelt Calvijn het niet, evenmin als Paulus, die hij in deze volgt. Bij Calvijn heeft het leven in het geloof, hoeveel goeds en zekers het reeds nu en hier heeft, toch nog een brede rand van hoop. Eerst wat negatief: het blijft hier ten dele. Dan vooral positief: Als we het „lichaam der zonde" afgelegd hebben, gaan we de volheid tegemoet. Bij Calvijn heeft de hoop dus niet dat nevelachtige en onzekere ; hij kon hier evengoed geschreven hebben : gevoed in het geloof; gevoed ten eeuwigen leven, want dit zijn hem (aanvankelijke) zekerheden. Dat dankt hij aan de Zon der Gerechtigheid, wiens klare schijnsel geen waarschijnlijkheid, maar de grote zekerheid van ons leven uitmaakt. We opperen hier: zou die Zon niet bij machte zijn, ook de nevels, die over onze rouwbrieven hangt, op te klaren ? Als deze Zon het niet kan, wie kan het dan wèl ?

Wat brood en wijn betekenen.

Reeds in die eerste vraag heeft Calvijn gesproken over Christus' lichaam en bloed, ons in het Avondmaal geschonken. Dat doet hem nu vragen: Waarom stelt de Heere ons Zijn lichaam voor door brood en Zijn bloed door wijn? " Dit blijkt dit in te hebben: Om duidelijk te maken, dat dezelfde eigenschap, die het brood heeft ten opzichte van ons lichaam, namelijk om het te voeden en te onderhouden in dit sterfelijke leven, ook het lichaam heeft ten opzichte van onze zielen, d.w.z. om ze op geestelijke wijze te voeden en te verlevendigen. Evenzo dat, zoals de wijn de mens versterkt, herstelt en verblijdt naar het lichaam, zo Christus' bloed onze blijdschap, onze verkwikking en onze geestelijke kracht is.

Calvijn begint hier bij het begin en geeft eerst de algemeenste betekenis van het Heilig Avondmaal. Het H. Avondmaal is allereerst een gelijkenis, een beeld. Dat heeft Zwingli zo sterk onderstreept. Calvijn doet dat ook, maar laat het daarin toch niet opgaan. De gelijkenis bij het Heilig Avondmaal is dus deze: Zoals het brood (ons eenvoudigste, algemeenste voedsel) ons lichaam op peil houdt, zo putten wij in geestelijk opzicht kracht uit het voor ons verbroken lichaam van Christus. Zoals de wijn (in het Oosten volksdrank) ons lichaam doet opleven, ons bloed sneller doet stromen, onze gedrukte geest verruimt, zo doet dat, maar dan in de hoogste zin, het geloven èn smaken, dat het bloed van de Heere Jezus Christus, voor ons vergoten, ons reinigt van alle ongerechtigheid. Calvijn zegt dit op een kostelijke wijze : zo is Christus' bloed onze blijdschap, onze verkwikking en geestelijke sterkte. We vragen hier even : Had u vermoed en geweten, dat Calvijn de blijdschap zoveel nadruk gaf ? Wat is ze onder ons meestal gewantrouwd en afwezig ! We vragen dus : valt deze Calvijn u niet mee? We vragen dan: moet die Christus, Wiens bloed hem zoveel blijdschap en kracht schonk, u niet veel meer meevallen ?

Symbolische en Calvijnse Avondmaalsleer.

Zoëven werd gesproken over de „symbolische" Avondmaalsleer, zoals Zwingli die zo sterk heeft voorgestaan. Calvijn gaat daar bovenuit door zijn sterke nadruk op de gemeenschap met Christus, voor en tijdens het Heilig Avondmaal. Hij vraagt dus: Vat je het zo op, dat wij werkelijk gemeenschap moeten hebben met het lichaam en bloed des Heeren ? Die „symbolische" Avondmaalsleer blijft bij het verleden staan; we denken aan wat eenmaal op Golgotha geschiedde. Calvijn beaamt dat, maar legt nadruk op de blijvende band, nu en hier, tussen ons en de Heere Christus, en antwoordt dus : Ik vat dat aldus op : Omdat alle vertrouwen van ons heil ligt in de gehoorzaamheid, die Christus aan God, Zijn Vader, heeft betoond, moeten we, zal ze ons toegerekend zijn, alsof ze onze eigene was. Hem zelf bezitten. Want Zijn gaven kunnen niet van ons zijn, als Hij niet eerst zichzelf aan ons heeft gegeven.

In die symbolische Avondmaalsleer, die aan Zwingli, vele Erasmianen en aan de Dopers zo lief was, merken we het gevaar op, dat het geloof op eigen voeten gezet wordt, zoiets als „autonoom" gemaakt wordt, zodat het wel leeft uit Christus' werk, maar toch op zekere afstand van Hem. Dat is juist, wat Calvijn hier tegenspreekt. Hij wil niet weten van een Christus op zekere afstand, die de christen meteen op zekere hoogte zet en zekere (gestolen) zelfgenoegzaamheid verleent. Calvijn wil dus niet, dat een christen genoeg heeft aan Christus' gaven en daaruit op zekere zelfstandige wijze leeft, maar geloofsleven is hem niet minder dan een voortdurend en voortgaand leven uit Christus, op de wijze van het woord aan Paulus : Mijn genade is u genoeg. Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.

Dus niet alleen Christus' gaven, maar Hij Zelf moet de onze zijn. Alleen in dat laatste geval zijn we onszelf kwijtgeraakt en worden we ook niet zelfverzekerd; in het eerste geval leven we meer uit onze christeHjkheid en hebben ons leven niet werkelijk buiten ons, in Christus. We begrijpen, dat hier de leer van de Heilige Geest (een leven uit de Geest) kan bloeien; die verkommert en ontaardt, waar we aan de oppervlakte blijven.

Christus met ons alle dagen.

Calvijn blijft dus niet staan bij Golgotha en de avondmaalszaal van de Paasnacht, maar treedt van daaruit het heden binnen, stellig omdat het voor hem leeft, dat deze lijdende, opgestane, verheerlijkte Christus met ons is alle dagen, tot het einde.

Dat wekt blijkbaar enig protest. Is dat niet een verzwakking van het éne grote offer? Riekt dat niet ietwat naar de mis, die het eenmaal geschiede telkens weer wil verlevendigen?

De vraag luidt nu: Heeft Hij zich dan niet aan ons gegeven, toen Hij zich overgaf in de dood, om ons met God Zijn Vader te verzoenen en ons te bevrijden van het oordeel?

Dat wil Calvijn ten sterkste ontkennen. Neen, daar ligt het gebrek niet. Het gebrek ligt bij deze mens, deze gelovige, die niet werkelijk leven kan, als hij als een los takje of stekje ergens in de grond gestoken wordt, maar alleen, als hij in Christus geënt is en zo uit Hem Kcht en kracht betrekt.

Dat klinkt dan ook in het antwoord door: ]a zeker. Maar het is niet voldoende, als wij Hem niet in ons opnemen, zodat we in ons binnenste de vrucht en de kracht van Zijn dood en opstanding gevoelen. We verstaan, dat Calvijn dus denkt aan wat in de dogmatiek de „mystieke unie met Christus" (unio mystica) heet. De rank, die niet in de wijnstok is en blijft, draagt geen vrucht, dat mocht wel als motto boven Calvijns Avondmaalsleer staan.

Om welk geloof het gaat.

Blijkbaar is menigeen van mening geeest, dat bij deze opvatting het geloof toch wel wat in de verdrukking komt. Doet dat niet te kort aan bv.: niet zien (gevoelen) en nochtans geloven? Komt hier het gevaar van een overspannen bevindelijkheid (tegenover echte bevinding) niet sterk in het gezicht? Zwinglianen en Lutheranen zijn hier eenstemmig: zij hebben de Calvijnse avondmaalsleer gewantrouwd, al heeft de beroemde Consensus Tigurinus (de Zürichse overeenstemming) een overeensteming tussen Calvijn en Bullinger bewerkt.

Vanuit dat wantrouwen wordt dan gevraagd: Maar het middel, om Hem te ontvangen, is toch het geloof? Daarmee bedoelt men dus: het geloof in de gekruisigde Christus. Dat ontkent Calvijn niet, maar hij blijft bij het kruis niet staan, maar gaat vandaar, door Opstanding en Pinksteren heen naar zijn en onze eigen dag door.

Inderdaad: het gaat bij het H. Avondmaal om het geloof in wat de Heere Jezus Christus voor ons deed en niet om geloof in onze eigen geestelijkheid of christelijkheid. Maar, zo antwoordt hij: Niet alleen door te geloven, dat Hij is gestorven en opgestaan, om ons van de eeuwige dood te verlossen, en ons het leven te verwerven, maar ook zo, dat Hij in ons woont en met ons verbonden is zo nauw als het hoofd met de leden, om ons zo al Zijn genadegaven deelachtig te maken door de kracht van deze verbondenheid.

Laten we dit nog eens uitdrukken met allerlei woorden uit oude en nieuwe tijd: Calvijn pleit voor geloof en bevinding. Hij pleit voor een existentieel geloven. Hij heeft 'n diep wantrouwen in de mens (de christen), zo spoedig hij zelfstandig denkt te worden, vergelijk Kohlbrugge. Daarom bindt hij ons, zoals Paulus dat deed: aan Woord èn Geest: aan de Christus buiten ons, die evengoed een Christus in ons wonende wil zijn: en die zó door de Geest, uit Zichzelf, ons het leven werd en bhjft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS VAN  CALVIJN 55

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's