Tot op deze dag 6
IK KAN HEM NIET ZIEN ZITTEN
Het is hier op aarde Babylonische spraakverwarring. Soms raakt een mens in zijn eigen woorden verward. Hij zegt wel eens : „Ik kan niet!" terwijl hij eigenlijk zeggen moest: „Ik wil niet!" Dat zou tenminste eerlijker zijn geweest.
Wij kwamen eens op huisbezoek in een gezin dat kerkelijk wel meeleefde, uitgezonderd de man en vader. Hij had sinds enige tijd het kerken gestaakt en men zag hem dus in Gods huis niet meer.
Nog niet lang hadden wij daar gezeten en er heerste intussen een gespannen stilte, toen wij maar begonnen over de zaak, waarvoor wij kwamen. „Hoe komt het toch, vroegen wij, dat wij u in de kerk niet zien? U hebt het toch ook nodig, onder Gods Woord neer te zitten. Het verheugt ons dat uw gezin wel komt en u een beschamend voorbeeld geeft. Mij dunkt: het moet u toch niet gemakkelijk vallen, iedere zondag weg te blijven".
Terstond liep de man wat rood aan in het gezicht (hij had een vrij driftig karakter).
Hij viel mij op het dak met een wedervraag en zei: „Wat is de reden, dominee, dat u bij andere mensen wel komt, bij de buren bijvoorbeeld, maar bij ons niet ? Smaakt de koffie daar soms beter dan hier ? "
Glimlachend gaf ik ten antwoord, dat de koffie hier geen rol speelde. Nu wij huis aan huis gingen sloeg ik toch ook hem niet over en gaarne wilde ik nu de eigenlijke reden eens weten, te meer waar wij toch geen woorden met elkander hadden. Of dus de oorzaak van het wegblijven bij mij lag?
Daarop gaf hij ten antwoord: „Nu dominee, u mag gerust de reden weten: Ik kan die man (hij noemde de naam) niet tegenover mij in de kerk zien zitten. Hij is onlangs tot kerkvoogd benoemd en ik acht hem daar niet geschikt voor. Wanneer ik hem daar nu zie zitten, heb ik toch niets aan de preek en dus is het beter dat ik dan maar uit de kerk wegblijf, dan heb ik daar ook geen last van."
Intussen vernam ik later van anderen wel, wat de eigenlijke reden was. De man had gehoopt, zelf tot kerkvoogd te worden benoemd. Nu echter een ander gekozen was, voelde hij zich gepasseerd. Zijn hoogmoed verkropte dat niet en in zijn ziel zat een wrok, die er met geen mensenmogelijkheid uit te krijgen was.
Meen niet dat dit alleen in dorpen voorkomt en in kleine kerken, waar men dicht in elkanders nabijheid zit. Ook in stadsgemeenten treft men dat wel eens aan, al is het dan niet in dezelfde mate. In de dorpen ziet men elkander haast dagelijks, ook op de weg. Er wordt meer gepraat over dorpse bijzonderheden. Iedereen kent daar iedereen..
In de steden worden de mensen meer in beslag genomen door het grote wereldleven. Men ziet elkander, behalve in de kerk, bijna nooit en men zou het niet eens gewaar worden, wanneer iemand uit de kerk wegbleef.
Kunt u zich zo iets voorstellen, dat een mens, in satanische wrok, een ander niet kan zien zitten in de kerk? Dat hij denkt: óf hij weg óf ik weg? Hoe bedriegt zo iemand zich zelf toch eigenlijk. Hij zegt: Ik kan hem niet zien zitten, maar het is: ik wil hem niet zien zitten, want zo is het toch.
Hij kan wel zien, maar in dit geval wil hij niet zien. Hij wil zijn vijand niet zien omdat hij hem haat.
Onwillekeurig moet ik denken: Als God Zelf mij nu ook eens niet kon zien zitten of staan in de kerk. Zo'n waardig persoon ben ik toch zeker niet voor Zijn Aangezicht.
Ach neen, in tegendeel. Misschien hebben wij daar jaren gepareerd op een ereplaats. De mensen kenden ons als dominee „die" of als ouderling of als kerkvoogd „die en die" en zij vonden dat goed zo, want volgens hen hadden wij onze plaatsen daar met ere ingenomen. Maar was dat voor Zijn Aangezicht ook zo? En niettegenstaande dit alles kan en wil de Heere ons daar nog wel zien zitten. Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn. Hij duldt ons nog in ons menselijk, vaak zo kleinzielig gedoe.
O, daar moeten wij eigenlijk iedere dag onder door, dat Hij ons daar nog zien en leren en leiden wil. Als de Heere ons in het hart grijpt, dan gaan wij er ook onder door, want wij leren ons zelf kennen. Dan begrijpen we ook, hoe die bovengenoemde man zó hard en trots kon wezen. Wij staan volkomen machteloos tegenover zulke mensen. Met onze woorden en preken bereiken wij ze niet. In dat opzicht schrijven wij ze van onze lijst dan ook af, maar vragen de Heere of Hij dat harde hart nog eens verbreken wil, opdat die hoogmoedige mens straks, in het stof verslagen, aan Zijn voeten valt en het ook mag ondervinden: „Om Christus' wil kan Ik de Heere nu weer zien zitten onder Mijn Woord". Daar zal Ik u dan weer leren om anderen weer met zachtmoedigheid en vergevend in de ogen te zien en u te verheugen, wanneer ook bij anderen Mijn zon in het water schijnt".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's