De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 58

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 58

Zondag 54

11 minuten leestijd

Het Heilig Avondmaal: De zelfbeproeving.

Hoe moet het Heilig Avondmaal worden gebruikt ?

De practijk van het Heilig Avondmaal komt in het zicht. Ze ontbrak in het voorafgaande, meer dogmatische gedeelte niet; dat dogmatische, bezinnende ontbreekt ook in het practische gedeelte niet. Calvijn is de man van het geheel.

Op de vraag naar de rechte wijze van avondmaal-vieren antwoordt hij: (Het moet geschieden) zoals Paulus het stelt. Dat wil zeggen, dat de mens zich beproeve, aleer toe te treden. (1 Corinthe 11 : 20).

Dit antwoord wordt haast door ieder beaamd. De „symbolisten" stellen immers ook het geloof als voorwaarde voor de avondmaalsviering ; het is een Rooms Katholiek niet geraden ter communie te gaan als hij niet „in de staat der genade" verkeert.

Zelfbeproeving: waarop ?

Het wordt minder eenvoudig, wanneer de vraag volgt: Waarin moet de mens zich beproeven ? Het antwoord, dat Calvijn geeft luidt: Wel, of hij een echt lidmaat van Christus is. We merken op, dat Calvijn hier meteen al laat blijken, wat voor geloof hij bedoelt, als hij het Heilig Avondmaal een geloofsversterking noemt. Het is geen overtuiging, geen dogmatische orthodoxie, maar: een echt lidmaat van Christus zijn. Het praktische en levende karakter van het geloof treedt zo krachtig naar voren.

Zelfbeproeving: hoe ?

Nu sprak hij van een zelfbeproeving, die tot inzet heeft: Beproef uzelf, of gij in het geloof zijt. Maar hoe moet dat gebeuren? Aan welke kenmerken zal hij dat kunnen weten? Het woord „kenmerken" valt hier. Het klinkt velen vertrouwd in de oren, anderen verdacht. In de 18e eeuw heeft men de „kenmerkenleer" zeer sterk uitgebouwd, kwam zelfs tot „kenmerken van kenmerken", wat op weinig spontaniteit in het geloof wijst. Zo denkt men dan wel eens, dat heel de gedachte van de kenmerken 18e eeuws en daarom nogal verdacht is. Onze zondag doet ons verstaan, dat daarvan geen sprake is. Reeds Calvijn weet van kenmerken; trouwens de Schrift-zelf kent ze: de boom aan de vrucht gekend; het leven in de Geest aan zijn vruchten openbaar. Calvijn antwoordt: (Hieraan): of de mens echt geloof en berouw heeft, of hij tegenover zijn naasten ware liefde betoont; of hij niet bezoedeld is door haat of wraak en twist.

We zullen van deze drie kenmerken, die in de grond één zijn, niet kunnen zeggen, dat ze splinterachtig of microscopisch zijn. Voorop staat de verhouding tot God in Christus: of we voor Zijn Wet en Evangelie buigen: of ons onze zonde van harte leed is en zo de Heere Jezus Christus ons eigen werd. Daar meteen aan verbonden wordt de vraag, of wij, zeggend God lief te hebben, dus ook geen vijand van onze naaste blijken te zijn. Calvijn had een sterke voorkeur voor Johannes, zijn Evangelie en Brieven; de nadruk op de liefde is bij hem sterk. Daarin treft ons, dat, hoewel deze liefde een sterke innerlijkheid kent, laat ons zeggen: zekere mystieke gloed, ze toch niet binnen blijft, maar naar de openbaarheid streeft. Calvijn is een kerkelijk denkend man; het sociale motief, dat wij deel van een samenleving uitmaken, komt bij hem op gelukkige wijze tot uitdrukking. Zo kan hij z'n antwoord besluiten, kennelijk denkend aan dat woord van Johannes, dat, wanneer vijandschap, haat, twist in ons hart leeft tegenover naasten, die we zien, de liefde tot God, die we niet zien, bij ons onmogelijk kan leven.

Volmaakt geloof.

Deze kenmerken tot zelfbeproeving zijn diep en toch ook breed. Ze hebben een binnenkant en een buitenkant en raken zo de complete mens.

Moeten ze dus niet voldoende zijn? Dat zouden we mogen verwachten. Maar de jongen op de catechisatie heeft blijkbaar, in de preek of waar dan ook, ervan gehoord, dat het geloof hier ten dele is. Hij weet zeker ook van die eis van een volmaakt geloof, die in de Roomse Kerk opgeld doet. Dat brengt zo tot de vraag: Maar is het vereist, dat we volmaakt geloof en volmaakte liefde hebben?

We zouden verwachten, wanneer Calvijn zo „wettisch" zou zijn, als men hem vaak voorstelt, dat hij zou antwoorden: Ja natuurlijk! Daar mag geen tittel of jota af. Elke wettisch-ingestelde heeft een wettisch geloofsbegrip; van de andere kant hebben perfectionistisch ingestelde mensen, met groot enthousiasme, de neiging, om dat volkomen geloof als onmisbaar en bereikbaar te zien. Maar Calvijn vergeet niet, dat de schat des geloofs wordt omvat door een broos en breekbaar vat. Dat dragen wij in deze bedeling niet: volmaakt zijn. De gehoorzaamheid is ten dele, al is ze echt; de liefde komt niet zo hoog en zo ver, als ze mocht wensen, al komt ze toch hoog en ver; het geloof blijft zo ten dele. Calvijn mag graag het beeld gebruiken, dat, wie een volmaakt mens wil, een toren van water wil bouwen.

Zo begrijpen we wel, hoe hij antwoordt. Hij onderscheidt tussen volmaakt en echt, juist zoals dat ook bij de vraag naar de kerk gebeurt. Een volmaakte gelovige en volmaakte kerk kent hij hier niet; toch wél ware gelovigen en een ware kerk. En die waarheid, die leeft uit de Waarheid die Christus is en uit de Geest der Waarheid, sluit juist in waar-zijn tegenover onszelf, ons niet overschatten, maar weten: Christenen zijn wèl volmaakt. Maar: in Hem, Christus. Als ze zelf volmaakt willen zijn, verloochenen ze Hem. Want het is het bijzondere in een christen, dat hij de Drieëne God nodig krijgt en nodig houdt en in Christus Zijn Kind mag zijn en bij Hem mag wonen, zo, dat Christus „de overblijvende zwakheid" bedekt.

Volmaakt geloof en echt geloof.

Calvijn antwoordt: Het is wel nodig dat beide (geloof en liefde), oprecht en ongeveinsd zijn. Maar zo volmaakt zijn, dat er niets op te zeggen valt, komt onder de mensen niet voor. Maar het Avondmaal zou dan ook vergeefs zijn ingesteld, als niemand het zou kunnen ontvangen, tenzij hij geheel en al volmaakt was.

We zouden kunnen zeggen: Het komt bij het geloof meer aan op de kwaliteit dan op de quantiteit. Het vele kan het echte niet uitmaken; maar daarom rekent God in Zijn barmhartigheid het echte ook voor veel en voor genoeg. Heilig nuchter en zelfs ietwat ironisch merkt Calvijn nog op, dat het Heilig Avondmaal vergeefs zou zijn ingesteld, wanneer het alleen met (niet-bestaande) volmaakten rekent. Maar de Heere doet niets zo, dat het Hem berouwt. Hij zag en ziet op die diep en breed onvolmaakten, die eenvoudige, levende christenen zijn, zo, dat ze niet van hun volmaaktheid durven dromen, maar hun volmaaktheid in Gods ogen alleen in Christus weten te hebben.

Onvolmaakt, toch en juist ten Avondmaal.

Zo komt als volgende vraag: Dus de onvolkomenheid verhindert ons niet, om toe te gaan? Het antwoord kan nu alleen maar zijn: Integendeel, het H. Avondmaal zou ons tot niets dienen, wanneer we niet onvolmaakt waren, want het is een steun en troost in onze zwakheid.

We denken hier aan de woorden van de Heere Christus, dat niet gezonden, maar zieken de dokter nodig hebben. Een christen ontleent niet alleen zijn naam, maar ook zijn bestaan en voortbestaan aan de Heere Christus. Niemand is volmaakt, aan Hem gemeten; toch „volmaakt" te willen zijn, kan moeilijk anders betekenen dan Hem van boven af te willen brengen. Juist het Heilig Avondmaal doet het levend uitkomen: Zonder Mij kunt gij niets doen. Aanvankelijk niets, maar ook bij alle groei in geloof en genade niet. Het is een schrikkelijke aanblik: een bluffende zelfvoldane, zichzelf overschattende „volmaakte" christen! De échte „volmaakten" ontkronen zichzelf en verheugen zich, dat alleen op Christus de Volmaakte de kroon bloeit. Die kroon van Christus — door ons een doornenkroon — bloeit zeer rijk, juist aan het Heilig Avondmaal. „Christenen zijn sobere mensen, maar ze zijn onverzadigbaar, waar het gaat om Christus te kennen, in de kracht van Zijn opstanding. Dat tekent onze onvolmaaktheid; dat geeft aan geloof en Heilig Avondmaal rijke diepe zin.

Het andere doel.

Deze kant van de zaak laat Calvijn nu even liggen. Hij spreekt in zijn Institutie natuurlijk veel uitvoeriger over het Heilig Avondmaal en bovendien schreef hij nog een zeer lezenswaardig boekje: Korte verhandeling over het Heilig Avondmaal, dat u, in nederlandse vertaling (het oorspronkelijke is in het frans) nogal eens tegenkomt.

Hij vraagt nu nog: Hebben de twee sacramenten ook nog een ander doel? Dit blijkt inderdaad het geval te zijn: ]a zeker. Ze zijn namelijk ook tekenen en blijken van onze belijdenis. Dat wil zeggen dat we erdoor betuigen, dat wij tot het volk van God behoren en er ons christen-zijn mee belijden.

We wezen er al op, hoe bij Calvijn het „pastorale" de binnenkant van het heil grote plaats heeft, maar toch niet het „apostolaire", het staan op onze plaats in heel Gods wereld om ons heen, wegdrukt. In de vorige vraag had dat al goede nadruk; het wordt hier nog eens genoemd. Het Heilig Avondmaal vindt wel plaats binnen de kerkmuren, maar dan toch in een openbare Godsdienstoefening. Bovendien: de zondag loopt en ziet uit op de werkweek; de ramen van de kerk, haar dienst zien uit op de omliggende wereld. Calvijn bedoelt niet, parmantige christenen te kweken, die van hun hoogte uit op „de anderen" neerzien. Hij weet zich, met heel de christenheid, door Gods liefde en genade onderscheiden, verkoren, maar, om met Abraham, een zegen te zijn voor alle volken. We hebben de indruk, dat dit de grondtoon is van zijn antwoord hier: we belijden, in dankbare ootmoed, dat de Heere Christus zich zelfs onzer niet schaamde, opdat „de anderen" het weten en moed grijpen en hun hart kwijt gaan aan Hem, die er alleen de vrede van uitmaakt.

Met verdriet schrijven we neer dat daarvan, dus van onze „apostolaire opdracht" naar buiten, door onze avondmaalspraktijk, bijna niets terecht komt. Bij Calvijn wèl. Hebben we, daar aan geméten, dan wel recht, ons toch maar vrijpostig gereformeerd te noemen? We hebben daartoe Reformatie en Nadere Reformatie bitter en bitter nodig.

Christen en Avondmaal.

Nog meer komt Calvijn tot de praktijk, door de vraag te stellen: Hoe moeten we dus oordelen over iemand, die niet aan het Avondmaal wil deelnemen?

Hij antwoordt: Zo iemand zou niet voor een christen kunnen gehouden worden, want door dat te doen wil hij zich immers niet als zodanig belijden en hij verloochent als het ware stilzwijgend de Heere Jezus Christus. We hebben de lust noch de moed, aan deze klare woorden ook maar iets toe te voegen. U moet er op letten, dat Calvijn op een welsprekende wijze zijn woorden kiest: zo iemand, als die bestond, zou geen christen kunnen heten. Wist hij dan niet, dat deze „iemand" in ontelbaar aantal exemplaren bestaat? Ja, dat wist hij. Maar hij bedoelt te zeggen: Het is innerlijk onmogelijk! Zo kan het niet!

Onder ons heeft iemand, die het Heilig Avondmaal laat staan uit wat hij „geestelijke" overwegingen noemt, een goede kans, voor een bijzonder diep, ootmoedig, geestelijk christen te gelden. We bemerken dan zeker wel, dat dit alleen maar neo-gereformeerd kan heten. Calvijn weet van zoiets niet, Teellinck ook niet; pas in een matte natijd komen zulke misstanden op, die dan, o wonder en ergernis, ook nog wel bewonderaars vinden.

Gedurig Avondmaal.

Nog deze vaag: Is het voldoende, de Sacramenten maar één maal te ontvangen? Deze vraag heeft wel grond: we worden éénmaal gedoopt; waarom dan meermalen Heilig Avondmaal? De grote avondmaalsvrees, niet alleen in onze eigen kring, heeft veroorzaakt, dat 't nogal eens voorkomt, dat men éénmaal, bij zijn belijdenis (lees liever: „aanneming"), ten Avondmaal ging, maar later nooit weer. We merken hier, dat ook in deze niet van een „goede oude tijd" kan worden gesproken: Calvijn kende blijkbaar ook reeds deze praktijk.

Hij antwoordt eerst: De Doop is voor maar één keer geboden, het is niet geoorloofd, haar te herhalen. Maar zo staat het niet bij het Heilig Avondmaal. Als dat dan de wedervraag uitlokt: Om welke reden? , besluit hij: Omdat God ons door de Doop inleidt en ontvangt in Zijn kerk. Nadat Hij ons (eenmaal) ontvangen heeft, doet Hij ons door het Heilig Avondmaal verstaan, dat Hij ons voortdurend wil voeden.

De mensen, die het Heilig Avondmaal willen en kunnen missen of die het tot eenmaal beperken, blijken geen diepe geestelijke honger te kennen. Schijnbaar onderschatten ze zich zelf, maar in werkelijkheid lijden ze aan onbegrijpelijke zelfoverschatting. Want dat voortdurend Heilig Avondmaal spreekt ons van onze algehele afhankelijkheid en behoeftigheid. Tot deze mensen zegt de Heere telkens weer, ziende op de strijd van binnen en de taak naar buiten: Sta op en eet, want de weg zou voor u te lang zijn!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 58

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's