Tot op deze dag 5
DIE LASTIGE OORPIJN
Wij, (een ouderling en ik), stappen naar binnen bij een vrouw, van wie het bekend was, dat ze weinig of niet kerkte. Wij treffen haar aan met een witte doek om het hoofd, die onder de kin doorliep en bovenop was vastgebonden. De beide uiteinden staken als twee zonderlinge, rechtopstaande oren er boven uit.
Wij groeten en vragen, wat er aan de hand is. Het antwoord wordt heel grif gegeven. „Ja heren, " zegt ze: „U moet weten: ik heb veel last van oorpijn. Hebt u dat ook wel eens gehad? Zon weeë pijn niet? Een mens weet niet, waar hij het zoeken moet. De dokter zegt, dat ik oppassen moet voor kouvatten en daarom kruip ik maar in een doek met watten .
Er dreigde nog meer te komen, maar zodra wij kans zagen, brachten wij het gesprek op iets anders. Want wij kregen sterk de indruk, dat al dat gepraat bedoeld was als een soort afleidingsmanoeuvre.
Wij spraken erover dat de vrouw nu vooral 's zondags nog al wat missen moest. „Maar", voegden wij er aan toe, „u hebt Gods Woord toch in huis". En meteen daarop: „U leest dat toch zeker? "
„Maar dominee, wat dacht u dan? " was het antwoord. „Ziet u de Bijbel daar niet op het kastje staan? " Ja, dat zagen wij wel, maar bijbels staan er wel meer op de kast of op het boekenrek, zonder dat ze worden gebruikt. Dat moesten we dan maar aannemen, dat het hier anders was.
„Gaat u ook ter kerk? " vragen wij. Wij hadden daarover wel iets gehoord, maar we wilden toch liever de dingen vernemen uit haar eigen mond. „Nu", zegt ze, „ik ga wel eens, maar ik moet er bij zeggen: niet elke zondag; want die oorpijn! die oorpijn! ziet uI En dan, dominee, zeggen ze ook, dat u zo'n zachte stem heeft".
„Als ik u was", gaf ik ten antwoord, dan zou ik dat, zodra het kan, in de kerk eens onderzoeken".
„Dat heeft dominee daar wel goed gezegd!" komt het er uit met een staalkalm gezicht, als wil ze te kennen geven: „die zet is voor u! één-nul, maar de volgende zet zal voor mij zijn!"
Wij vragen of ze er wat op tegen heeft, dat wij samen een gedeelte uit Gods Woord lezen. En daarna: of wij in het gebed zullen gaan. „Het is mij wel goed!" luidt het. Dit doen wij dan; maar het „amen" van het gebed is nog niet over mijn lippen of meteen klinkt het uit haar mond: „Wat lastig toch als een mens zo'n oorpijn heeft!"
Zie, dat was nu haar zet. Nu was het dan weer „een-een".
Wij zijn weggegaan en voelden ons eigenlijk verslagen. Mij was het althans te moede of satan mij stond uit te lachen in die vrouw, die immers te verstaan gaf: „Ik trek mij van al uw praten en bidden niets aan".
Hier wil God ons leren, dat wij, uitgaand in Zijn Koninkrijk, er niet op uit moeten zijn, elkander vliegen af te vangen of te proberen met handigheidjes de zaak te redden. Wij komen dan immers bedrogen uit en lijden de nederlaag. Gelukkig, wanneer wij er door geleerd worden en al ons werk, in afhankelijkheid verricht, Gode opdragen.
Onze nederlagen van vandaag kunnen morgen in Gods overwinningen verkeren. Dat „oorpijngeval" komt meer voor. Wat een beletselen, wat een hinderpalen op de weg der zaligheid! Bij de een is het het oor, dat niet horen wil, bij de ander het oog, dat niet zien wil, bij een derde zijn het de benen, die niet lopen willen; bij ons allen is het het natuurlijke hart, dat niet luisteren wil. Wij zijn in de verste verte niet opgewassen tegen onze eigen hinderpalen.
Bidden wij God toch steeds weer om open oren en ogen, opdat wij ons zelf niet langer wat wijs maken en eerlijk en oprecht voor Gods Aangezicht verschijnen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's