DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 56
Zondag 52
Het Heilig Avondmaal — vervolg
De gemeenschap met Christus in het Avondmaal.
Calvijn vervolgt zijn uiteenzetting in verband met het Heilig Avondmaal. Hij sprak in de vorige zondag over de gemeenschap met Christus, zoals het Heilig Avondmaal die op een eigen wijze uitbeeldt en versterkt. Daarop gaat hij nu nader in met de vraag: Vindt die gemeenschap alleen plaats in het Heilig Avondmaal? Die vraag is zeer begrijpelijk, want de eerste gemeentenaren in Geneve waren allen uit de Roomse Kerk afkomstig, voor wie inderdaad het Sacrament de enige weg betekent om de genade en gemeenschap van Christus te ontvangen, waaruit de sterke overschatting van het Sacrament ten koste van het Woord bij Rome is te verstaan.
De romaniserende stromingen onzer dagen begeven zich die zelfde richting weer uit, als ze het Sacrament boven het Woord stellen.
Calvijn doet dit niet. Hij zet ze naast elkaar. Hij antwoordt daarom: Volstrekt niet! Want wij hebben die gemeenschap (reeds) door de prediking van het Evangelie, zoals Paulus zegt, 1 Cor. 1:21, omdat de Heere Jezus ons daarin belooft, dat wij been van Zijn been en vlees van Zijn vlees zijn (Efeze 5 : 80); dat Hij het brood des levens is, dat uit de Hemel is neergedaald, om onze zielen te voeden (Joh. 6 : 51); dat wij met Hem één zijn, zoals Hij één is met de Vader en dergelijke woorden.
We hebben dus niet teveel gezegd: Woord en Sacrament staan op één lijn. Als één ervan de mindere is, dan moest dit het Sacrament zijn, dat immers ingesteld werd vanwege „onze grovigheid". We merken in Calvijn's antwoord op, dat het Sacrament de genade van de Heere Jezus Christus, de belofte van Christus verzegelt en niet een „inwendige genade" in ons. Dat wij alleen door echt geloof de gemeenschap met Christus kennen is een andere zaak; juist ook die spreekwijze betekent, dat wij ons heil buiten ons zelf, in Christus hebben te zoeken. Zoals het Woord, het Evangelie een belofte-karakter heeft, doordat het ons stelt voor de genadig belovende (en volbrengende) God. Zo is het evengoed met het Sacrament. Calvijn zegt daarom iets groots van de belofte van Christus, nl. dat reeds daarin de gemeenschap met Christus geboden en — door geloof — genoten wordt; dat reeds daarin ons betuigd en bezegeld wordt, dat de Heere Jezus Christus, door Zijn solidariteit met ons in de schuld, ons ook Zijn solidariteit betuigt in de heerlijkheid en de gerechtigheid. Zo wil Hij ons genadig aannemen als vlees van Zijn vlees, been van Zijn been, als mensen, geheel en al aangewezen op het Brood des Le vens, dat levend maakt; als mensen, die Hij zo dicht naar Zich toe haalt, dat Hij zelfs zegt: Wij zijn zó vereend, als de Vader en Ik één zijn.
Die gemeenschap is er dus door het geloof in het Evangelie, de belofte; ze is er ook, langs de „omweg", die het Sacrament betekent vanwege onze ongelovige en kleingelovige aard in het Heilig Avondmaal.
Wat geeft het Sacrament?
De verhouding van Woord en Sacrament wil nog verder onderzocht zijn. Vandaar de vraag: Wat hebben we nog meer in het Sacrament en waartoe dient het ons nog verder? Geantwoord wordt: Dit: dat deze gemeenschap (met Christus) krachtiger in ons wordt bevestigd en als het ware geratificeerd. Want hoewel Jezus Christus ons waarlijk wordt meegedeeld zowel door de Heilige Doop als door het Evangelie, blijft dit toch nog ten dele, niet vol.
We gaven met opzet die vertaling: geratificeerd. Dit woord kent u wel uit de kranten. Als twee machten iets overeenkomen, plegen hun ministers eerst een overeenkomst te „paraferen". Daarmee wordt uitgedrukt dat ze eerlijk is bedoeld en aanneming waard is. Maar die parafering wacht op de ratificatie door de Parlementen en dan is de overeenkomst voldongen feit.
Zo bedoelt Calvijn het ook, al hapert het beeld wel een weinig. In het Evangelie en in onze Heilige Doop opent onze Heere God Zijn genadeverbond en Christus spreekt Zijn bereidwilligheid uit om dat verbond ook over óns kinderen des toorns !) uit te strekken. Waar dit Evangelie, dat alle aanneming waard is, door ons geloofd en omhelsd wordt, daar zouden we al van ratificatie kunnen spreken; daar zóu het Heilig Avondmaal, in het afgetrokkene beschouwd, overbodig kunnen heten. Maar we moeten het zo niet beschouwen; in het zeer concrete beschouwd, in het licht van onze arme, ongelovige, dwaze aard, komt het geloof in het Evangelie doorgaans niet boven die „parafering" uit. Maar dan verdriet het de Heere niet, in het Heilig Avondmaal dit genadeverbond in Christus nog weer zo lokkend en eenzijdig voor ons te doen spreken dat daardoor de aarzelingen, de twijfel overwonnen wordt en de „parafering" tot „ratificatie" wordt. Een gezegeld document wordt immers niet gewantrouwd; zo wordt dan door het Heilig Avondmaal de gemeenschap met Christus bevestigd, „geratificeerd". Tot goed begrip van zaken voegen we daar aan toe: Daar staat de Heilige Geest niet buiten, maar daar zit Hij in, want niemand noemt Jezus Christus zijn Heere en Zijn God dan door de Heilige Geest.
Wat het brood betekent.
De vrager blijkt in deze tevreden gesteld maar vraagt nog iets over de onderdelen van het Heilig Avondmaal. Eerst: Wat ontvangen we dus, kort samengevat in het teken van het brood? Antwoord: Het lichaam van de Heere Jezus, zoals het eenmaal ten offer is geboden om ons met God te verzoenen, wordt ons nu gegeven om ons te verzekeren., dat wij deel hebben aan deze verzoening.
We verdwalen niet in de vraag, of Calvijn dit nu letterlijk zo bedoelt: in het Heilig Avondmaal wordt ons het lichaam van Christus gegeven. De roomse gedachte van de wezensverandering verwerpt hij, de Lutherse opvatting van die zeer sterke verbinding van teken en zaak (met, in door de tekenen wordt Christus meegedeeld) is hem niet sympathiek, maar het symbolische van Zwingli is hem een ergernis. We zien hier, hoe Calvijn een eigen standpunt inneemt t. o. de 3 genoemde. We zullen dit zo mogen definieeren: Het is in het Heilig Avondmaal zo goed als of ons het werkelijke lichaam van Christus wordt geboden. De Heilige Geest bewerkt, dat voor het geloof Christus werkelijk present is. Maar niet in enige magische of dergelijke zin, maar: om in het teken van Zijn verzoening ons te verzekeren: Ik ben uw heil.
Wat de wijn verpandt
Wat hebben we aan het teken van de wijn? Het laat zich verwachten, dat het hier gegeven antwoord niet afwijkt van het zoëven gehoorde. Dat blijkt dan ook het geval te zijn: (We hebben er dit aan) dat de Heere Jezus ons Zijn bloed te drinken geepft, zoals Hij het eens uitstortte als prijs en voldoening voor onze zonden, opdat wij niet zouden twijfelen, dat wij er de vrucht van ontvangen. Ook hier merken we weer op, dat Calvijn op de verzekerende kracht van het Heilig Avondmaal wijst. We zeggen niet te veel, als we stellen, dat onzekerheid en onverzekerdheid een van de smalle kanten is van de Gereformeerden in de Hervormde Kerk. Zou het iets te zeggen hebben, dat juist wij, die daarmee tobben, het Heilig Avondmaal zo kwijtgeraakt zijn? Wij zoeken baat bij allerlei geestelijke remediën; we worden dieper en dieper. Maar komen we zo inderdaad tot verzekerdheid? Het is geheel in de geest van Calvijn, wanneer we dat bekende bijbelwoord zó verstaan: Zij hebben Woord (en Sacrament) verlaten, wat wijsheid (verzekerdheid) zouden ze hebben
Heilig Avondmaal en de stervende Christus.
De catecheet vervolgt nu: Volgens je antwoorden verwijst het Heilig Avondmaal ons naar het sterven en lijden van Jezus Christus, opdat wij deel zouden hebben aan de kracht ervan. Deze woorden hebben de kracht van een vraag, al ontbreekt het vraagteken. De leerling bevestigt het: Zeker. Want toen is het enig en eeuwig offer gebracht tot onze verlossing, zodat het er nu maar op aankomt, dat wij daar het genot van hebben. Is het voor ons, zo veel in onszelf gravende mensen, geen bevrijding, door Calvijn (door de Schrift) altijd maar weer buiten onszelf te worden gezet? Dit betekent geen verzakelijking, maar het betrekt het al te „persoonlijke" op een kostelijke wijze op de Zaak. Calvijn zegt in dit antwoord alleen dit: Alle dingen zijn gereed. Kom tot de bruiloft van het Lam. En als we dan denken: ja, maar: het bruiloftskleed, dan reikt hij ons ook dat aan, als hij zegt: O al gij dorstigen, komt tot de wateren; gij die geen geld hebt: komt, koopt zonder prijs en geld.
Het Heilig Avondmaal verwijst ons naar de lijdende, stervende (maar ook opgestane) Christus, die het alles volbracht. Zeer fijn, ook heilig nuchter, zegt Calvijn ervan: Er valt dus niets meer te doen of te verdienen. Het komt er nu maar op aan, het genot van dit alles te genieten. Het woord uit Jesaja dat we zoeven aanhaalden, is daarbij wegwijzend.
Mis en Avondmaal.
Dan besluit deze zondag met de vraag: Dus het Avondmaal is niet ingesteld om het lichaam van Jezus als offer aan Zijn Vader te brengen? Blijkbaar heeft Calvijn hier de roomse mis op het oog: de mispriester bewerkt, dat Christus Zich Zelf dagelijks weer de Vader opdraagt en offert. We herinneren ons het bekende antwoord 80 van onze Heidelberger, dat die pauselijke mis een vervloekte afgoderij en verloochening van het enige offer van Christus noemt.
Calvijn zegt het hier niet zo fel, maar wel even duidelijk: Neen, want dit komt alleen aan Hem Zelf toe (en niet aan de mispriester): daar Hij Zelf Hogepriester in eeuwigheid is. Hehr. 5 : 5. Maar Hij gebiedt ons alleen Zijn lichaam te ontvangen, niet het te offeren.
Calvijn bedoelt blijkbaar dit: Wie offert, wekt de schijn, iets te „hebben". Het Heilig Avondmaal weet maar van Eén, die het hééft. Alle anderen kunnen alleen ontvangers, bedelaars zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's