De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kroniek

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kroniek

11 minuten leestijd

„Wereld in verwachting" — „De heilige rok van Trier" — Prof Smits ontzet uit zijn predikantsrechten — Kerk in verwachting?

„Wereld in verwachting", aldus luidde de titel van de rede, welke mr. Kist, directeur van „Kerk en Wereld" vrijdag 20 november jl. in de Grote Kerk te Driebergen gehouden heeft ter gelegenheid van de 14e verjaardag van die Stichting. Een diës-rede alzo. Met deze rede heeft mr. Kist, die van de oprichting af lid van het directorium is geweest, afscheid genomen als directeur.

Nu ga ik niet over deze rede en haar portee of bedoeling hier schrijven. Dat heeft onze hoofdredacteur reeds gedaan in het nummer van 26 november jl. Ik was zeer dankbaar voor dat artikel, omdat ik nu ook van de strekking van mr. Kist's diës-rede kon vernemen, want die was in het verslag van de N.R.Crt., dd. 21-ll-'59, niet zo aangegeven. De verslaggever was wellicht zo zeer onder indruk van de analyse, die mr. Kist gaf van deze tijd, dat hij naliet de strekking der rede te vermelden. Die analyse en typering waren ook wel heel eigenaardig om geen sterker woord te gebruiken. Hier volgt het stuk, waarop ik het oog had:

„De gewone mens kan de springvloed van feiten en impressies niet meer vertrouwen. Op zijn minst zo dolheidwekkend is voor de mensen, dat hun gebruikelijke waarderingsmaatstaven als het ware versmelten, als zij ze aan de nieuwe werkelijkheden na de Tweede Wereldoorlog willen aanleggen. De ons bekende levensverbanden worden vervluchtigd in ongrijpbare macrocollectiviteiten, die zich aan onze hantering onttrekken, een eigen leven leiden, en niettemin de dienst uitmaken op ons wereldtoneel. Een naam hebben zij nog als Oost- en Westblok, „De vakverenigingen", de N.A.V.O. „de Arabische wereld', Europese markt, alle internationale overkoepelingsverenigingen tot aan de brave Wereldraad van Kerken toe".

Maar veel vaker leiden zij naamloos een bestaan als „overheden in de lucht", die onder pseudoniem zich laten vereren als „de democratie", „het bestel", „de conjunctuur: ", „humaniteit", „wereldmarkt", „progressiviteit", „de vrede", „het belang", „de exportpositie" enz.

Een nieuw soort tirannie sluipt daarmee ongemerkt onze wereld binnen. Op fluwelen voeten. Want de mensen worden zoet gehouden met de democratisering van de comfort- en luxe-goederen, waarmee dit nieuwe bewind alle „families Doorsnee" voor zich wint."

Ik geef dit snufje waardering van onze tijd zonder commentaar. Misschien vindt deze en gene er iets in van „geleerde razernij". Het kan zijn. Doch niet ontkend kan worden, dat hier blootgelegd is een wereldleven, waarin door het dolle heen alles gaat om wat men in deze tijd zoekt: welvaart, luxe, comfort en wat dies meer zij. Men kan geen krant in handen krijgen, of er is sprake in van een bepaald loonbeleid, loonsverhoging en zo maar meer. Alleen de schrijvers van artikelen in tijdschriften en week- en dagbladen zijn niet van de partij, zo las ik ergens. Is er in deze wereld van „mentale hondsdolheid" (mr. Kist) nog een voelen voor geestelijke waarden? Vermaterialiseert niet alles? In en buiten de gemeente? Vreet het niet de gemeente Gods in hevige mate aan? Is de inzinking in het leven des geloofs, welke allerwege is te bespeuren, er niet een gevolg van? Ik las in Hervormd Nederland dd. 28 november jl. een veelzins lezenswaard artikel van ds. Straatsma, onder het opschrift: „Heb ik God nog wel nodig? " Daarin voegde hij treffend in Psalm 106 : 15: „Toen gaf Hij hun hun begeerte, maar Hij zond aan hun zielen een magerheid". Is in dit woord van de psalmist niet het antwoord op de vragen, die ik zo pas stelde?

De Kroniek van „Kerk en Theologie", 4e aflevering — oktober 1959 — ving aan met een stuk naar aanleiding van „De heilige rok van Trier". Dat was trouwens het opschrift boven dat 1e deel van de Kroniek. Men weet wellicht, wat met die „heilige rok" is bedoeld. Trier is de stad, die zich er op beroemt als reliquie te bezitten „de rok zonder naad" van de Heere Jezus. Het Evangelie verhaalt, dat die door de soldaten van het executiepeloton onder elkaar is verdobbeld. Dat ontkennen de r.k. kerk en haar theologen geenszins. Niettemin is die rok in Trier op de een of andere wijze terecht gekomen en daar zorgvuldig bewaard! Deze zomer is volgens besluit van de bisschop van Trier die „heilige rok" openlijk ter verering ten toon gesteld. Een bijzonderheid. Want dit was de tweede maal in deze eeuw. Het grote gebeuren heeft plaats gehad van 19 juli tot 20 september. Duizenden pelgrims hebben de bedevaart naar Trier ondernomen. Elke dag zijn er zo ongeveer 50.000 in de gelegenheid gesteld de „heilige rok" te vereren. Zieken alleen mochten hem kussen. De aartsbisschop van Berlijn, Julius Kardinaal Döpfner heeft in de openlucht een pontificale hoogmis gecelebreerd, waarbij ca. 14.000 mensen aanwezig waren.

Paus Johannes XXHI heeft in een persoonlijk schrijven aan de bisschop van Trier zijn hoge ingenomenheid betuigd met het door deze genomen initiatief.

We hebben hier te doen met een van de „sotte paepse superstition", zouden we kunnen zeggen. Maar de chroniqueur, prof. V. Niftrik, aan wiens verhaal ik het bovenstaande ontleende, zit er wat mee. Hij begon zijn stuk met te constateren, dat sedert de bezettingstijd „in de houding van de protestanten en met name van de protestantse theologen tegenover Rome en de r.k. theologie een grote verandering is gekomen." Na nog het een en ander over die „grote verandering" gezegd te hebben, o.m. dat er over en weer tussen de theologen „echte vriendschappen zijn gegroeid", eindigt hij: „Tenslotte moeten wij in Nederland met elkander wonen en leven, en wij trachten beide christus te dienen".

Ach ja, die ontboezemingen kennen we. Ik moest bij het lezen van dit deel van de Kroniek onwillekeurig denken aan een tirade uit een verslag over „de Voorhof", een symposion, een samenspreking, tussen protestantse en r.k. theologen, kort geleden in Nijmegen gehouden. Hier volgt het:

„In de tweede plaats was er het opmerkelijke feit, dat uit de discussie niet was op te maken of men met een rooms katholiek of een protestant te doen had. Tenzij men dan het criterium van prof. Kooiman, een der gespreksleiders, hanteerde, dat wanneer iemand een onverdacht calvinistisch geluid het horen het beslist afkomstig was van een rooms katholiek, terwijl de katholieke geluiden als regel uit de mond van een protestant kwamen."

Maar ter zake. Het ging over „de heilige rok van Trier". Die heeft de stemming bedorven. Prof. v. Niftrik spreekt van „een geweldige teleurstelling, waardoor wij ineens veel verder uit elkander geworpen worden". En dan komt de verzekering, dat het niet zo is, „dat wij ons aan romantische dromen van hereniging zouden overgeven. Het dogma van 1950 staat als een muur tussen ons". Bedoeld is het dogma van de ten hemel opneming van Maria. .

Het is bijkans één halve eeuw geleden, dat dr. A. Kuyper betreffende Rome en het belijdend protestantisme sprak van het „stoelen op een wortel des geloofs". Hij deed dat om de coalitie met Rome aanvaardbaar te maken. Ik heb mij in die synthese niet kunnen vinden. Maar gegeven uitingen als ik citeerde uit prof. V. Niftrik's Kroniek in haar begin, en uit het verslag van de „Voorhof", zou ik er toe overhellen te zeggen, dat hij (dr. K.) het nog niet helemaal verkeerd zag.

Gelukkig, dat prof. v. Niftrik ook een ander geluid deed horen. En voorzoveel dat aan de „heilige rok van Trier" te danken is, ben ik niet rouwig over die vertoning onder pauselijke goedkeuring, hoezeer ik er overigens in mijn hart van gruw. Het is en blasfemisch bedrijf, waarvan een redacteur van „Het Schild", dr. Pauwels, moet toegeven, dat alle Schriftuurlijke grond eraan ontbreekt.

Thans iets uit ons kerkelijk leven. „Het hervormd kerkelijk opzicht in Zuid- Holland heeft prof. P. Smits, buitengewoon hoogleraar in Leiden „sinds 1950 eervol ontheven van zijn ambt als predikant der Ned. Herv. Kerk, met de rechten als van een emeritus-predikant, ontzet uit zijn predikantsrechten en ontzet uit zijn functie als lid van de commissie voor de zaken van Kerk en Theologie". Ziedaar het bericht betreffende prof. Smits, dat ik aantrof in de N.R.Crt., dd. 30 november jl. Deze heeft het ontleend aan het Herv. Persbureau, dat er aan toevoegde, „dat het hier gaat om een tuchtmaatregel wegens prof. Smits' naar het college oordeelt, onschriftuurlijke belijdenis (en zijn pogen zich aan het kerordelijke opzicht te onttrekken), getuige zijn geruchtmakende artikel in Kerk en Wereld, het weekblad voor vrijzinnige protestanten voor Goede Vrijdag 1959, getiteld: „Waarom stierf Jezus" en zijn reacties op de bezwaren, die tegen zijn artikel ook door ambtelijke vergaderingen der kerk waren ingebracht".

Dit besluit werd door de betrokken commissie genomen vrijdag 13 november jl. en treedt, zo prof. Smits niet in hoger beroep bij de Synode gaat, in werking 11 december e.k.

Dat is in zekere zin een tuchtoefening vóór 1961. In zekere zin, want het gaat om het bewuste artikel, doch ook om „herhaaldelijke" misdragingen. Dat doet denken aan wat onder het reglement van 1816 ook kon gebeuren. Veel, ja schier alles werd toen getolereerd, de leer betreffende, mits men niet ongehoorzaam was aan de reglementen. Zo is het in dit geval wel niet, doch „kerkelijke" ongehoorzaamheid speelt er een rol in.

Maar goed. Er is paal en perk gesteld aan m.i. grove aantasting van het hart van het Evangelie en van het kerkelijk belijden, het verzoenend lijden en sterven van onze Heere Jezus Christus. Over dit handelen van de Commissie voor het opzicht uit de Provinciale kerkvergadering van Zuid-Holland verblijd ik mij. Niet, dat ik belust ben op ketterbloed. Veel liever ware mij, als prof. Smits na broederlijke bespreking tot herroeping en bekering was gekomen. Op een verzoek tot bespreking — was het een citatie? — heeft hij niet gereageerd. Wegens een formele fout in het betreffende schrijven? Alleen de secretaris der commissie schijnt het te hebben ondertekend. Hoe het zij, deze zaak zal nog wel een vervolg hebben. Het is de vraag of „het kerkelijk opzicht van Zuid-Holland, de boven omschreven „Commissie" wel bevoegdheid heeft tot deze „ontzetting". Canonici, experts in het kerkrecht, zijn van mening, dat een ontzetting als waarover het hier gaat, alleen door de Synode had kunnen geschieden. De N.R.Crt, noemt in dit verband prof. v. Itterzon, „die in het Gereformeerd Weekblad der Hervormde Kerk", handelend over tucht over emeriti-predikanten, de mening gaf, dat alleen de Synode hier tucht kan uitoefenen. Nu vergist zich de N.R.Crt wat het orgaan betreft. Prof. van Itterzon schrijft in „Hervormd Weekblad De Geref. Kerk" en niet in het door de scribent genoemde blad.

Het bericht als zodanig is wel onverwachts. En toch, het frappeerde mij, dat prof. V. Niftrik in zijn hiervóór aangehaalde Kroniek nogal uitvoerig over de zaak-Smits handelde; een bespreking; waarin ik ook deze zin aantrof:  „Maar ik ben niet bereid hem (prof. Smits) uit de kerk te zetten". Die zin staat echter in een bepaald verband, dat ik hier niet kan weergeven. Wel enkele verdere uitlatingen, die enigszins motiveren, hoe de schrijver tot die uitspraak kwam. Allereerst dan, dat prof. v. Niftrik de uitlatingen van prof. Smits verwerpt. Daar was ook m.i. geen twijfel aan. Maar nu verder. „In de uitlating van prof. Smits gaat het om de uitspraak van een mens, een lidmaat, wiens eigenlijke existentiële zijn verborgen blijft, althans niet geheel en al tot openbaring komt door en in de door hem aangehangen overtuigingen en uitgesproken meningen." De oude uitspraak: de intimis (internis) non judicat ecclesia, ed de extemis, over het innerlijk oordeelt de kerk niet, maar over het uiterlijk, het naar buiten getredene, vindt prof. v. Niftrik, „volstrekt onvoldoende". Maar dan is alle tucht, leertucht en levenstucht m.i. een volstrekte illusie. Het is dan ook logisch, dat het artikel eindigt met: „En daar zit de moeilijkheid om niet te zeggen de onmogelijkheid van de kerkelijke tucht. Want wie zijn wij om harten en nieren te proeven? " Hier zijn klare uitspraken, die ik evenwel zeer betreur. Zeker, de tucht is een tere en moeilijke opdracht aan de Kerk van Christus. Vooral in deze tijd. Dat geldt alle kerken. Maar ze is opdracht der Schriften. En daarom mag ze niet nagelaten, ook niet in onze zeer moeilijke kerkelijke situatie.

„Wereld in verwachting", met dit citaat ving ik aan. Kunnen we ook spreken van „Kerk in verwachting? "

We zijn de adventsweken ingegaan. Die tijd was in de oude kerk een tijd van boeteprediking.

Terecht, want Johannes de Doper was boetprediker. Maar dat niet alleen. Het ging hem om de Koning. Er was iets in zijn prediking van: „Zie, de Bruidegom komt, gaat uit Hem tegemoet." Zo kon hij bij de scharen verwachtingen wekken (Luk. 3 : 15).

Dat element van verwachting moet ook de adventsprediking hebben. Het zou groot zijn als door de adventsprediking van 1959 een volk tot openbaring kwam bij het welk het grote verwachten leeft, het verwachten in alle donkerheden van de „grote Christus, Eeuwig licht!" Simeon zong van Hem. Zingen wij met hem zijn lofzang?

Een licht, zo groot zo schoon,

Gedaald van 's hemels troon.

Daarin is van het echte verwachten, van Gods gemeente dat vervulling ontvangt. Dit wekke de Geest van Christus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Kroniek

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's