Een geboren Kind, een gegeven Zoon
Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven. Jesaja 9 : 5.
„Een kind is ons geboren!" Dat is de jubelkreet van een blijde vader en moeder, als hun schreiend kind het levenslicht aanschouwt. Welk een onbegrijpelijk wonder van Gods scheppende almacht! bezongen in Psalm 139. Welk een moederweelde, waarbij in één ogenblik al de smart vergeten wordt om de blijdschap, dat een kind ter wereld gekomen is. Deze moederweelde wordt niet meer zo begeerd als onder Israël, waar kinderloosheid als een smaad en straf des Heeren werd beschouwd.
„Een zoon is ons gegeven!" Deze uitroep deed onder Israël de vreugde nog meer stijgen, want 't kon de Messias, de Verlosser, zijn, reeds aan Adam en Eva beloofd en eeuwenlang verwacht.
Wonderlijk was de geboorte van Izak en Johannes de Doper uit een verstorven moeder, doch Jesaja beschrijft het grootste wonder van de geboorte van Gods Zoon, de Christus, namelijk uit een maagd en ontvangen van God de Vader door de Heilige Geest.
„Ziet een maagd zal zwanger worden en zij zal een Zoon baren en Zijn naam IMMANUEL heten" (Jes. 7 : 14).
Hij had in de hemel geen moeder en op aarde geen vader. God en mens in enigheid des Persoons. Deze verborgenheid is groot: God geopenbaard in het vlees.
Een geboren Kind en een gegeven Zoon. De Middelaar moet als een kind geboren worden, omdat hij in zonden ontvangen en geboren zijn en Hij ons van onze erfzonde, - smet en - schuld moest verlossen. Daarom moest Hij ook als een rein zondeloos kind geboren worden en dat kon niet op natuurlijke-, doch alleen op bovennatuurlijke wijze. Zo zeide de engel tot Maria: „De Heilige Geest zal over u komen en het Heilige, dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden".
Hij is een gegeven Zoon. Zo ziet Jesaja Hem daar in de geest liggen in de kribbe: Een Zoon is ons gegeven. Zo getuigt ook Christus van Zichzelf in Joh. 3 : 16: „Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft". Zonder de gave van de Zoon kon het Kind ons niet baten, en zonder het Kind kon de Zoon ons niet redden. De gegeven Zoon des Vaders nam onze menselijke natuur aan, opdat Hij de gegevenen des Vaders weer tot God zou brengen.
Als Zoon draagt Hij het beeld des Vaders, als geboren Kind draagt Hij het beeld van de drieënige God in de menselijke natuur. Zulk een Middelaar betaamt ons.
Als Kind geboren, als Zoon „gegeven", van eeuwigheid „gegenereerd" door de Vader (Psalm 2). Bij Zijn doop klinkt de stem Zijns Vaders uit de geopende hemel: „Deze is Mijn geliefde Zoon, in Dewelke Ik Mijn welbehagen heb".
Wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon gezonden in de wereld, geworden uit een vrouw (Gal. 4:4). In Hem schittert weer het beeld Gods, in Adam vernield. Wat heeft toch de Vader bewogen, om zulk een weg der zaligheid uit te denken, waarin Zijn deugden zo vlekkeloos en ongeschonden ten toon worden gespreid. Hij had ons niet nodig. Hij was de Volzalige in Zichzelf. Hij had aan Zijn Zoon genoeg. Het is dan ook een daad van Zijn vrijwillige zondaarsliefde, dat Hij zonder Zijn volk niet zalig heeft willen zijn. Als ik dit wonder vatten wil, staat mijn verstand vol eerbied stil.
Hoe was Zijn vermaak reeds van eeuwigheid met de mensen kinderen! Welk een vernedering! Gods Zoon in een pas geboren kind, dat nog zo hulpeloos aan de borst van de moeder ligt. Deze Zoon is door God de Vader gegeven, al in de stilte der eeuwigheid; gegeven in de volheid des tijds in de kribbe, maar ook aan het kruis, toen Hij het uitkermde: „Mijn God! Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten? " Gegeven tot verzoening door voldoening aan Zijn heilig recht. Gegeven, toen Hij uitriep: „Het is volbracht!" Toen Hij lag in het graf; toen Hij opstond uit de doden; toen Hij ten hemel voer. Gegeven, ook nu Hij gezeten is aan des Vaders rechterhand, tot een Voorspraak en Koning, Die het zaligst lot ver boven alle goón kan schenken. Gegeven, ook als Hij wederkomt om te oordelen de levenden en de doden.
De Vader hield Hem niet voor Zichzelf. Hij heeft Zijn eigen Zoon niet gespaard. Hij gaf Hem aan de Zijnen, en toch bleef Hij de Zijne. Werd Hij ook al de uwe en de mijne? Dan zullen we toch eerst moeten erkennen en belijden, dat wij niet waardig zijn een zoon genaamd te worden, dat wij de dood verdiend hebben, zoals Paulus zegt: „De bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegifte Gods is het eeuwige leven door Jezus Christus onze Heere". Hebt ge Zijn verschijning ook al lief gekregen? O, als ge Hem op de kerstdagen moogt aanschouwen en omhelzen door het geloof, dan zult ge toch moeten bekennen: „Deze is mij beter dan zeven zonen!" Kent ge de Gave Gods al in dat Kind? Dan zult ge uitroepen: „Gods zij dank voor Zijn onuitsprekelijke Gave!"
Misschien hebt ge wel eens iets van Hem gezien, maar kunt ge nog niet zeggen: Hij is de mijne en ik de Zijne. Gelukkig de mens, die de gegeven Zoon in het geboren Kind met Simeon aan het hart kan drukken.
Als het Gode behaagd heeft Zijn Zoon in ons te openbaren. Welk een zalige toegang is er dan ook door Hem tot de Vader. Dan kunnen we 't Paulus nazeggen: Ik leef, maar niet meer ik, Christus leeft in mij. In Hem herschapen en vernieuwd tot goede werken.
Een Zoon is ons gegeven tot wijsheid, rechtvaardigmaking, heiligmaking en volkomen verlossing.
Meer kon de Vader niet geven, want daarmee gaf Hij alles, wat Hij had, ja Zichzelf.
Hoort ge deze dagen het Kerstevangelie van de engel: Ziet, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal, namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker. Dat ge dan daarop moge antwoorden: Want een Kind is óns geboren, een Zoon is óns gegeven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's