Uit het ieuwe Testament
Het verblijdt de redactie, dat ds. J. v.d. Velden bereid is gevonden een rubriek: „Uit het Nieuwe Testament" voor zijn rekening te nemen. Ds. Van de Velden begint met een uiteenzetting en plaatsing in de eigen tijd van 1 Cor. 11. Hierin komen vragen voor over de verhouding man-vrouw en over het Avondmaal. De redactie zal het op prijs stellen, wanneer lezers vragen hebben over teksten of gedeelten uit het Nieuwe Testament, zij deze vragen zenden aan ds. J. v.d. Velden, Stooplaan 21, Dordrecht, of aan de redactie. Moge ook deze rubriek dienstbaar zijn aan de verwekking en voeding van het geestelijk leven en aan de leiding van ons kerkelijk en gemeentelijk leven in de wegen van het Woord Gods. Red.
Mij is gevraagd, in ons orgaan zo nu en dan te schrijven over gedeelten uit de Heilige Schrift, met name het Nieuwe Testament, waar nogal eens allerlei vragen over rijzen en die voor ons persoonlijk geestelijk en kerkelijk leven van bijzonder belang zijn.
Aan dit verzoek heb ik voldaan.
Men vroeg mij of ik beginnen wilde met te schrijven over 1 Corinthe 11. Inderdaad is dit een belangrijk hoofdstuk. Het gaat daarin immers om de verhouding tussen man en vrouw, over de houding en het optreden van de vrouw in het openbaar, en over de viering en het gebruik van het Heilig Avondmaal.
Er waren op deze punten misstanden en moeilijkheden in de Corinthische gemeente. Paulus gaat daar nader op in. En het gaat hier om zaken, welke ook voor óns van betekenis zijn. Daarom heeft het zeker zin, ons daarmee bezig te houden. Wij willen dan ook enkele malen over dit hoofdstuk schrijven.
Ditmaal moge het een inleiding zijn op dit hoofdstuk.
Wij willen dan allereerst er weer even de aandacht op vestigen, dat de gemeente, waaraan Paulus deze brief schrijft, gevormd is in Corinthe dus, — een belangrijke havenstad in het oude Griekenland. Gelegen op een landengte, tussen twee zeeën, was Corinthe een belangrijk knooppunt van handel en verkeer, door de handel rijk, doch ook als de meeste havensteden, berucht om de wantoestanden, welke in haar gevonden werden op zedelijk gebied. De apostel heeft in die stad gewerkt, tijdens zijn tweede Zendingsreis, en het was juist daar, dat de Heere hem bemoedigde door de belofte, dat Hij veel volk in die stad had. Er ontstond dan ook in deze stad een belangrijke gemeente, welke uit allerlei elementen was samengesteld. Ze werd gevormd door een kleine groep aanzienlijken, verder waren het vooral slaven, bootwerkers, sjouwerlieden en dergelijken.
Wij kunnen begrijpen, dat nog wel het één en ander van de oude gewoonten zijn invloed bleef uitoefenen in het "nieuwe" leven van deze christenen. Hoe toch staat het in het leven der bekering ? In het persoonlijk leven werkt de Heilige Geest dan nieuwe begeerten, een mens leert de zonde haten, ontvluchten en bestrijden, omdat ze zonde tegen God is, en hij leert het Evangelie van Gods genade in Christus liefkrijgen boven alles, — hij leert ook de Wet Gods liefhebben als richtsnoer voor zijn leven. De zonde heerst niet meer als ongebroken macht in hem. Dit wil echter niet zeggen, dat ze zomaar verdwenen is in haar werking. Zo steekt in het hart van Gods kind „de oude mens", het ongeloof, nog telkens weer de kop op en woelen de oude zondige begeerten, 't Is iets, waar Gods kind het meeste last van en verdriet over heeft. En de apostel spreekt niet voor niets van een strijd van het vlees tegen de Geest. Dit feit brengt echter mee, dat ook vaak oude gewoonten, als ze de toets van de Wet Gods niet kunnen doorstaan, niet zomaar geheel doorbroken zijn; het verleden is zomaar niet uitgewist.
't Is daarom begrijpelijk, dat er ook in de Corinthische gemeente nog zulke dingen werden aangetroffen en er op bepaalde punten nog misstanden heersten. De apostel, die er persoonlijk gewerkt had, onderhield nog steeds contact met de gemeente. Er was een officiële correspondentie, door middel waarvan hem allerlei vragen over verschillende kwesties bereikten. Wellicht vernam hij daarbij het één en ander van particuliere boodschappers of uit particuliere brieven. In 1 Cor. 11 gaat hij in op enkele kwesties en verkeerde toestanden.
Wij willen hier nader aandacht aan schenken. Wij zijn vaak zo gemakkelijk er toe geneigd om de kerkelijke toestanden van nu, onder ons, donker te zien. Wij ontkennen dan niet dat er ook lichtpunten zijn, doch wij zien dan vooral op de donkere vlekken. Daar is veel dwaalleer in de Kerk, daar is de verscheurdheid. En ook al mogen wij in eigen gemeenten met ootmoedige dankbaarheid ons verheugen in het bezit van een prediking, welke wil zijn gebracht naar Schrift en belijdenis, hoe is ook daar vaak het gehalte van het geestelijk leven ? Is daar dit leven zo bloeiend en vruchtdragend ? Gaat daar zoveel kracht van uit en is dat zo Godverheerlijkend ?
En nu ligt daar de neiging in ons hart om het verleden te idealiseren. Dit verleden ontsnapt immers aan onze persoonlijke controle. En de grotere afstand doet ons de belangrijke historische verschijnselen in meer indrukwekkende omtrekken zien en verbergt voor ons het onbeduidende, het gebrekkige daarin. De majesteit der bergen is voor ons vaak 't schoonst, — op een afstand. Wij zouden dit ook op onze kijk op de Kerk willen toepassen. Van ver af schijnt ze ons een imponerend verschijnsel, dat zich verheft op het vlak van de wereldgeschiedenis. En wij hebben de neiging om b.v. de toestanden in de Kerk uit de tijd van de Hervorming of uit de tijd der apostelen te idealiseren. Echter, treden wij om zo te zeggen, nader en bezien wij nauwkeurig de toestanden, hoe b.v. het Nieuwe Testament en de apostelen in hun brieven die tekenen, dan worden wij wat voorzichtiger. Dan blijkt het, dat ook toen, in de oudste christengemeenten, alles niet zo schoon en rooskleurig was.
Zeker, de gemeenten verkeerden toen in bijzondere omstandigheden. Zij ontvingen het Evangelie „uit de eerste hand", en de prediking en de arbeid der apostelen werden door de Heilige Geest bijzonder gezegend. Er ontstond op meerdere plaatsen een bijzonder geloofsleven, dat rijke vruchten droeg. Welk een schoon getuigenis geeft de Handelingen der apostelen van de Jeruzalemse gemeente en van andere gemeenten. Wat was er een volharden bij de leer der apostelen en in de breking des broods en in de liefde; wat openbaarde zich een zendingsdrang en wat gaven velen blijk van bijzondere charismata, geestelijke gaven. Echter het beeld vertoont ook andere trekken. Om te beginnen: juist die bijzondere geestelijke gaven waren aanleiding tot het ontstaan van misstanden in de gemeenten, er kwam een ziekelijk scheefgroeien en er deden zich uitspattingen voor, juist op dit gebied. En daarbij, wat lezen wij in de Handelingen ook van Ananias en Saffira, van twisten over de verzorging der behoeftige broeders en zusters. En wat lezen wij in de brieven van Paulus en van de andere apostelen over allerlei dwaalleer, welke ook toen al de gemeenten was binnengedrongen en bestreden moest worden, doch niet altijd bestreden werd, zoals dat moest? En dan, wat vinden wij al niet allerlei verkeerde toestanden in de gemeenten? Het was lang niet alles goud des geloofs, dat er blonk, er was ook veel schuim. Er waren dwalingen en zonden, waarvoor men zich voor God en voor de mensen moest schamen.
Wij willen hier even de vinger bij leggen. Het valt niet te ontkennen, dat de gemeenten van thans vaak ontzonken zijn aan het niveau, waarop de gemeenten in de dagen van de apostelen stonden. En wij mogen daar geen vrede bij hebben. De kracht van het Evangelie moet ook blijken in het leven, in een bloeiend, vruchtdragend gemeenteleven. Maar het gevaar is er, dat men het niveau van de eerste christengemeenten te hoog stelt. En het is fout, als men naar dat niveau staan zou. Immers is het ooit zo hoog, zo ideaal geweest? Natuurlijk zeggen wij niet, dat er niet steeds biddend geworsteld moet worden om méér en beter geestelijk leven. Maar het krijgt iets krampachtigs, wettisch, wanneer men steeds het beeld van de eerste christengemeenten zo ideaal tekent en dan dat beeld als voorbeeld stelt. Daar is ook b.v. in onze Kerk van de zijde van Gemeenteopbouw nogal eens mee geschermd.
Laten wij echter niet vergeten, hoe het in deze in het persoonlijk leven van een christen staat. Natuurlijk zal die staan naar heiligmaking. Het oprechte geloof blijkt uit de vruchten en is een kracht tot een nieuw leven, waarin de ere Gods als het hoogste gezocht wordt. En het moet ook uitkomen in het leven van een christen, dat de Heere Zijn volk verlost, opdat het weer tot verheerlijking van Zijn Naam zou leren leven. Dat was het hoogste doel bij de schepping, dat is het eveneens bij de herschepping. Wat legt de Schrift daar telkens weer nadruk op, wat vinden wij vooral in de brieven der apostelen vermaningen in deze richting. En wat is het b.v. ook de worsteling van Calvijn geweest om in Geneve daar iets van te mogen realiseren, ook naar buiten in het leven.
Maar als ergens geldt, dat het altijd nog maar stukwerk is, dan hier. Daarom wat centraal moet staan in het leven van de christen is, dat hij telkens weer vergeving en verzoening nodig heeft, dat hij alleen uit louter genade om de verdienste van Christus gerechtvaardigd wordt. Wat moet hij eerst leren dat al zijn werken onder het oordeel Gods liggen, en dat hij alleen door Christus' bloed de vrede met God en alleen door Christus' Geest de kracht tot goede werken kan vinden. En wat moet hij dan steeds nog weer leren, dat zijn beste werken met zonden bevlekt zijn en hij in dit leven nog maar slechts een klein beginsel van de nieuwe gehoorzaamheid in zich draagt.
Opmerkelijk is, hoe in de loop van de Kerkgeschiedenis, steeds de aanvallen gericht zijn oók op dit leerstuk van de rechtvaardiging door het geloof alleen. Dit was maar niet een bestrijding alleen vanuit het verstand, de wijsheid, van de mens, doch het zat dieper, het was de aanval van de hoogmoed van „het oude hart" van de mens en van de Boze op wat de hartader is van het Evangelie. Opmerkelijk is ook, dat bij echte Reformatie der Kerk of bij echte reformatorische bewegingen dit leerstuk meer bijzonder naar voren komt en geleerd en beleden wordt als de hartader van het Evangelie en van het geestelijk leven. Stellig ging het mannen als Luther en vooral Calvijn ook om de heiliging van het leven, doch wat hebben zij ook grote nadruk gelegd op de rechtvaardiging uit louter genade om de verdienste van Christus alleen! En hoe vinden wij ditzelfde b.v. ook bij een man als Kohlbrugge.
En nu zouden wij willen zeggen: mogen wij, wat wij in het persoonlijk leven van de christen vinden, ook niet toepassen op de situatie van de christelijke gemeenten in het algemeen ? Zeker gaat het ook daarin om heiliging van het leven, opdat de gemeente inderdaad zou zijn een stad op de berg, een licht op de kandelaar. Maar hier zullen wij toch eveneens altijd moeten blijven bedenken : de gemeente bestaat en blijft bestaan op deze grondslag, dat de Heere een God is. Die zondaren in Christus uitverkoren heeft en goddelozen in Hem rechtvaardigt. Wij zullen van de heiligmaking telkens weer moeten en mogen terugvallen op de rechtvaardiging.
Waarom wij dit schrijven? Omdat dit ons iets bevrijdends mag geven bij het zien en beoordelen van de toestanden, zoals wij die vaak in de gemeenten aantreffen. Neen, wij laten niets vallen van de roeping tot heiligmaking, wij praten evenmin de zonden goed, maar in alle zorg en droefheid daarover, zelfs in de aanvechtingen daarover, zullen wij mogen bhjven geloven, dat God, ondanks veel, dat in haar midden wordt aangetroffen, toch Zijn Kerk in stand houdt en Hij een Heere is, Die menigvuldiglijk vergeeft. En, wij zullen temeer met verlangen verwachten die Dag, waarop wat nog onvolmaakt is, volmaakt zal zijn en dit zal gelden, niet alleen voor de christen persoonlijk, maar ook voor de gemeente Gods en zij de bruid zal zijn, zonder vlek of rimpel, van haar hemelse Bruidegom.
Intussen, een volgend maal hopen wij nader op de inhoud van 1 Cor 11 in te gaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's