De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Vanwaar dat verschil?  2

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vanwaar dat verschil? 2

7 minuten leestijd

II.

En de anderen dan ?

En dan de anderen, in wier midden, aldus weer onze briefschrijver, zoveel opgewekter geloofsleven wordt gevonden. Daarbij vergeleken, ziet het er dan bij ons in de kerk wel heel schraal uit. Maar waar ligt dan de oorzaak, als wij de schuld niet kunnen geven aan die belijdenisgeschriften en aan het handhaven daarvan ?

Laten we beginnen met er op te wijzen, dat de dingen in de groepering of in de vriendenkring altijd heel anders liggen dan in de kerk. Wij worden in de kerk geboren, krachtens de beschikking Gods. Naar Zijn voorzienig bestel heeft Hij ons in de kerk geplaatst; ons, die dit lezen, in de Hervormde Kerk. Daar zit van ons geen persoonlijke keuze achter. Eerst later worden wij ons bewust, dat wij tot een kerk behoren, en tot welke kerk. Dan komt ook de meer bewuste keuze aan de orde. Wensen wij tot deze kerk te blijven behoren ?

Met de genoemde stromingen ligt dat anders.

Daar treedt men toe door vrije keuze. Omdat men zich gegrepen, aangesproken weet door de methode van werken, door de prediking, door de gemeenschap in zo'n bepaalde kring. Omdat men in de prediking of in de gemeenschap van de kerk iets mist. Of om welke reden ook. Maar dat sluit in, dat men meteen a. h. w. een actief medewerker wordt, die zich gééft aan de zaak, waarvoor men zeer bewust gekozen heeft. Al van te voren is het enthousiasme, is de activiteit in deze kringen en groeperingen dus al veel groter.

Dan zou de vraag nog gesteld kunnen worden, in hoeverre het psychische type van de „groepsman" afwijkt van dat van de „man uit de kerk". Vinden wij misschien bij de eerste sterker het actieve en de primaire functie ; het meer spontaan reageren dus, en het meer onbevangen uitkomen voor wat er in het hart leeft ? Is het „kerktype" misschien meer conservatief en statisch, meer geneigd tot het compromis ook, terwijl het „groepstype" een sterk dynamische trek vertoont en intensiever leeft en behjdt ? Blijft het geloofsleven. Dat is een leven, waarvan veel uitgaat. Vandaar weer de briefschrijver: wat ziet het er dan bij ons, in de kerk, toch somber uit. Somber en mager. Ja, heeft Calvijn daar óók al niet eens iets van gezegd, in deze zin, dat er maar weinigen gevonden worden die werkelijk de Heere vrezen ?

Wat dit betreft, is dan dus niet zoveel veranderd. Maar toch willen wij niet vergeten, dat veel vreze Gods kan verborgen liggen onder de as : de vonken en de gloed zijn er wel, maar het vuur en het licht ontbreken. Een mens wordt wel eens geslingerd; verontrust tot op de bodem van zijn bestaan: zou het ook wel voor mij zijn ? Daar kan een stuk ongeloof achter zitten. Daar kan óók achter schuilgaan een diepe afhankelijkheid van Hem, die door Zijn Woord toch het leven moet wekken en het geloof schenken; van Wie dat geloof een gave is. Soms zal de oorzaak zijn een te geringe waardering van het verbond. In het persoonlijke leven kunnen ook onbeleden zonden zijn. Wanneer twee mensen zeggen : ik kan mij niets toeëigenen, dan kan dat van de één een uiting zijn van onbekeerlijkheid ; een uitvlucht; maar van de ander een roep in vertwijfeling tot Hem en om Hem, bij Wie uitkomsten zijn zelfs tegen de dood. Menigeen is terechtgekomen op een dood punt. Hij komt niet verder. Hij leeft in een impasse. Naar ik meen, is dit één van de meest opvallende kenmerken van de meergenoemde stromingen en groeperingen, dat bij hen deze impasse doorbroken is. Men vindt bij het Leger des Heils, om alleen dit te noemen, geen of nagenoeg geen „twijfelmoedige", „bekommerde" christenen. Dat kan een onmetelijke winst zijn. Anderzijds kan het een hoogst bedenkelijke verarming en verschraling betekenen. Wanneer ik deze dingen schrijf, dan wil ik ze aan de orde stellen in de grootst mogelijke eerlijkheid en in liefde. Het gaat hier immers maar niet over theoretische aangelegenheden, maar over de levensinhoud van mensen. In de diepste zin is God alleen bij machte, de impasse, waarin wij gekomen zijn, te doorbreken. Hier geldt het woord : een mens kan geen ding aannemen, zo het hem uit de hemel niet gegeven zij. (Joh. 3 vs. 27).

In de eerste plaats moeten wij weten, zegt Calvijn, dat al wat Christus tot zaligheid van het menselijk geslacht geleden en gedaan heeft, voor ons zonder nut en van geen gewicht is, zolang Christus buiten ons is en wij van Hem gescheiden zijn. Dus moet Hij, om ons te kunnen meedelen wat Hij van de Vader ontvangen heeft, de onze worden en in ons wonen. (Inst. III I 1). i

Dat woordje „moet" uit de laatste zin is vaak verkeerd gebruikt en toch dient het te blijven staan. Dat roept een grote spanning op, want wij blijven verantwoordelijk. Diep ontdekkend is dienaangaande wat Calvijn in latere passages van zijn Institutie opmerkt (III II 10, 11) over het geloof, dat geen waarachtig geloof is, maar een schaduw ervan. Dan komt de vraag op, of bij meergenoemde stromingen en groeperingen de dingen wel eens niet teveel geforceerd worden, zodat er a.h.w. een gewelddadige opstuwing komt tot de roem in Christus, terwijl ontbreekt de waarachtige verbrokenheid vanwege de zonde.

Naar ik meen, is dit de ernstigste critiek, die hier ingebracht kan worden. Want waar die verbrokenheid niet is, komt ook het werk van Christus niet tot zijn recht. Daar immers wordt de Christus verheerlijkt, waar een mens met zijn schuldige, verloren leven voor het aangezicht Gods staat. Neem bijvoorbeeld het Leger des Heils. Voor het maatschappelijke werk van het Leger zullen we diep respect hebben. En toch: wat zou de prediking van deze mensen indringender zijn, machtiger ook, wanneer zij minder methodistisch te werk zouden gaan, de bekering naar één schema zouden opgeven, en wanneer zij ontdekkend tot de grond toe de Heere Christus zouden verkondigen. Dan zou in de prediking ruimte geschapen worden voor de Heilige Geest. Misschien zou de roemtaal dan wat gedempt worden, wat getemperd, maar ze zou aan diepte vdnnen. Men versta mij goed: geenszins wensen wij het sombere gezicht aan te prijzen, en de twijfel te verheffen als de meest zuivere en onbedriegelijke openbaring van waarachtig geestelijk leven. Maar het leven des geloofs is een leven in de strijd, niet het minst tegen het eigen „ik", dat sterven moet en niet sterven wil. Dit juist geeft de diepe klank aan de Psalmen en bijvoorbeeld aan Paulus' brieven. Ik kan mij niet onttrekken aan de vrees, dat in de meergenoemde kringen en groeperingen de neiging bestaat, te anticiperen, vooruit te grijpen op wat nog niet is en nog niet kan zijn : op het in volmaaktheid dienen en liefhebben van de Heere ; op de volkomenheid van aanbidding. Zo zal het zijn in de komende eeuw. Maar wanneer wij in deze bedeling de Heere vrezen en liefhebben, dan is dat altijd in de gebrokenheid van ons bestaan, met de zonde als vreselijke macht nog in ons. U voelt, hoe wij hier gaan over het scherp van een scheermes. Niet de valse lijdelijkheid enerzijds van „de Heere moet het toch maar doen" ; niet de doperse tendens van „de Geest is alles en het Woord is als zodanig niets" ; maar evenmin de ongegronde opgewektheid anderzijds als n 't bekende Gezang: „Verlosser, Vriend, Gij hoop en lust van die U kennen": „en nu geen zondaar meer". Blijft het geen ontzagwekkende realiteit, het hele leven dóór: uit mij geen vrucht, tot in eeuwigheid?

Dit alles neemt niet weg, dat wij ons kunnen verheugen over net leven des geloofs, zoals het in de genoemde kringen en groeperingen gevonden wordt en aan de dag treedt, en waarvan wij ons niet kunnen afmaken door de zure opmerking over een „gestolen" geloof en een „gestolen" Christus. Hetzelfde le­ven des geloofs wordt echter eveneens gevonden in het midden van de Kerken der Hervorming.

Wel zullen wij alle dingen hebben te toetsen aan het Woord onzes Gods. Dan past ons geen hoogmoed, maar terugkeer tot de God des Verbonds, Die machtig is, ook in de Nederlandse kerk het leven des geloofs opnieuw te doen opbloeien. In Hem, die gezegd heeft: Ik ben gekomen, opdat zij het leven hebben en overvloed hebben (Joh. 10 : 10).

J. Wieman.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Vanwaar dat verschil?  2

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's