De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE Dordtse LEERREGELS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE Dordtse LEERREGELS

HOOFDSTUK III/IV Artikel 5

10 minuten leestijd

Gelijk het met dit licht der natuur toegaat, zo gaat het ook in deze toe met de Wet der Tien Geboden, van God door Mozes de Joden in het bijzonder gegeven. Want nademaal deze de grootheid der zonde wel ontdekt en de mens meer en meer van zijn schuld overtuigt, doch het herstelllingsmiddel daartegen niet aanwijst, noch enige krachten toebrengt om uit deze ellendigheid te kunnen geraken, en omdat zij alzo, door het vlees krachteloos geworden zijnde, de overtreder onder de vloek laat blijven, zo kan de mens daardoor de zaligmakende kracht niet verkrijgen.

Het is een bekende uitspraak van de catechismus dat de ellende gekend wordt uit de Wet Gods. Hoe men verder ook over de verhouding van Wet en Evangelie denke, dat staat toch wel vast, dat de Wet ons niet zalig kan maken. Het is evenmin voor tegenspraak vatbaar, dat de Wet ons de zonde doet kennen. In hoeverre het Evangelie aan deze kennis der zonde ook meehelpt kunnen we even laten rusten, maar dat uit de Wet de kennis der zonde is, zegt Rom. 3 : 20 uitdrukkelijk. De volgorde in de brief aan de Romeinen geeft evenzeer te kennen, dat deze kennis der zonde eerst is. Het is algemeen bekend verder, dat Luther en Calvijn sterk aan het eerst van de kennis der ellende hebben vastgehouden, en niet alleen zij maar alle Gereformeerde leraars, waaronder dan Kohlbrugge niet weinig uitblinkt. In de laatste tijd echter worden er scherpe pijlen gericht op dat eerst. Men wil de onverbrijzelde onontdekte, niet verootmoedigde mens in Christus doen geloven, om hem daarna de kennis der zonde te leren. Die dit doet is in elk geval geen Calvinist meer. Het staat voor Calvijn vast, dat Christus zich aan geen andere openbaart dan aan de ellendige en benauwde zondaren, dewelke zuchten, arbeiden, beladen zijn, hongeren, dorsten, en van droefheid en ellendigheid uitdrogen. Het is dus geen verstandelijke kennis der ellende alleen, doch ook een gevoel daarvan en een neergebogen en verootmoedigd zijn daardoor.

Zijn er nu in Gods Woord nog meer uitspraken behalve Rom. 3 : 20, die er de nadruk op leggen, dat de Wet de grootheid der zonde ontdekt ? Jawel, er is ook Gal. 3 : 19 : „waartoe is dan de Wet ? Zij is om der overtredingen wil daarbij gesteld, totdat het zaad zou gekomen zijn, die het beloofd was".

Wat betekent dat „om der overtredingen wil" ? De Kanttekenaar zegt: „n.l. om bekend te maken — Rom. 3:20, Rom. 5 : 20, Rom. 7 : 7 — en daarvan te overtuigen". De N. V. zegt: „om de overtredingen te doen blijken is zij er bijgevoegd".

Wat wordt er bedoeld met dit: er bij gesteld ? Dat de Wet van Mozes niet tot het wezen van het genadeverbond behoort en er niet de grondslag van is. Heeft de Wet van Mozes alleen maar de zonde als zonde uit doen komen? Neen, zij heeft ook de zonde verhinderd in vele gevallen. Maar de apostel spreekt hier niet van alle doeleinden, waartoe de Wet gediend heeft. Het is hem te doen om dit ene doel, dat de Wet de zonde stempelde tot een opzettelijke welbewuste overtreding. Menig mens leeft eerst zonder Wet. Hij heeft er geen erg in, dat de Wet dit of dat gebiedt of verbiedt. De zonde is voor hem geen bewuste opzettelijke overtreding. Dit gaat voort totdat de Wet in zijn hoofd en hart komt. Dan wordt hij zich bewust, dat hij moedwillig tegen de Wet ingaat. Zo maakte de geopenbaarde Wet voor Israël de zonden tot opzettelijke bewuste overtredingen. Calvijn nu verklaart Gal. 3 : 19 zo, dat de Wet gegeven is om de zonden tot het bewustzijn te brengen en de mensen te doen weten, dat zij overtreders zijn. Dit is ongetwijfeld de grondbedoeling Gods. Greydanus e.a. willen dit zo omschrijven, dat door de Wet, die er bij kwam, de zonden nu als zodanig duidelijker aangewezen werden, doordat zij het karakter van overtredingen, welbewuste, opzettelijke wetsverbrekingen, moesten aannemen, en ook als zodanig bekend en erkend worden en in aantal toenemen. Dit laatste zal dan wel moeten betekenen, dat tegenover de Wet uit moest komen, wie Israël was. Inderdaad kan misschien iedere ontdekte bij zichzelf gewaar worden, dat hij juist door de Wet geprikkeld wordt om neen te zeggen tegen Gods gebod. Zo heeft God de Wet gebruikt om vele overtredingen te bedwingen. Doch dit niet alleen. Ook om de aard van Israël aan het licht te brengen en hen te tonen, dat zij verdoemelijk voor God waren. In de Wet zelf ligt het echter niet, dat wij alles zouden gaan verwachten van Gods genade. De Wet weet niet van genade. De Wet is een man met een stok, die dood slaat en niet de minste hoop op leven overlaat. Die hoop op leven moet ergens anders vandaan komen. Heeft de Wet dan geen voorbereidende functie ? Mij dunkt van wel. Calvijn noemt in dit verband de Wet een spiegel in dewelke wij onze onmacht en daaruit onze ongerechtigheid en uit die twee onze vervloeking bemerken. Aan welke zondaars doet de Wet de zonde kennen ? Dit werk doet de Wet aan de zondaars, die nog niet zijn weder- . geboren. Dus niet aan de gelovigen, maar aan degenen, die midden in de wereld leven. De Wet bereidt dus de mens voor, doch niet door hem enige positieve goede dingen te geven. De voorbereiding bestaat alleen hierin, dat de mens grondig leert, dat hij een verloren zondaar is. Deze voorbereiding is niet de voorbereidende klas voor een H.B.S., maar een soort negatieve voorbereiding. Als iemand beslist niet uit zijn zaak wil en hij slaat failliet en hij begint honger te lijden, dan is dit bankroet slaan een voorbereiding om wel uit zijn zaak te willen, doch geen positieve en geen prettige. Dit faillissement brengt ook zelf niet tot een nieuwe werkkring. Op deze wijze moeten we ook Gal. 3 : 24 verstaan: „Zo dan, de Wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden".

Ik vind het best als b.v. H. N. Ridderbos hier opmerkt, dat het niet om een positieve voorbereiding gaat. Maar dat moet men dan toch ook wel weer voorzichtig zeggen. Wat is de functie van de tuchtmeester ? Men zegt: „de tuchtmeester was een oppasser, die de onvolwassen knaap in bedwang hield en zijn functie ligt niet in een positieve opleiding, maar in een doen ontberen van de vrijheid". M.i. was de functie van de tuchtmeester uitgebreider. Hij strafte en sloeg op z'n tijd ook. Maar in elk geval kunnen wij het hier over eens zijn, dat de tuchtmeester geen voorbereidende lessen gaf voor het onderwijs, b.v. al leerde hij de knaap wel, hoe hij zich behoorde te gedragen. Zo geeft ook de Wet geen positief onderwijs over Christus of het Evangelie. De Wet werkt niets dan nood en besef van machteloosheid, verlorenheid, schuld, onwaardigheid en al deze dingen meer. De Wet spreekt niet van Christus. En toch kan ik niet zo maar de verklaring verwerpen, dat het gaat om een opleiding tot Christus. Ik kan het volkomen eens zijn met Calvijn als hij schrijft (Inst. II, 7, 11): „Dus brengt de Wet hen door het leren kennen van hun eigen ellende tot nederigheid, opdat zij daardoor voorbereid worden om te begeren, wat zij reeds te voren meenden te bezitten". Met dit laatste is de gerechtigheid bedoeld. Inderdaad nu worden de uitverkorenen door de Wet voorbereid om te begeren. Hoe dan ? De Wet doet niets dan doden. Alle hoop, alle moed, alle waardigheid, alle verwachting van eigen werk, alle eigengerechtigheid doodt zij. Wat blijft er dan over ? Een diep, diep ellendig mens. Wat gaat deze ellendige doen ? Deze ellendige roept en de Heere hoort hem. De Wet heeft hem niet leren roepen. Nochtans heeft de Wet hem voorbereid, door hem uiterst ellendig te maken, om als een arme en nooddruftige genade te begeren van God. Zo is er wel degelijk een positieve voorbereiding. Nu zegt men tegenwoordig wel, dat de Wet alleen maar tot functie heeft om de zonde te doen toenemen. Men legt dan Gal. 3 : 20 om der overtredingen wil zo uit, dat het alleen maar gaat om de zonde te doen uitkomen. Ik heb groot bezwaar tegen de stelling, dat God niet anders beoogde, dan de zonde groter en zwaarder en in getal te maken. Juist dit doen uitkomen van de zonde moest dienen om de mens te vernederen en men mag Rom. 3 : 20 niet vergeten : door de Wet is de kennis der zonde. Dat het hier om de kennis der zonde gaat blijkt ook uit Rom. 3 : 19: „opdat alle mond gestopt wor­de". De mond van de zondaar wordt toch alleen gestopt, als hij zijn zonde kent. Daar zijn veel mensen, die veel zonden hebben. Hun mond is echter niet gestopt, omdat zij hun zonden niet kennen noch erkennen. Zo heeft de Apostel Paulus het ook ondervonden in zijn leven. Hij heeft door de Wet zijn zonde leren kennen: „Ik kende de zonde niet dan door de Wet; want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de Wet niet zeide : Gij zult niet begeren". Paulus leefde eertijds zonder de Wet, hoewel hij meende voor de Wet volkomen rechtvaardig te zijn. Hij voelde zich toen onberispelijk. Daar zijn heden duizenden gelovigen, die er precies eender aan toe zijn als Paulus. Zij zijn er vast van overtuigd, dat zij rechtvaardig zijn en gelovig. Maar nooit is de Wet in hun leven ingekomen en nooit zijn zij onder het gericht van Gods Wet doorgegaan. Zij bedriegen zich zelf voor een eeuwigheid. Maar als bij een van hen, wat nog wel eens gebeurt, zoals het met Paulus gebeurde, de Wet inkomt, verliezen zij hun gewaande gerechtigheid en hun leven. Is het nu zo, dat de Wet zonder meer ons de kennis der zonde schenkt. Neen, duizenden joden en heidenen vonden er het leven in. Het is door Gods Geest alleen, dat een mens door de Wet tot kennis der zonde komt. Dat is een machtig gebeuren in de ziel, het is een openbaring. God openbaart eerst de Wet van Mozes en dan openbaart Hij Christus. Ja maar, zegt men, in Zondag 2 is de gelovige aan het woord. Zeker, maar om te vertellen hoe de weg der genade geweest is naar zijn hart. God heeft hem eerst geleerd, wie hij was in de spiegel der Wet. Paulus kende de Wet door en door. Maar zij ontroerde hem niet door het ernstig oordeel des Heeren.

Ridderbos schrijft, dat de Apostel spreekt over zijn kinderjaren. Dan zou het iets zijn, dat met ieder mens gebeurt. Het is toch wel algemeen bekend, dat de Wet Gods slechts sommigen tot zondaar voor God maakt op zulk een wijze dat zij verslagen en verbroken neerliggen en aan zichzelf en elke verdere poging om door de Wet zalig te worden, sterven. Slechts enkelen leggen hun hoofd noodgedwongen op het blok. Dit is geen algemene waarheid. De meeste mensen, ook al is hun geweten niet altijd even rustig, kunnen zich uitstekend in leven houden met hun goede werken en hun godsdienst en hun vroomheid. Maar Paulus stierf. En toen kwam Christus in hem te leven. Dit is het bijzondere, dat Gods kinderen ten deel valt. Zij belijden dan ook ten volle met artikel 5 en dat belijden zij uit ervaring ; want zij hebben genoeg hun best gedaan om het leven in de Wet te vinden, dat de Wet alleen maar de grootheid der zonde ontdekt.

Het is wel juist als prof. Ridderbos opmerkt bij Rom. 5 : 20, dat de Wet Gods niet gegeven is met het opzettelijke doel om de zonde te laten toenemen. „Doch de zonde moest in haar volle betekenis en kracht aan het hcht treden om alle illusie weg te nemen, als zou zij op een andere wijze zijn te overwinnen dan door de macht van Gods genade en door de gehoorzaamheid van Christus".

Terecht zegt hij ook : „Al bestaat dus de functie der Wet in het aan het licht brengen van de zonde, zij vindt daarin toch niet haar einddoel. Zij staat, ook in deze betekenis, in dienst van de in Christus verschenen genade, n.l. om de overvloed en overmacht daarvan te meer te doen uitkomen".

Het staat zeer vast: Door de Wet is de kennis der zonde. En zij is eerst.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE Dordtse LEERREGELS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's