De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

8 minuten leestijd

In vele gemeenten, vooral de grotere, krijgt men de laatste decennia hoe langer hoe meer te maken met het probleem van „de buitenkerkelijken", mensen, die op de een of andere manier zijn losgeraakt van de kerk.

In het „Gereformeerd Weekblad" (uitgave Kok in Kampen) van 27 november j.l. schrijft prof. Brillenburg Wurth een zeer lezenswaardig artikel over dit probleem, waaruit wij hieronder enkele gedeelten overnemen.

De hooggeleerde schrijver begint met eerst een historische situatietekening te geven. Hij schrijft:

Wij hebben hier te doen met een typisch twintigeeuws vraagstuk. Dat mensen officieel „buiten de kerk" stonden kwam in vroeger eeuwen nagenoeg niet voor.

In de middeleeuwen had men het zogenaamde „corpus christianum", de bijna volledig „christelijk" en nader kerkelijk gestempelde samenleving en cultuur. Kerk en staat waren ten nauwste verbonden. Wie burger was van de staat was daarmee ook zo goed als vanzelfsprekend lid van de kerk. Men kon zich praktisch van de kerk niet losmaken, er niet buiten gaan staan, of men had zich ook volledig van de gewone samenleving geïsoleerd.

Rome wilde dat ook zo. Het „corpus christianum" paste ook geheel en al in het kader van Rome's geestelijk imperialisme, dat niets en niemand vrij liet, dat op alles en op elk een geestelijk beslag zocht te leggen.

Toen is de reformatie gekomen. En dat bracht wel een breuk in de gesloten eenheidscultuur van de middeleeuwen. Maar ook de reformatorische kerk behield nog een be­langrijke invloed in heel het volksleven. Grote kringen van mensen, die nu misschien niet zo overtuigde christenen waren, dachten er toch niet over zich van de kerk los te maken. Zelfs openlijke aanhangers van ongeloofstheorieën bleven tot in de zeventiende en achttiende eeuw nog betrekkelijk, voor de vorm en uit traditie, in de kerk meeleven.

Dat niet zo overtuigde christenen er toch niet over dachten zich van de kerk los te maken, vindt mede zijn oorzaak in de omstandigheid, dat de verhouding overheid en kerk tot aan de franse revolutie een geheel andere was dan tegenwoordig. Velen konden zich eenvoudig niet los maken van de kerk, omdat hiermede hun maatschappelijke positie in gevaar kwam. Het lidmaatschap van de kerk der reformatie was in vele gevallen een voorwaarde voor bv. de benoeming in allerlei overheidsambten. Ook deze factor mag niet uit het oog verloren worden in de tekening van het verleden.

Komende tot de huidige situatie schrijft prof. Brillenburg Wurth:

De kentering is in dat opzicht pas ingetreden in de negentiende eeuw. Toen zijn daar bewegingen opgekomen als de vrijdenkersbeweging „De Dageraad" en later het marxistische socialisme, die fel tegen de kerk positie begon te kiezen en openlijk propaganda voor een breken met de gemeenschap der kerk begonnen te maken.

En dat heeft zich in onze eeuw nog steeds meer doorgezet. Aan het eind van de vorige eeuw waren het nog maar ongeveer een 3 procent van de Nederlandse bevolking, die bij de volkstelling zich officieel als niet behorend tot enige kerk opgaven. In het begin van deze eeuw was dat gestegen tot 10 procent. En nu heeft het reeds geruime tijd een hoogte van 17 procent bereikt. Plaatselijk en regionaal loopt dat natuurlijk nogal uiteen. Er zijn nog omgevingen, waar nog bijna geen buitenkerkelijken voorkomen. Daartegenover zijn er andere, vooral steden, waar het procentcijfer tot ver boven de 17 kwam, o.a. Deventer, waar men het hoogste, nl. 40, heeft.

De schrijver wijst er dan op, dat de kerken helaas al te lang hier verstek hebben laten gaan en dat velen in dit ontstellende feit lijdelijk hebben berust. Gelukkig is echter in het begin van deze eeuw en vooral na de tweede wereldoorlog „het apostolaire besef' — de arbeid van de evangelisatie — allerwege ontwaakt. Ook in de roomse kerk. Men denke aan haar activiteit in Friesland, waar hele gebieden dankzij het kerkverwoestende modernisme van de 19e eeuw ontkerkelijkt zijn.

Eén van de oorzaken van deze ontkerkelijking is gelegen in de industrialisatie en urbanisatie van vele streken in ons vaderland.

Men weet nu al wel ten naaste bij, hoe bv. de industrialisatie en de urbanisatie — de trek naar de grote steden — de onkerkelijkheid in de hand hebben gewerkt. Het is geen wonder, dat juist in de moderne industriecentra de kerken over het algemeen de moeilijkste strijd hebben te strijden.

Duidelijk is dit aan het licht getreden door het sociologisch onderzoek. Toch is het gevaarlijk — zo schrijft prof. Brillenburg Wurth in navolging van een opmerking van pater v. d. Meer — het probleem van de buitenkerkelijkheid uitsluitend te benaderen vanuit de sociologische hoek. Dit leidt tot eenzijdigheden.

Ook andere aspecten van dit vraagstuk mogen niet over het hoofd gezien worden. Zeker:

Het breken met de kerk is in vele opzichten een sociaal verschijnsel. Niet maar enkelingen, groepen, kringen uit onze samenleving gingen heen. En hier en daar ligt het zelfs in de massale sfeer. „En masse" maken telkens weer velen zich van de kerk los. Maar dat zal ons toch niet moeten doen onderschatten de individuele aspecten van dit probleem.

Niet minder nodig is gedegen onderzoek in de sociaal-psychologische en in de individueel-psychologische sfeer. Het zou van belang zijn, als wij naast de geschiedenissen van individuele bekeringen tot het geloof, nu ook eens kregen geschiedenissen van enkelingen, die met het geloof of met de kerk braken.

Maar nog belangrijker is wel, dat ook ten volle gehonoreerd wordt het theologisch aspect van ons probleem. Afval, hetzij van de kerk, hetzij van het geloof of van beide is ten diepste een religieuze aangelegenheid. En het zal wel heel moeilijk zijn, en het zou stellig ook onjuist wezen — daarmee zullen onze sociologen het vermoedelijk ook wel eens zijn — om het sociologische en het theologische hier te scheiden. Om nu het vraagstuk van de afval van het geloof nog maar eens buiten beschouwing te laten en voorlopig het nu alleen nog maar te beperken tot het probleem van het breken met de kerk, om daarin het rechte inzicht te ontvangen kan men maar niet ermee volstaan de kerk als een sociologische grootheid te zien, maar zal mén stellig ook met de theologische problematiek van de kerk te maken krijgen.

Sommige Rooms-Katholieken menen het teloorgaan van het „corpus christianum" vooral als een geestelijk verlies te moeten beschouwen. Hiertegenover is opgemerkt van gereformeerde zijde,

— dat misschien juist de verwereldlijking der kerk, die overal dreigt, waar kerk en wereld te nauw verstrengeld zijn en de kerk haar kracht in een werelds imperialisme zoekt, een van de oorzaken is, die velen van de kerk vervreemd heeft. Daar zijn er blijkbaar toch ook onder de „wereldse" mensen — al geldt het niet van allen — die eigenlijk het aan de kerk niet vergeven kunnen, als deze niet haar eigen, on-werelds karakter weet te bewaren.

Volgens prof. Brillenburg Wurth betekent het bovenstaande niet

een pleidooi voor een „wereld-vreemdheid" der kerk, zoals nu zo vaak te constateren valt, in die zin dat de kerk niets van het leven der wereld rondom begrijpt en van niets van wat die wereld beroert zich iets aantrekt. Wij hebben hier veel meer op het oog, dat de kerk, levend midden in die wereld, ten diepste waarachtig in de volle zin van het woord kerk van Jezus Christus blijft. Immers alleen van zó'n kerk zal tenslotte een waarachtig geestelijk appèl uitgaan.

En het lijkt ons een van de heel belangrijke vragen, die bij dit onderzoek naar de oorzaken van de buitenkerkelijkheid onze aandacht verdient, in hoever inderdaad juist ook die factor, die wij daareven noemden, de aanleiding is geweest, dat velen de kerk de rug hebben toegewend.

Zo zijn er nog heel wat andere theologische vragen, die om een antwoord roepen, wil men de verschillende oorzaken van de buitenkerkelijkheid op hun juiste waarde kunnen schatten.

En van harte willen wij onderstrepen hetgeen prof. Brillenburg Wurth aan het slot van zijn artikel schrijft:

De Schrift leert ons immers wel, dat, naarmate het einde der dagen nadert, de grote afval ook al meer zal gaan doorzetten. En als zodanig behoeven wij dan ook niet al te zeer er over verwonderd te staan, als wij in onze tijd een begin daarvan zich zien openbaren. Maar dat zal ons toch nooit ons besef van verantwoordelijkheid ervoor mogen doen verliezen of onze verontrusting erover het zwijgen mogen opleggen. Het gaat immers maar niet om het zogenaamde functie-verlies van de kerk als een sociologische grootheid. Daarin en daarachter staat veel meer op het spel. Bij verreweg het merendeel betekent de breuk met de kerk toch zeker ook de breuk met God en met Christus. En daarin gaat het toch om de grootste ramp, die in ons mensenleven denkbaar is.

En positief gaat het er maar niet om, dat de kerk straks weer in wereldse zin aan macht en invloed wint, maar hierom, dat velen, kon het zijn weer tot haar terugkeren om in haar midden te vinden die geestelijke geborgenheid in Christus, die voor een mens de voorwaarde bij uitnemendheid is voor natuurlijk en geestelijk welzijn en komt het er op aan, dat de kerk van Christus straks ook weer dat brandpunt van geestelijke kracht 'en zegen wordt in een samenleving, die zonder deze krachtsbron tot geestelijke ondergang gedoemd is.

Deze beschouwingen van prof. Brillenburg Wurth mogen voor onze kerkeraden een stimulans zijn om de arbeid van de Ned. Herv. Bond voor Inw. Zending op G.G. van harte te steunen. Niet minder ook een stimulans om, waar dat nodig is, als kerkeraden zelf de arbeid der evangelisatie ter hand te nemen. Men leze daartoe ook het artikel van ds. Klüsener in „De Waarheidsvriend" van 19 november j.l. over het referaat van prof. Jonker over „Gereformeerd Apostolaat? " Juist vanuit het reformatorisch belijden ligt hier een grote en grootse taak.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's