DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 57
Zondag 53
HET HEILIG AVONDMAAL.
Het dubbele teken van het Avondmaal.
Calvijn begint nu de derde van de 4 zondagen, die hij aan het H. Avondmaal wijdt. Hij heeft Doop en Avondmaal niet van elkaar gescheiden, al merkte hij wel onderscheid op. Dat doet hij ook in de vraag waarmee hij nu opent: Waarom is het teken (van het H. Avondmaal) dubbel ? Dat vinden we bij de Doop niet, vandaar dat het nu zijn aandacht trekt. Die herhaling is ons uit onze Bijbel wel vertrouwd. Het Amen Amen (voorwaar, voorwaar), die merkwaardige stijl van b.v. vele Psalmen, waarbij de tweede regel in andere woorden dezelfde gedachte, die in de eerste regel werd uitgesproken, herhaalt, wat men „het parallelisme der zinsdelen" noemt: de herhaling van de Wet, die we in Deuteronomium vinden, zijn altemaal voorbeelden van wat Paulus noemen zal: Dezelfde dingen u te schrijven is mij niet verdrietig, en u is het zeker.
Daar heeft Paulus al uitgesproken, wat Calvijn hem nazegt: Onze Heere (Jezus Christus) heeft dat gedaan om onze zwakheid, om ons te doen verstaan, dat Hij niet alleen vlees (voedsel) is voor onze zielen, maar ook drank, opdat wij ons voedsel alleen en geheel in Hem zoeken en nergens anders.
We kunnen hier begrijpen, dat de voorstanders van een Sacramentstheologie in onze dagen dit antwoord bepaald niet onderschrijven. Ze keren in hun sacramentsverering de volgorde, de rangorde om: wat gegeven is vanwege onze zwakheid en „grofheid", gaan ze op de ereplaats zetten en lopen gevaar het Woord, dat de eerste- en ereplaats verdient, daartegenover op de tweede plaats te zetten. Calvijn zegt hier, dat het ons waarlijk geen eer is, dat we de Heere vermoeien met onze ongelovigheid, dat we daardoor Hem eigenlijk hebben „gedwongen" dit tweede teken te stellen naast het eerste.
Kelk en leek.
De volgende vraag houdt in : Moeten allen zonder onderscheid dat tweede teken, d.w.z. de kelk, nemen?
We merken, dat Calvijn hier de roomse praktijk, dus die van de „communie" op het oog heeft. Als de R.-Katholiek ter communie gaat, ontvangt hij het brood, geperst in de vorm van een ouwel; maar de beker krijgt hij niet gereikt; de priester alleen drinkt eruit, zeggend: voor u allen; de leek blijft er verre van, omdat het heiligschennis zou zijn, wanneer iets van de wijn (veranderd in Christus' bloed) zou worden gemorst. Het is mogelijk niet de bedoeling, dat de leken hierin voor onmondig gehouden worden, omdat o.i. de praktische vraag meespreekt, maar in het kader van de roomse onderscheiding priester-leek komt het er toch wel op neer. Op volkomen willekeurige wijze heeft men zo de leek van de beker beroofd, waarbij zeker ook wel heeft meegesproken, dat men zo de priester verheffen kan boven het volk, zo dat hij hen onmisbaar blijft.
Begrijpelijk dat Calvijn deze gang van zaken geheel niet „neemt": Ja (allen mogen de beker drinken), naar het gebod van Jezus Christus, waartegen men immers niets mag ondernemen. Als de Heere Christus zegt: Drinkt allen daaruit, moet het eigenwilligheid en erger zijn, om toch maar te zeggen: Neen, de leek blijft er buiten. Maar vergeten we dan weer niet, dat het Woord bij Rome geen laatste gezag heeft en gedurig door de traditie doorkruist wordt.
Belofte en werkelijkheid.
Hebben we in het Avondmaal alleen het getuigenis aangaande de dingen, waarover we spraken of worden ze er werkelijk in gegeven?
Met deze vraag raakt Calvijn weer een teer punt, zeer omstreden in zijn dagen, aan. De mensen van de „symbolische" Avondmaalsopvatting, zoals Zwingli en de Dopers, die hij hier op 't oog heeft, zien in 't H. Avondmaal enkel een figuurlijke afbeeling van 't in 't verleden geschiede, waaraan geloof en gelovige weer eens worden heriimerd. Er gaat dus enkel zekere opwekkende kracht van uit.
Met Rome en Luther is Calvijn niet eenstemmig, maar houdt wel met hen staande, dat er in het Heilig Avondmaal ook nu iets gebeurt, dat er versterkende, verzegelende kracht van uitgaat. Daaruit blijkt hoe slecht de Lutheranen deze Calvijn begrepen hebben, als ze hem ook voor een „Zwingliaan" hielden, wat hij zeer bepaald niet was. Hoor maar: Daar de Heere Jezus Christus de Waarheid is, moeten we niet twijfelen of de beloften, die Hij aan het Heilig Avondmaal doet, worden ook vervuld, en dat wat Hij er ons in afbeeldt, ook wordt waargemaakt (vervuld). Dus omdat Hij het belooft en aanbiedt, twijfel ik er geen ogenblik aan, dat Hij ons deelgenoot maakt aan Zijn eigen wezen, om ons met Zichzelf tot één leven te verenigen,.
Die uitdrukking, dat Christus ons deelgenoot maakt aan Zijn eigen wezen, heeft nog al eens misverstand gewekt. De „Libertijnen" vatten dit pantheïstisch op: door Christus worden wij de goddelijke natuur deelachtig, worden we vergoddelijkt. Dat moet Calvijn uiteraard krachtig ontkennen: Christus' wezen is hem hier niet Zijn Godheid, maar Zijn zondeloos-mèns zijn. Zo worden wij herboren, her-schapen, tot een voor God nieuw bestaan gebracht. Ook zo is de uitdrukking nog moeilijk; immers de wedergeboorte, althans van wat ervan naar buiten komt, is ten dele. Het die „goddelijke natuur", door Christus deelachtig zijn sluit geen zondeloosheid in. Wel in de toerekening, niet in ons bestaan als zodanig. We stellen het daarom liever zo, dat geloof en sacrament ons in Christus inlijven, inplanten, zo, dat Hij onze schuld overneemt en wij in Zijn gerechtigheid delen. Het gaat dus om een religieuze, niet om een „fysische" werkelijkheid.
De Heilige Geest in het Sacrament.
Daarbij komt een nieuwe moeilijkheid op. Calvijn ontkent, dat Jezus' lichaam na Zijn Hemelvaart alomtegenwoordig is geworden en zo „werkelijk" in het Heilig Avondmaal tegenwoordig is. Hij zegt, dat vlees vlees blijft, d.w.z. dat Christus, naar Zijn mens-zijn — na de Hemelvaart — alleen in de Hemel kan zijn. Maar, zo vragen dan de Lutheranen: Als dat zo is, hoe kunnen we dan aan het Heilig Avondmaal met Christus' lichaam verenigd worden? Zo is de vraag bedoeld: Maar hoe kan dat gebeuren, waar het lichaam van de Heere Jezus in de Hemel is en wij onderweg zijn in de aardse pelgrimsreis? Dat lost Calvijn op door wat we het typisch Calvijnse in de Avondmaalsleer kunnen noemen: Dat gebeurt door de onbegrijpelijke kracht van Christus' Geest, die weet te verbinden dingen, die ruimtelijk gescheiden zijn. Calvijn zal het elders zo zeggen: De Heilige Geest brengt (door de geloofsoefening), de kracht van het wezen van de Heere Jezus Christus in ons over. Hij blijft naar Zijn mens-zijn in de Hemel; wij zijn op deze aarde, maar door Zijn Heilige Geest is Hij met ons, alle dagen, bijzonder in de viering van het Heilig Avondmaal.
Dat heeft de mensen van de sacramentstheologie vermoedelijk zo aangesproken. Maar dan moeten zij en wij er aan toevoegen, dat, wat in het Sacrament, dus nu en dan gebeurt, gedurig aan de orde is in de oefening van geloof en gebed. Het Sacrament is daarom bepaald niet de meerdere van het Evangelie.
Teken en zaak.
Dan spreekt Calvijn nog even over wat we al eens aanroerden: Je bedoelt dus toch niet, dat het lichaam van Christus besloten ligt in het brood of het bloed in de kelk?
Na het vorige antwoord verstaan we, dat deze (roomse en lutherse) opvatting voor Calvijn veel te ongeestelijk is. Hij antwoordt daarom: Neen. Maar integendeel, om het werkelijke van het Sacrament te ontvangen, moeten we onze harten ten Hemel opheffen, waar Jezus Christus is in de heerlijkheid van Zijn Vader, en vanwaar wij Hem verwachten tot onze (volkomen) verlossing, zodat we Hem niet moeten zoeken in deze vergankelijke elementen (brood, wijn).
Het is moeilijk Calvijn volkomen zuiver te verstaan. Hij heeft een geestelijke Avondmaalsleer, maar moet niets hebben van de vergeestelijkte leer van Zwingli en de Dopers. Hij wil de tekenen van brood en wijn, van Christus' vlees en bloed tot geen prijs kwijtraken. Maar hij bedoelt: de Heilige Geest slaat de brug tussen Christus in de Hemel en ons op de aarde. Die neemt het uit wat van Christus is en maakt het ons waarheid. Ook hier merken we weer op welk een diepe, eerbiedige en reëele wijze Calvijn theoloog van de Heihge Geest is, en, in verband daarmee: trinitarisch theoloog is, die Vader, Zoon en Geest geestelijk eert, hen toch het eigene, dat zij hebben, latende.
Het Heilig Avondmaal pand onzer opstanding
Zo is de conclusie: Dus je ziet het zo, dat er in het Sacrament twee dingen zijn: het stoffelijke brood en de wijn, die wij met het oog zien, met de hand aanraken en die wij met onze mond proeven en Jezus Christus, door Wie onze zielen innerlijk worden gevoed?
De zaak is zo helder en eerbiedig voorgesteld. De leerling beaamt het: Ja, maar dan zo, dat we er ook het getuigenis in hebben en als het ware een pand van de opstanding van ons lichaam, wanneer wij deelgenoot zijn geworden aan dit teken van het leven.
We lieten in het vorige antwoord even rusten die woorden: Christus is in de hemel, vanwaar wij onze (volkomen) verlossing verwachten. Dat betekent niet dat de verlossing hier voor Calvijn eigenlijk maar ten deele zou zijn. Hij bedoelt wèl, dat het toch nog wacht op de opstanding van het lichaam, op de wederkomst van Christus, waarmee hoop en verwachting zijn afgedaan en het aanschouwen aanbreekt.
Daaraan denkt hij ook in dit laatste antwoord. Wat heeft Calvijn geleefd uit de verwachting van de opstanding van een door de zonde ontluisterd lichaam ! Wat leeft dit onder ons schrikbarend weinig ! We vragen weer: Zou dat ook weer niet daarmee samenhangen, dat wij ons het H. Avondmaal zo hebben laten ontfutselen ? Want voor Calvijn is het H. Avondmaal, dat ons met de opgestane Christus verbindt, naar de kant van zijn echte, volle mens-zijn, het pand en zegel van onze opstanding met en om Christus. De hoop der opstanding verflauwt en verdwijnt, waar het pand en zegel ervan veracht wordt, met welke redenering dan ook.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's