Tot op deze dag
7 (vervolg)
Maar o, wat zijn er onder de mannen en door de mannen al een vergissingen begaan. Velen hadden dan beter wat anders kunnen worden.
Een waarachtige roeping van God wordt door die mens bij tijden ook beleefd. De Heere heeft ons somtijds al lang het antwoord gegeven. Maar het kan gebeuren, dat wij het ons zelf nog niet durven bekennen. Vaak wordt het ons na jaren uit veel dingen pas duidelijk, dat het inderdaad Gods bedoeling met ons was, dat wij predikant zouden worden. De Heere geeft ons dan een overzicht over ons leven. Dan zien wij wel eens, dat die begeerte naar het ambt niet uit ons zelf voortkwam, maar door de Heere ons in het hart was gelegd.
En dat kan ons dan onuitsprekelijk vertroosten en sterken.
Want het kon ons wel eens benauwd te moede worden bij de gedachte, dat vleselijke begeerten ons ook niet vreemd waren. Onze hoogmoedsgedachten vlogen ons in het gezicht. Dan kwam satan er bij en fluisterde in ons oor: Een mooie dominee, die gaarne nummer één is en zo geflatteerd zich voelt met een kerk vol mensen.
Maar als wij dan daardoor werden neergedrukt en het voor Zijn Aangezicht neerlegden, deed Hij het ons verstaan, dat de eigenlijke begeerte naar het Ambt wel uit Hem voortkwam. Dat was ons dan genoeg en wij konden weer verder.
De Heere schenkt ons persoonlijk later wel meer bewijzen. Zeker, er waren tijden van dorheid en lusteloosheid. Het kon gebeuren, wanneer wij zelf op de kansel stonden en ons oog viel op de mensen, die daar zo rustig zaten te luisteren, dat ons plotseling het verlangen aangreep, om daar zelf ook met hen in de banken te zitten en nu eens niets te zeggen, maar ook te zwijgen en te luisteren. Dan voelden wij ons ineens uitgepreekt. Wij waren dor en leeg en vergaten onze roeping totaal.
Later heeft het ons meermalen verwonderd, dat de Heere ons desondanks niet afgedankt heeft.
Er waren ook tijden, waarin het mij neerboog, dat alles bleef, wat het was. Ik had mijzelf ingedeeld bij de ploegers op rotsen. Weer vatte ik dan mijn roeping verkeerd. Ik liep weer dwaas vooruit en ging aan het balans opmaken. Ik wilde zelf vóór de Heere uit maaien, terwijl de opdracht luidde: Niet, dat ik maaien, maar zaaien zou.
Maar o de tijden, die daar tegenover stonden! Wanneer wij in Gods huis bijeen waren en het machtig Psalmgezang door de gewelven klonk. Wanneer het zo stil was onder de prediking en men de mensen kon zien luisteren. Wanneer er waren, die u later vertelden, getroffen te zijn onder het woord. Kortom, wanneer de Geest des Heeren aanwezig was!
Laat niemand mij vertellen, dat een preek het ook niet meer doet. Of als een zieke u zo dankbaar aan kon zien en onder tranen vertellen, dat gij voor hem of voor haar een middel waart in Gods hand. Voortreffelijk is dat ambt! Zó zelfs, dat, wanneer die Evangeliedienaren hun leven tweemaal leven konden en men hun voor de tweede maal zou vragen, wat zij wilden worden, zij zouden zeggen en bidden: „Heere, geef mij weer dat ambt en laat mij het uit Uwe hand ontvangen!"
Deze dingen vertellen wij dan niet, om het voor iedereen uit te bazuinen, dat wij geroepen waren, want wij zij geen verantwoording schuldig aan mensen; maar wel om het voor waarlijk belangstellende mensen nu ook niet te verbergen: Wie de Heere roept, die roept Hij goed en duidelijk en Hij geeft er ook de gaven bij.
Tot alle anderen, die naar onze roeping informeren, zou ik willen zeggen: U vraagt naar de onze en zegt: „Het ambt van Dienaar des Woords is zwaar en gewichtig". Helpt u dan mee, door ons op te dragen in het gebed?
En tenslotte: Hoe staat het met uw eigen roeping? U hebt ze toch ook uit 's Heeren hand ontvangen. Weet u werkelijk goed, wat u wilt? Mensen van twaalf ambachten en dertien ongelukken zijn te beklagen. Ieder mens heeft zijn taak te aanvaarden uit 's Heeren hand. Als wij zó leren wandelen en werken voor Gods Aangezicht, dan kan zelfs het eenvoudigste ambacht gewichtig worden in onze ogen.
Onze Koningin Juliana is, zó luidt het officieel, bij de gratie Gods Koningin der Nederlanden. Laten ook wij beseffen in ons eenvoudigste werk, dat wij zonder de gratie Gods niets zijn en ook geen blij vooruitzicht hebben.
Hoe was uw roeping? Algemeen of bijzonder? Daar weet ik niet van; maar mij is 't een wonder. God roept mij iedere dag tót het werk. Nu weer eens in, dan weer buiten de kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's