De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 59

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 59

Zondag 55

13 minuten leestijd

Besluit.

Calvijn besluit zijn bespreking van het Heilig Avondmaal en daarmee zijn hele Catechismus. In deze laatste afdeling komt de man van de kerkorde om de hoek kijken, een man intussen, die ook daarin het belijdend, geestelijk karakter der Kerk niet verloochent.

Wie bedienen de Sacramenten ?

Hij vraagt eerst: Aan wie komt het toe, zowel te dopen als het Avondmaal te bedienen? Het priesterschap naar roomse opvatting was weggevallen; het priesterschap aller gelovigen uitgeroepen ; we zouden zo niet te verwonderd kunnen zijn, wanneer Calvijn nu zei: Elk gelovige heeft het recht, de tekenen des geloofs te bedienen. Zo hebben het dan ook de „Broeders", (de Darbysten) opgevat en in het algemeen allen, die tegen ambt en ambtsdragers bezwaar maken. Daar behoort Calvijn intussen niet bij; hij antwoordt n.l.: Het komt toe aan degenen, die het openbare leerambt in de Kerk bekleden. Dus Calvijn ziet het ambt instaan tussen het oude en het nieuwe priesterschap. Uiteraard terecht: zomin elk gelovige de opdracht en de vermogens heeft om in 't ambt te staan, vooral het predikambt, zomin kan daarom ook aan elk gelovige toekomen, de sacramenten te bedienen. Dat elk op zijn plaats een getuige van Christus behoort te zijn, is een andere zaak; de prediking en verkondiging staat op een ander plan. En omdat Calvijn Woord en Sacrament immers zo dicht bij elkaar houdt, moet hij zijn antwoord wel zo vervolgen : Want het Woord prediken en de Sacramenten bedienen hoort bij elkaar.

De betekenis van het ambt.

We moeten in het oog houden, dat blijkbaar niet ieder in Calvijn's dagen dit vanzelfsprekend vond. De doperse beweging, die het ambt van de gelovige zo verheft en zo'n open oog heeft voor de gebreken der ambtsdragers; het nieuwe zelfbewustzijn, dat de mens van de Renaissance heeft verworven; de nieuwe ambities, die de „gewone man", nu leek-af geworden, koestert, hebben alle ertoe meegewerkt dat er heel wat protesten rezen tegen een nieuw priesterschap, in de vorm van de ambtsdragers. De oude strijd tussen Priesters en Levieten leeft daarin weer op : menig begaafde leek, die niet weet hoeveel teleurstelling er in het ambt te dragen is en hoeveel „theologische (geestelijke) cultuur" er toe nodig is, blijkt het slecht te kunnen zetten, dat „de dominees" alles mogen en hij niets. In de secten heeft dat streven een uitlaatklep ; hoewel ook daar nogal eens blijkt, dat niet elk echt gelovige daarom ook de „uitwendige" gaven heeft, die een publiek optreden en vooral een echte zielszorg vereisen.

Schriftbewijs.

Begrijpelijk en royaal dus, dat Calvijn deze omstreden zaak niet maar kortweg poneert, maar vraagt: Kun je daar ook een stellig bewijs van geven? Dat bewijs kan niet uit de traditie worden genomen, die althans in die vroege tijd der Reformatie zo krachtig was uitgeschakeld, maar ze kan alleen aan het Woord zijn ontleend. Dit gebeurt dan ook: Ja zeker, want onze Heere (Jezus) geeft bijzonder aan Zijn discipelen de opdracht om te dopen en te prediken. (Matth. 28 : 19). En wat het Heilig Avondmaal betreft: Hij beveelt, dat wij het zullen doen naar Zijn voorbeeld. Maar zelf had Hij het ambt van dienaar bekleed, geven om het aan de anderen te geven.

Op deze wijze weet Calvijn prachtig, van Christus uit, het ambt te funderen. We leggen even nadruk op het woord: dienaar; het ambt in Christus' Kerk mag geen nieuw pausdom worden, geen heersen van bovenaf, maar een dienst, zoals Christus deed. Als er in deze zoveel critiek op onze bazigheid leeft, doen wij goed, de hand in de boezem te steken. Maar we mogen er wel bij zeggen : De gemeente heeft er in sterke mate schuld aan, als haar dominee alles zo alléén beredderd. Want ze laadt al teveel op zijn rug, zet zo zichzelf onder voogdij en kweekt zo kleine pausjes. De dominee-ambtsdrager staat niet boven, maar naast zijn medemensen. Paulus noemt hem zo fijn : een medearbeider aan de bhjdschap van hun geloof.

Allen maar toelaten ?

Deze ene plaats uit Matth. 28 acht Calvijn voldoende. Ze lijkt ons dat ook ; hij had anders uit heel het N. Testament nog wel keus genoeg gehad. Hij vraagt nu verder: Maar moeten de predikanten als ze de Sacramenten bedienen, daarbij zonder onderscheid toelaten allen, die zich aanbieden? Een pijnlijke vraag: Als de Nieuw Testamentische gelovigen dan het „ambt der gelovigen" mogen bekleden, dus voor mondig worden verklaard, zou de consequentie moeten zijn: Dus moeten ze hun houding tegenover de Sacramenten ook zelf wel kunnen beoordelen. Hoever het intussen daar van af blijft, zal geen betoog behoeven. En de reformatorische Kerk toonde de mens, de christenmens, goed te kennen, door hem niet op eigen voeten te zetten, maar hem het ambt mee te geven, om daardoor gediend te worden en voor veel dwalen te worden bewaard. Dat ambt heeft dan ook inzake het Sacrament een dienende functie. We leggen daar nadruk op ; het zou een ramp zijn, wanneer de oude scheiding tussen priester en leek weer terugkwam in die tussen dominee en gemeente, waarbij de gemeentenaar dan helemaal passief zou worden gedacht. Bij de Sacramentsbediening zal toch niet moeten wegvallen, dat tenslotte de lidmaten op hun eigen beproeving en verantwoordelijkheid aangaan. Wij doen bij de Avondmaalstafel herderlijke- en geen politiedienst. Al ontkennen we niet, dat ook de herder leeuwen en beren zo nodig moet weten buiten gevecht te stellen, als David deed.

Doop en Avondmaal onderscheiden.

Calvijn antwoordt: Wat de Doop betreft : omdat men die tegenwoordig alleen aan de kleine kinderen bedient, is er geen reden om een onderscheid te maken. Maar ten aanzien van het Heilig Avondmaal moet de dienaar wèl toezien, het niet uit te reiken aan iemand, van wie men weet, dat hij geheel en al onwaardig is.

We komen, dit lezend, tot de conclusie, dat Calvijn schijnt te kunnen worden geteld onder de aanhangers van het : „Dopen alles wat in het doophuis komt". Maar dan vergeten we niet, dat hij de kinderdoop wel degelijk tot de kinderen der gelovigen beperkt. Waarmee al een zeer bepaalde grens is getrokken. Binnen die grens is Calvijn blijkbaar zeer voorzichtig geweest met zijn „dooptucht"; er aan gedachtig, dat de Heilige Doop de evangeliebelofte verzegelt, kon hij dat ook doen. De handelingen van het consistorie van Geneve laat ons anders weten, dat tot die „gelovige ouders", wanneer ze zich zeer ongelovig gedroegen, wel degelijk een krachtig woord werd gesproken. De latere practijk, om zolang te dopen, als de lijn van het verbond kon worden aangewezen, is aan Calvijn blijkens het bovenstaande niet vreemd, maar de vaak scrupuleuze uitwerking ervan vinden we bij hem niet.

Inzake de Doop is Calvijn dus wel beslist, maar ruim. Inzake het Heilig Avondmaal ook, al stelt hij het hier scherper. Dat kan en moet, omdat het hier over volwassenen gaat, tegenover wie een ander gedrag is geboden dan tegenover kinderen. Hier wenst hij, dat de dienaar wel toezie, het niet uit te reiken aan iemand, die een notoir onwaardige is. Naar onze smaak legt Calvijn op de predikant hier een zware, ook wat te zware last. We merken hier, dat een kerkeraad in onze zin aan Calvijn nog onbekend was ; was dat wèl het geval geweest, dan had hij deze last zeker op heel de kerkeraad gelegd, als welker mond en hand de dienaar dan fungeert. Toch drukt hij zich wijs en voorzichtig uit: niet iemand, waarvan de dominee vermoedt of weet, dat hij Christus' naam tot aanfluiting maakt, wordt geweerd, maar degeen, van wie men d.w.z. de gemeente dat weet. Dat zal in het algemeen iemand zijn geweest, die onder censuur stond en aan wie het Avondmaal ontzegd was, aangezien men in oud Geneve zulke mensen niet maar hun gang Het gaan. Beslistheid en tact gaan ook in deze hand aan hand.

Waarom tucht ?

Waarom ? Antw.: Omdat zo het Sacrament zou worden bevlekt en onteerd. Waar Calvijn immers zoveel nadruk legt op Gods waarachtigheid, die geen lege tekenen aanbiedt, moet dit besluit wel klemmen : ongeloof en bijgeloof besmetten en onteren het Sacrament. We merken hier op, dat de gedachtengang van de Labadisten, ten onzent door Van Lodenstein gedeeld, maar door anderen (Saldenus) krachtig weersproken, n.l. dat het samen aanzitten met onbevoegd toegekomenen de gelovigen zou besmetten, door Calvijn niet wordt gedeeld.

Maar Judas dan ?

Dit doet een vraag opkomen : Maar onze Heere (Jezus Christus) heeft er Judas, hoe boos hij ook was, toch wel ontvangen ?

In deze vraag klinkt zeker wel iets van de Libertijnse critiek en wensen door. Het is een moeilijk punt, juist voor Roomsen en Lutheranen, maar zelfs ook voor Calvijn. Die stelt de zaak echter zo: Zijn ongerechtigheid was nog ver­ borgen. En al kende onze Heere (Jezus) haar, ze was de anderen nog niet kenbaar. Daaruit horen we, hoe de gereformeerde tucht, die zeer nauw steekt, zich niet uitstrekt over verborgen, maar over openbare zonden. Dat bewaart er de Kerk voor, op vermoedens en loze gronden af te gaan. We weten uit het Evangelie immers, dat de discipelen tot het laatst niet hebben geweten, dat Judas de verrader zou zijn. „Ezau" en „Jacob" worden vaak moeilijk onderkend, omdat „Ezau" zich doorgaans nog veel beter weet te verkleden dan „Jacob". Zo is Judas pas uitgesloten, toen hem het masker was afgetrokken. Hij verkoos het, voor eigen rekening te blijven staan ; zo zat hij aan het Heihg Avondmaal ook op eigen verantwoording aan, al kon hij die niet dragen.

En de huichelaars ?

Dat heeft gevolgen. Hoe moet het met de huichelaars ? Alweer een teer punt, dat de Kerk veel hoofdbrekens gaf. Huichelaars (hypocrieten) zijn immers als fris-gewitte graven, van buiten niet onaantrekkelijk, maar van binnen vol doodsbeènderen. Het zoëven genoemde voorbeeld, Jacob-Ezau, dient hier tot waarschuwing, want Jacob was in dit bekende gebeuren de huichelaar, die deed alsof. En Ezau was eerlijker, al verbazen we ons over zijn korte geheugen aangaande de verkochte eerstgeboortezegen en zijn dus zo ten onrechte ontstoken toom.

Wat moet er gebeuren met de geveinsden ? Moet de dienaar hen, op z'n gevoel af, de toegang maar ontzeggen ? De verleiding er toe kan machtig zijn, vooral bij zeer hartstochtelijke, eerlijke karakters. Daar hoorde Calvijn zelf ook toe, en toch antwoordt hij: De dienaar kan hen niet als onwaardigen uitsluiten, maar moet afwachten tot de Heere hun boosheid ontdekt. De Kerk oordeelt dus inderdaad niet over verborgen dingen en innerlijke motieven ; ze heeft af te wachten tot het verborgene openbaar is geworden. Ze weet, dat dit niet uitblijft: wanneer de Heere daarin „lankmoedig" kan zijn, moet het haar zeker dragelijk zijn, die boze dag af te wachten en dan te doen, wat haar te doen is gegeven.

De Kerk oordeelt niet over het innerlijk.

We voelen uit deze vraag, dat deze kwestie in Geneve nijpend is geweest. „De nieuwe religie" was aanvaard, mede op aandrang van de Staat; de kerkgang was tevens overheidsgebod; zo moest het aantal van hen, die knarsetandden en in hun zakken de vuisten balden, groot zijn geweest. Bovendien was het leven in Geneve, waar tal van grote wegen samenkwamen, zeer los en ongebonden ; Kerk en overheid legden het een breidel aan, maar vele van de „kinderen van Geneve, al pasten ze zich uiterlijk aan, zonnen op middelen, om de Reformatie weer uit te drijven.

Tegen die achtergrond moeten we de vraag verstaan : Maar wanneer hij weet, dat dit sommigen onwaardigen zijn of wanneer hij is gewaarschuwd? Ook deze weg kan verleidelijk zijn, maar Calvijn laat er zich niet door afbrengen van de kerkelijke weg, die hij boven bewandelde: Dat is onvoldoende, om hen uit te sluiten, tenzij er doorslaand bewijs is geleverd en een kerkelijk oordeel bestaat. Calvijn vertrouwt de dominee minder gretig het beproeven van anderen toe, dan b.v. de Labadist P. Yvon dat doet in zijn vermaarde Avondmaalsboekje Het Heilige voor de heiligen. Die is in alles een vroom individualist en meent, dat de wèl toegeruste pastor met zekerheid anderer staat kan beoordelen en dan dus mag uitsluiten van het Heilig Avondmaal. Calvijn is bUjkbaar bevreesd, dat op deze wijze gemakkelijk (vrome) tvrannie kan insluipen en wenst dit oordeel door de Kerk te zien uitgesproken. Dat was in zijn tijd nog sterk dat der gemeente ; wij zouden in onze dag de kerkeraad hierbij sterk betrekken. We menen zo veiliger te gaan dan wanneer bij één alleen het oordeel ligt. Denkt u maar aan het formulier om ambtsdragers te bevestigen.

Het Consistorie.

Calvijn komt tot een conclusie : Er moet dus wel vaste orde en toezicht mee gepaard gaan ? En hij antwoordt: Inderdaad, zal het in de Kerk naar orde en regel toegaan. Men moet mensen aanwijzen, die waken tegen aanstootgevende dingen, die zouden kunnen voorkomen. Laten die, op gezag der Kerk, het Avondmaal ontzeggen aan hen die er geenszins toe geschikt zijn en aan wie het Heilig Avondmaal niet kan worden uitgereikt, zonder God te onteren en de gelovige te ergeren.

Daar staat heel het tuchtprobleem voor ons. Het gaf Calvijn, maar ook heel de reformatorische christenheid, handen vol werk. In de „Zwingliaanse" kring kwam een instelling op (vooral van Zurich en Bazel), die men het Ehegericht („huwelijks-rechtbank") noemde. Deze naam is onduidelijk. Men bedoelt er een aantal regeringspersonen mee, die ergernis gevende zaken (waaronder vele huwelijksmoeilijkheden, ook al toen!) onderzocht en bestrafte. Dat was dus een Staatstucht over de zeden. Deze was Calvijn tegen de borst: de Kerk had volgens hem hier een eerste taak, waarbij de Staat alleen had te helpen. Zo ontstaat in Geneve het z.g. Consistorie, dat niet hetzelfde is als onze tegenwoordige kerkeraad. Er zitten in een aantal „anciens" („ouderlingen"), gekozen uit de kerkelijke gemeente en uit de regering. Deze laatsten hebben echter geen zitting krachtens hun raadslid- maar krachtens hun gemeentelid zijn. Dit tuchtcollege onderzoekt aanstootgevende dingen ; bij hardnekkigheid of dgl. vraagt het Consistorie de overheid, de betreffende persoon te straffen.

Dat zijn de mensen, die Calvijn wilde zien aangewezen. De enkele woorden: dat ze op gezag der Kerk het Avondmaal kunnen ontzeggen, is voor Calvijn de inzet van zijn levensstrijd geweest, die hij tenslotte vrijwel heeft gewonnen. In Geneve worden geloofszaken kerkelijk-geestelijk behandeld; een Staatskerk wordt afgewezen; de overheid wordt niet als ongeestelijk beschouwd ; integendeel, als dienaresse Gods en helpster van Zijn Kerk. Zo was er tucht, bijzonder ten opzichte van het Heilig Avondmaal. Later heeft de kerkeraad in onze zin de taak van het Consistorie overgenomen.

We hebben hiermee onze wel erg lange serie beëindigd. Vermoedelijk verdraagt onze tijd dit niet meer ? Maar hoe kunnen anders grote stukken als deze Catechismus onder onze aandacht komen ? Zo nemen we ons voor, zoiets niet licht te herhalen, zonder daarom het geschrevene te willen terugnemen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 december 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 59

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 december 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's