Tot op deze dag 7
„Man, uw roeping: !"
U is misschien in vakantietijd de grens wel eens gepasseerd ? U wist dan, wat er zou komen. De douane van 't grenskantoor kwam voor de visitatie en vroeg u naar uw persoonsbewijs. Het was zijn plicht en ook zijn recht, om dat te doen, want u moest u legitimeren vóór u een vreemd land binnenkwaamt.
U hebt toen aan die man niet gevraagd of hij zich eerst even wilde legitimeren, en wel daarom niet, omdat hij juist in uniform uit het kantoor kwam.
Zo ben ik nu ook eens „gevisiteerd" op huisbezoek, door een man, die niet uit een belastingkantoor, maar uit de bedstee stapte, waar hij pas zijn middagdut had gedaan.
De toon, waarop hij sprak, behoorde nu juist niet tot de aangename. Hij viel terstond in het offensief. Hij vertelde kortweg, dat ze die middag aan tafel hadden gelezen Romeinen 10, waar dit ook in stond: „Hoe zullen zij prediken, indien zij niet zijn gezonden ? " En meteen klonk het met barse stem: „Man, waar leit je roeping ? " Zo iets van: „Sta, of ik schiet!"
IJzeren gordijnen waren er toen nog niet, anders zou ik gedacht hebben: Hier sta ik er in alle grimmigheid voor! Daar achter kent men geen genade. „Ze zullen die jonge, onbekeerde broekjes wel eens even „in hun hemmetje" zetten, die jongens van de „domineesfabriek" (Universiteit).
Ik zeg niet, dat het kwaad kan, wanneer jonge dominees eens zulk een koud stortbad krijgen, vooral dan niet, wanneer zij al begonnen waren in een soort geestelijke deftigheid daarheen te treden. Ze worden dan wat „ontgroend". Al beweer ik daarmee niet, dat dit nu juist de methode was.
Hoewel door die ruwe brutale vraag wat ontnuchterd, heb ik die man wel gevraagd, waar hij zelf het recht vandaan haalde, mij zo iets te vragen. Het gevolg van die vraag was, dat hij zijn opinie meteen klaar had en constateerde, dat hogere roeping mij ten enenmale ontbrak. Volgens hem had ik immers „de zaak" ontweken.
Wat verwachten die mensen eigenlijk? Dat men een soort papieren uit de zak moet halen, om hun ter inzage te geven? Een bijzondere bekeringsgeschiedenis, waaruit dan tevens de roeping van Godswege duidelijk wordt? Ik geloof, wanneer wij zouden proberen, voor dergelijke mensen onze roeping uiteen te zetten, wij vanzelf in hun vaarwater kwamen. Wij zouden dan gaan zoeken of er in ons leven nooit eens iets gebeurd was, dat op hogere roeping wees. Wij zouden misschien gaan vertellen dingen, die wij eens ondervonden hadden, om daarop onze roeping en bekering te gronden. Het een met het ander zou totaal verkeerd zijn. Wij kunnen beter het antwoord schuldig blijven aan mensen, die ons van tevoren al veroordeeld hebben.
Wanneer de Heere Zelf ons naar onze roeping vroeg, dan zou het wat anders zijn. Immers Hem alleen zijn wij verantwoording schuldig. Ambtsdragers 'in 's-Heeren Dienst zijn verslaggevers. Iedere avond moeten zij aan 's Heeren voeten verslag uitbrengen van hun werk en hunne ervaringen. Als ik bij voorbeeld, vandaag „op pad" geweest ben en veel werk heb verzet, maar op eigen manier. Wanneer ik dacht: „ik moet die of die eens op zijn plaats zetten!" Als ik mij daarbij misschien wat driftig maakte, zodat er aan beide kanten hete hoofden, maar ook koude harten ontstonden, dan zou de Heere mij kunnen vragen: „Wie had u vandaag daarheen gezonden? Als Ik, de Heere, het was, waarom hebt gij u dan door Mij niet laten leiden en Mijn raad niet opgevolgd?
ledere dag krijgen wij in onze roeping wel lessen. Maar wij verzuimen nog al eens die hogere Colleges.
Roeping Gods is toch eigenlijk zo'n eenvoudige zaak van 't begin af. Niet dat de Heere het van tevoren aan elk der Zijnen altijd even duidelijk zegt. Gods Woord vertelt ons van uitzonderingsgevallen. Van Mozes bij het braambos. Van Samuel in de nacht. Van een Jeremia, een Amos, later van Nathanaël, van Levi (Matthéüs) en van Paulus. Hiernaast staan echter heel veel andere gevallen van personen, over wier roeping niets wordt gezegd. En toch blijkt duidelijk, dat zij tot het een of ander Ambt, of althans voor een bijzondere taak bestemd waren. Hun roeping van Boven heeft dan ongetwijfeld in alle stilte plaats gehad, zó zelfs, dat zij vermoedelijk niet eens zouden kunnen zeggen, wanneer dat voor het eerst was.
Daarom komt het mij voor, dat wij ons niet moeten verdiepen in dingen die voor ons verborgen zijn. Wanneer het de Heere behaagt, zal Hij ons later welUcht terugleiden en ons iets ervan openbaren.
De dringende vraag voor mij persoonlijk blijft: Roept de Heere mij nog in mijn Ambt of andere levenstaak en zo ja, waaraan mag ik dat weten? Ik spreek hier dus niet over dogmatische benamingen of terminologieën, afgezien van het al of niet juiste er van, zoals: algemene en bijzondere roeping; uitwendige en inweridige roeping. Ook niet over: roeping en wedergeboorte; of: roeping en bekering.
Menselijke formuleringen, ofschoon goed bedoeld, kunnen wel eens de verwarring in de hand werken.
Liever vestig ik hier de aandacht op enkele practische vragen, die altijd weer op ons zelf neerkomen en die wij ons voor Gods heilig Aangezicht moeten stellen. Laat mij daarbij aan de predikantenwereld of aan hen, die theologie studeren, het eerst een beurt geven, omdat het Predikambt toch zulk een hoog en heilig en heerlijk ambt is :
Hoe denk ik dominee te worden? Of hoe ben ik het geworden ? Er kunnen verschillende redenen zijn. Een soort familietrots kan mij er toe gebracht hebben. Er zijn gezinnen, waarvan de ene zoon dokter werd; de andere zocht het in de rechten ; een derde werd leeraar in de oude talen ; nu vindt men het wel mooi, dat er ook één dominee wordt. Men voelt dat dan als een eer in de familie.
Zoonlief gaat naar het Lyceum, (Gymnasiumafdeling), wordt straks theologisch student; volgt trouw de colleges, doet op tijd zijn examens. Alles verloopt heel gewoon en ten laatste staat hij op de kansel. Niets buitengewoons is er in zijn leven gepasseerd en na bevestiging en intree is hij herder en leraar van een Gemeente.
Men bemerkt niet, dat er van enige weerstand of beletsel sprake was. Er waren er wel in de familie, die tevoren hadden gevraagd: Zou je toch niet liever wat anders worden? Voel je niets voor de oude talen, om daarin verder te gaan ? En ze voegen er aan toe: Je bent in de omgang zo stil en een dominee moet praten kunnen.
Een ander was er, die indertijd getroffen werd door een gedeelte uit Gods Woord. Het liet hem niet los en het maakte hem klein; maar hij ving ook in de ziel iets van Gods grootheid in Christus op. De begeerte kwam bij hem op (hij begreep nog niet hoe? ) hoe heerlijk het zijn zou, om later zelf ook aan de mensen dat Evangelie van Christus te mogen verkondigen.
Een derde was er, die van alles al geprobeerd had. Hij zocht het in de handel of in iets anders, maar vond er op de duur geen bevrediging in. Hij stapte over in de theologie. Ook deze bereikte zijn doel.
Al deze mannen, wie ze nu verder ook mogen wezen, hebben zich af te vragen: Waar is mijn roeping? „Heere, hebt Gij mij geroepen? "
Dat is in het gewone leven toch óok zo. Wanneer een zoon meent, dat zijn vader hem riep, dan gaat hij toch naar hem toe en vraagt: „Vader, hebt u mij geroepen ? " Dan zal die vader dat toch zeker wel zeggen of het zo was, of dat de zoon dit alleen maar meende en zich vergiste.
Zouden wij dat hier dan ook niet vragen ? God de Heere zal ons dat toch zeker wel zeggen. Hij behoeft ons dat niet te zeggen door een bijzondere stem, zoals aan Samuel in de nacht. Neen, Zijn Woord is er immers dag en nacht; dus altijd wil Hij door Zijn Geest ons daaruit leren en onderwijzen.
Over het antwoord, dat de Heere ons geeft, moeten wij ons ook weer geen bepaalde gedachten of voorstellingen vormen, want dat komt altijd anders uit dan wij denken. Het kon zelfs wel eens wezen, dat de Heere ons dat antwoord al lang gegeven had. Immers : wanneer wij dat Ambt liefhebben, was dat dan niet uit Hem ? Hebben wij ons zelf die liefde dan gegeven ? Ligt hierin dan niet Gods roeping, dat ik mij tot het predikambt zo sterk aangetrokken voel ?
Misschien denkt iemand uit de domineeswereld : Toen ik intree deed in mijn eerste Gemeente, ging dat mijnerzijds met vreze en beving gepaard. Ik zag er geweldig tegen op en dorst zo maar niet te zeggen met Paulus, een geroepen apostel van Jezus Christus te zijn. Maar de begeerte, om de Christus te verkondigen, bleef toch en onder de verkondiging zelf werd Christus' kracht in zwakheid volbracht.
Wanneer God de Heere mij tot bekering riep, wil dit nog niet zeggen, dat ik meteen geroepen word tot het Evangelieambt. Dat is zo duidelijk als iets : Niet alle kinderen Gods zijn geschikt om dominee te worden. De vrouwen blijven hier verder buiten beschouwing, maar wanneer zij de Heere vrezen, kunnen zij toch Gods grote werken op hun terrein verkondigen.
En ze zullen dat zeker ook doen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 december 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 december 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's