De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Dordtse Leerregels

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Dordtse Leerregels

Hoofdstuk III/IV, artikel 5

10 minuten leestijd

Gelijk het met dit licht der natuur toegaat, zo gaat het ook in deze toe met de Wet der Tien Geboden, van God door Mozes de Joden in het bijzonder gegeven. Want nademaal deze de grootheid der zonde wel ontdekt en de mens meer en meer van zijn schuld overtuigt, doch het herstellingsmiddel daartegen niet aanwijst, noch enige krachten toebrengt om uit deze eïlendigheid te kunnen geraken, en omdat zij alzo, door het vlees krachteloos geworden zijnde, de overtreder onder de vloek laat blijven, zo kan de mens daardoor de zaligmakende genade niet verkrijgen.

Nog één artikel wilde ik aan bovenstaand gedeelte der Leerregels wijden om iets te zeggen over de kennis der zonde en het evangelie. Vast sta voor alles, dat wij door het doen der wet niet zalig kunnen worden omdat het ons onmogelijk is de Wet Gods te houden. Het bedenken des vleses is immers vijandschap tegen God en het vlees onderwerpt zich der Wet Gods niet. Het merkwaardige is, dat de mens van nature juist denkt, dat hij een vriend van de Wet is. Daar moet een gevoelige ontdekking in ieder mens plaats vinden om hem te leren hoe ellendig het er met hem bijstaat en hoe groot zijn zonde en ellende is. Die ontdekking, dat brengen tot de kennis van onze zonde en ellende moet voor een deel plaats vinden, voordat de Heilige Geest in ons een waar geloof ontsteekt, waardoor wij Christus omhelzen.

Ik schreef: voor een deel. Het is niet zo, dat de volledige kennis van onze zonde aan het geloof voorafgaat. Zondag 1 weet van het feit, dat ten eerste nodig is, de kennis der ellende. Maar zondag 44 verklaart dat de Wet scherpelijk gepredikt moet worden „opdat wij ons leven lang onze zondige aard hoe langer hoe meer leren kennen.

Het is buiten kijf, dat de Reformatoren ons met nadruk hebben geleerd, dat de kennis van zonde en ellende (voor een deel) aan het geloof in Christus voorafgaat. Ursinus betuigt in zijn Schatboek: „(De kennis der ellende is nodig) omdat ze in ons verwekt een begeerte om verlost en getroost te worden ... Zolang wij onze ellendigheid niet kennen, zo wordt ook de verlossing niet begeerd ... en alzo wordt ze ook niet verkregen, want God geeft alleen Zijn weldaden, die, die ze begeren en daarom bidden".

Daar is geen aannemen van Christus, zegt Calvijn, voor de kennis en beleving der ellende, want Christus openbaart Zichzelf aan geen andere dan aan de ellendige en benauwde zondaren, dewelke zuchten, arbeiden, beladen zijn, hongeren, dorsten en van droefheid en ellendigheid uitdrogen.

De leer van Luther op dit punt is bij iedereen bekend.

Voorts schrijft Ursinus, dat 's mensen ellende nergens beter uit gekend wordt dan uit de Wet Gods. Maar kan nu ook het Evangelie niet helpen om de zonde te doen kennen? Bij de gelovigen zeker. In het Avondmaalsformulier worden de gelovigen opgeroepen hun zonde en vervloeking te bedenken. De zonde en de vloek kennen zij alleen uit de Wet. Immers alle kennis der zonde heeft in de Wet Gods zijn maatstaf. Alleen de Wet des Heeren zegt wat zonde is. Maar het kruis van Christus b.v. laat ons zien' dat de toom Gods tegen de zonde zo groot is, dat Hij die (eer Hij ze ongestraft het blijven) aan Zijn lieve Zoon Jezus Christus met de bittere en smadelijke dood des kruises heeft gestraft.

Ik ben er niet zeker van, dat wij moeten zeggen, dat het Evangelie op zichzelf en als zodanig ons onze zonde doet kennen. Ik geloof van niet. Doch er zijn verhalen in de Evangeliën en er zijn woorden van Jezus in de Bergrede b.v., die laten zien, hoe ver de zondige mens wel durft te gaan n.l. dat hij de Zoon Gods kruisigt of wat de diepste betekenis van de geboden is.

Maar hoort de Bergrede strikt genomen tot het Evangelie? Als Jezus zegt: Wie een vrouw aanziet om dezelve te begeren, heeft alrede overspel in zijn hart met haar begaan, is dat Evangelie? Wat draagt dus het Evangelie als zodanig bij tot de kennis der zonde? Het maakt ons hart week om de zonde te bewenen. Het Evangelie is toch immers de blijde boodschap, dat God Zijn Zoon gegeven heeft. Aan wie de Heilige Geest de wedergeboorte heeft geschonken en wie dus inwendig verlicht is om Christus te zien in Zijn dierbaarheid, die begint pas recht zijn zonden te betreuren en nog veel dieper dan voorheen het verfoeilijke er van te zien. Daar staat in Ezechiël 36 : 31: „Dan zult gij gedenken aan uw boze wegen en handelingen, die niet goed waren; en gij zult een walging van uzelf hebben over uw ongerechtigheden en over uw gruwelen".

Daar is niet alleen een begin-boetvaardigheid om met Calvijn te spreken, doch wel is deze begin-boetvaardigheid eerst. Deze begin-boetvaardigheid wordt gewerkt door de Wet en door alles uit de Evangeliën en uit het Evangelie, wat dienen kan om een indruk te geven van de grootte van onze zonde en ellende, totdat wij verbrijzeld voor God liggen. Christus roept tot Zich, die vermoeid en belast zijn. Calvijn schrijft dat daarmee niet bedoeld worden, die verdriet en moeite in de wereld hebben, doch die zijn neergeslagen in zichzelf wegens het gevoel van hun zonde en gegrepen door een vrees voor Gods toorn. Christus ontvangt immers niemand in Zijn rust dan die mislukt is en verbroken onder de last der schuld.

Het is voor de reformatoren en voor de kinderen Gods, die met hen eenzelfde geloof deelachtig waren een vaste en zekere zaak geweest, dat al de kennis der zonde door de Wet aan het ontsteken van het geloof vooraf ging bij allen, die in de jaren des onderscheids tot het geloof kwamen. Zij hebben het allen zo zelf meegemaakt en konden in de H. Schrift niets anders vinden. Voor Calvijn was ook niemand geschikt of bekwaam om de boodschap van het Evangelie te ontvangen, dan die bij zichzelf van alles beroofd was.

Zo is er een begin-boetvaardigheid vóór het geloof in Christus. Dat wil niet zeggen, dat deze mens niet van het Evangelie gehoord heeft. Dat kan, maar dat hoeft niet. Men zou kunnen denken, dat er in Cornelius uit Handelingen 10 een begin-boetvaardigheid was, zonder dat hij de naam van Jezus kende, maar dat hoeft niet. Maar deze boetvaardigheid, die bestaat in een mishagen aan zichzelf en een verbrijzeling onder de last der schuld werkt God in het hart van hem, in wie Hij nog niet ontstoken heeft een waar geloof, waardoor deze Christus omhelst. En ook voor deze kan het Evangelie meehelpen om te laten zien, wat Gods vloek over de zonde betekent.

Deze man, die ontdekt is aan zijn zonde, wat het Evangelie niet doet, want het EvangeHe zegt niet wat zonde is, kan door het lijdensverhaal wel leren hoe zwaar God de zonde straft. En als men dat kennis der zonde door het Evangelie wil noemen, is daar niets op tegen.

Het is ook heel niet nodig, dat voor de man, die onder de Wet gezet is, het Evangelie zorgvuldig verborgen wordt. Integendeel. Predik het Evangelie met alle teerheid, liefde en kracht, die in u is. Maar wat zal deze man antwoorden? Hij zal zeggen: Ik kan eer met mijn hand de zon van de hemel aftrekken, dan geloven, dat Jezus mijn Heiland is. Doch uit het Evangelie, als de Geest Gods dat geeft, leert hij in deze staat onder de Wet wel, dat de zonde in Gods oog verschrikkelijk is en verder, dat er een weg ter ontkoming is.

Velen willen in onze tijd van de prediking der Wet niet weten als geïsoleerd van het Evangelie. Wie zou zulk een prediking voorstaan? Maar hoe gaat het toe? De predikant legt zijn Catechismus uit of verklaart zijn evangelie-tekst. In deze prediking ligt Wet en Evangelie door elkaar. Wat doet Gods Geest. Hij jast het toe. Een zonde-dienaar, mogelijk een lid van de jongelingsvereniging, krijgt de Wet toegepast. De Geest laat hem zien: dat is uw zonde. De bekommerde krijgt een belofte toegepast: De Geest laat hem zien: dat is voor u gesproken. De ellendige krijgt Christus toegepast. Het is met een preek net als met het bloedwei in het lichaam. Elk lichaamsdeel: haar, nagel, been, vlees, krijgt er het zijne van toegewezen. Alleen gaat het in de kerk niet uit kracht der natuur, doch uit kracht van de Geest.

Niemand wil als regel stellen, dat enige prediker eerst de Wet moet preken en dan enige tijd later het Evangelie. Maar Gods gewone gang is de hoogmoedige te vernederen en de nederige te verhogen.

Het is in onze dagen wel nodig dacht ik om de Wet en het oordeel radicaal te preken, doch het is minstens zo hard nodig het Evangelie radicaal uit te dragen.

En als nu het Evangelie verkondigd wordt gaat dat er niet veel sneller in dan de Wet? Zonder de genade des Geestes gaat iedere hoorder aan beide voorbij. Daarom past ons zo het gebed om de ontdekkende werking van de Heilige Geest. Dan is het van weinig belang of Wet dan wel Evangelie het middel is van deze ontdekking. Als wij maar onze diepe val in Adam leren verstaan en verbroken worden. Want nooit zal Christus zich aan iemand openbaren, om met Luther en Calvijn en al Gods kinderen te spreken die niet verbroken is vanwege zijn ongerechtigheid.

Hoe zou er toch ooit bij iemand plaats zijn voor een gekruiste Christus dan bij een verslagen zondaar? Een hoorder kan nog wel warm lopen voor de leus: Christus is Heer. Maar dat is een halve Christus, als men daar niet onder verstaat: de Gekruisigde, die de vloek gedragen heeft voor Zijn volk en die de zonde van Zijn uitverkorenen aan het kruis heeft geboet is (ook) Heere.

Wat moet echter een gewoon christen van deze tijd, die niet aan zichzelf ontdekt is met het zoenbloed van Christus doen? CJhristus is voor verlorenen gekomen, d.w.z. voor hen, die hun verlorenheid hebben leren kennen. Strikt genomen verklaart alleen de Wet, waarin de verlorenheid bestaat. De Wet eist. De Wet eist een volmaakt mens. En als de Wet een mens onvolmaakt vindt, vervloekt zij hem.

Het Evangelie vervloekt niemand, want ook de eis om te geloven is op de Wet gegrond. God eist, dat we Hem als God eren en gehoorzamen. Onze ellende is een gevolg van de overtreding der Wet. Daarom ligt de toom Gods op ieder buiten Christus. Het is door de Wet, dat wij onze zonde kennen. Het Evangelie kan ons helpen de ernst der zonde beter te leren verstaan. Maar een grote streep wil ik nog eens zetten onder het woordje mij en onze. Het gaat niet in de eerste plaats om een algemene kennis van wat zonde is en de zwaarte er van en de straf en zo. Het gaat in de eerste plaats om de kennis van mijn zonde ên mijn straf en mijn vloek en mijn godverlatenheid en mijn verdoemenis. Deze persoonlijke dingen moet ik in beginsel hebben geleerd voordat ik geschikt ben voor de genade van Christus, om met Calvijn te spreken. De farizeeër gaat altijd ongerechtvaardigd uit de kerk, totdat het laatste restje van zijn Farizeïsme uit hem uitgezuiverd is. Alleen de tollenaar, die op een gegeven ogenblik voor 100% tollenaar is en voor 100% verloren, gaat gerechtvaardigd naar huis.

De prediking van de noodzakelijkheid der wedergeboorte betreft in de eerste plaats een wedergeboorte, die aan het geloof in Christus voorafgaat en waaruit dat geloof opkomt. Onze kerk gaat ten gronde als in haar midden alleen gepredikt wordt een zekerheid van de behoudenis waaraan niet voorafgegaan is een persoonlijke zekerheid der persoon­lijke verdoemenis buiten Christus. Het Evangelie is alleen voor zondaren, die zichzelf als zodanig door middel van de Wet hebben leren kennen. Gedeelten uit de Evangeliën kunnen bij deze ontdekking aan onze zonde medewerken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Dordtse Leerregels

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's