Legitiem confessioneel?
Het tweede artikel van ds. Luteyn (Hervormd Weekblad dd. 17 september '59) wil bijzondere aandacht schenken aan art. 2 van de statuten van de CV. en wel aan de uitdrukking „een welgestelde Kerk".
Het is echter jammer, dat we omtrent een welgestelde kerk weinig te horen krijgen. Art. 2 vraagt te erkennen, "dat in een welgestelde kerk de belijdenis van kracht is, omdat ze met de Heilige Schrift in overeenstemming is". Helaas komen we niet te horen, wat dit eigenlijk betekent, dat de belijdenis van kracht is.
Mogen we deze uitdrukking nemen in de zin van vigeert, zoals we dat van een wet zeggen, die van kracht is? Waarschijnhjk niet, want men is in de kringen van de CV. vreselijk bang voor een wettisch gebruik van de confesssie. Waarom eigenlijk?
Wellicht mogen wij voor dat „van kracht zijn" lezen functioneren, want ds. L. gaat onmiddellijk over op de kerk onder de bestuursorganisatie van de „allesbehalve welgestelde kerk", die 't „normaal functioneren" onmogelijk maakte. Duidelijk is dit ook nog niet, want we blijven in het onzekere, of hier het normaal functioneren van de kerk, of van de belijdenis, of van beide wordt bedoeld. Blijft ook dan nog de vraag, wat onder „normaal functioneren" verstaan wordt. Iets verder lezen wij, dat het in die tijd (onder de bestuursorganisatie) naar het gevoelen van ds. L. uitgesloten was „om de belijdenis behoorlijk tot haar recht te doen komen".
Wij vragen alweer, wat bedoelt schrijver daarmede, dat de belijdenis behoorlijk tot haar recht komt?
Wij menen wel te kunnen zeggen, wat wij daaronder zouden willen verstaan, maar we zouden gaarne weten, hoe de CV. dat zich voorstelt. Want als ds. L. zijn lezers nog eens weer aan de bekende uitroep van dr. Hoedemaker herinnert, onder mededeling, dat hij daarvoor begrip heeft: „God beware ons voor een rechtzinnige synode", moge daaruit blijken, dat er althans bij hem vrees was, dat een orthodoxe synode mogelijk „de belijdenis zou gaan gebruiken als middel om al wat niet precies paste in de kerk er uit te gooien".
Zou die vrees bij de CV. nog altijd heersen?
Men zou haast geneigd zijn te onderstellen, dat de woorden „als middel om al wat niet precies paste in de kerk er uit te gooien", een omschrijving willen geven van wat de CV. onder „wettisch" gebruik der belijdenis meent te mogen verstaan. Wij hopen de CV. geen onrecht te doen, doch dat zou toch een averechtse opvatting wezen.
Bovendien: „wat niet precies in de kerk paste", is heus veel te veel gevergd. Zouden we reeds niet heel dankbaar zijn, als van de kansel werd geweerd, wat daar niet behoort geduld te worden?
Is de kerk nu welgesteld?
Het antwoord op deze vraag door ds. L. gegeven klinkt ons bovenmate optimistisch: „Men zou nu kunnen zeggen, dat de invoering van de nieuwe kerkorde van 1951 aan al dat verdorvene en verwordene een einde heeft gemaakt en dat onze Hervormde Kerk nu inderdaad weer ten volle de naam van kerk verdient". (Cursivering van mij, S.).
Wij krijgen de indruk, dat de voorzitter van de CV. dat althans tot op zekere hoogte ernstig meent. Hij ziet n.l. op de reorganisatie. „Inderdaad is met deze kerkorde een lang nagestreefd doel der Conf. Ver. bereikt en wij zijn daarvoor zeer dankbaar geweest", — dan echter wordt er aan toegevoegd: „maar toch is dit nog maar het minst belangrijke deel van onze begeerten".
Dit laatste brengt ons weer wat dichter bij elkander. Luister maar: „Immers is elke organisatie slechts een kleed, waarin de kerk naar buiten treedt, maar het eigenhjke leven der kerk is haar leven uit haar belijdenis en het getuigenis, dat van haar uitgaat in deze wereld".
Ds. L. zegt verder, „dat onze kerk nog maar aan het begin staat van haar herstel: zij is aan de beterende hand, maar nog op geen stukken na een kerk, zoals zij zijn moet naar goddelijk recht".
Eerlijk gezegd kunnen wij niet zien, dat de kerk aan de beterende hand is. De tekenen zijn er niet naar.
Spreekt ds. L. niet van goddelijk recht?
„Het wil mij voorkomen", zegt hij, „dat vele mensen inderdaad gedacht hebben, dat met de invoering van de nieuwe kerkorde in eens alle gebreken der kerk zouden verdwijnen, terwijl de waarheid juist is, dat deze verandering van organisatie aan het licht zou brengen, hoe ziek de kerk in de loop der jaren geworden was".
Wij hebben niet tot de vele mensen behoord, die gedacht hebben, dat met de invoering van de nieuwe kerkorde in eens alle grote gebreken van de kerk zouden verdwijnen.
Integendeel, van de te vroeg vervangen werkorde hadden wij meer verwachting dan van deze kerkorde. Het was ons een grote teleurstelling, dat zij in deze vorm uit de kerk is gekomen. Op zich zelf was dat een veeg teken.
„De reorganisatie is geslaagd, maar de daarop volgende reformatie laat nog op zich wachten", schrijft ds. L.
Ziedaar ons bezwaar. De reformatie had voorop dienen te gaan. Vandaar, dat wij de werkorde een langer leven hadden gegund, omdat deze veel beter geschikt was om te reformeren dan de kerkorde, met zijn veel te nauwkeurig omschreven ordinantiën. Een kerk, die zo zeer reformatie behoeft als de onze, moet men niet tot in alle gebeurlijkheden binden door wettelijke bepalingen, welke bovendien werden geïnspireerd door een kerkbegrip, dat met het wezen der kerk in strijd is.
„Er is in heel onze kerk" schrijft ds. L. "geen enkele groep, die waarlijk naar de Schrift en de belijdenis leeft en wat het ergste is: daaraan zelfs ontdekt is".
En nu komt het: „Daarenboven ontbreekt bij zeer velen alle inzicht in de rechte verhouding tussen Schrift en belijdenis".
Wij vernemen gaarne, hoe die rechte verhouding dan gezien moet worden: „Van de confessie terug naar het Woord" heet het dan. „Zo alleen kan men bewaard blijven voor een kerk met een belijdenis en waarlijk komen tot een belijdende kerk. Maar dat sluit in zich, dat wij na meer dan drie eeuwen van kerkelijk zwijgen op het gebied van het belijden voortdurend op onze hoede moeten zijn met een ander tot ketter of ongelovige te stempelen".
Het zou ons niet verwonderen, als velen, die dit lezen, de draad kwijt raken.
Heeft de belijdenis der vaderen nog enige andere dan historische betekenis voor de C.V.?
Was de vaderlandse kerk in de dagen van levend belijden van haar belijdenis een welgestelde kerk? Was haar belijdenis toen in overeenstemming met de Heilige Schrift? (Vgl. Art. 2 van de statuten der C.V.). En is die belijdenis, welke de kerk nog heeft, vandaag niet meer in overeenstemming met de Heilige Schrift?
Indien ja, dan zijn wij een kerk met een belijdenis, welke in overeenstemming is met de Heilige Schrift. Hoe kan ds. L. dan zeggen, dat we daarvoor bewaard moeten blijven?
Indien neen, wat is er dan sedert veranderd, dat de belijdenis niet meer zou overeenstemmen met de Heilige Schrift? Is de Schrift veranderd, de Heilige Geest, het geloof?
Dr. Hoedemaker is niet altijd duidelijk, maar, voor zover mij bekend, heeft hij zoiets toch niet beweerd en dat kunnen wij van ds. L. ook niet aannemen.
Of bedoelt hij eigenlijk, dat we maar moeten doen, alsof de kerk geen belijdenis heeft. Dat echter valt weer niet te rijmen met artikel X van de kerkorde: in gemeenschap met de belijdenis der vaderen. De opstellers van dit artikel hebben zulk een „alsof' niet bedoeld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's