De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een kerkordelijk verantwoorde beslissing

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een kerkordelijk verantwoorde beslissing

11 minuten leestijd

De zaak prof. Smits

De publikaties in de kerkelijke pers over het besluit van de commissie voor het opzicht uit de provinciale kerkvergadering van Zuid-Holland om Prof. Dr, P, Smits „te ontzetten uit het ambt, waarmede hij als predikant met de bevoegdheden als van een emeritus geacht moet worden te zijn bekleed, zodat hij zijn emeritaatsrechten verliest" blijven aanhouden. En wat daarbij opvalt, is, dat deze publikaties vrijwel alle tot de conclusie komen, dat de uitspraak ten onrechte is geschied. En het tweede, dat opvalt, is, dat het oordeel dan meestal tevens is, dat de uitspraak op formele gronden onjuist is.

Door dit alles wordt de indruk gewekt, alsof een geheel onbekwame commissie nu eens „flink" heeft willen doen, en met alle geweld een „slachtoffer" heeft willen maken en er daarom, met volkomen verkrachting van alle regels van kerkrecht, maar eens op in gehakt heeft. Die indruk vindt men b.v. terug in een artikel, dat ik las in het „Utrechtsch Nieuwsblad" van 28 december 1959 en dat ik daarvan een typisch voorbeeld vind. In dat artikel staan uitspraken als: de hervormde kerk zit „in grote verlegenheid", tot in „de hoogste regionen van de kerk"; de vraag is „of de gevolgde procedure juist is"; een vraag „die zo langzamerhand van links tot rechts scherp ontkennend beantwoord wordt"; de officiële bladen van de hervormde kerk „bewaren, in kennelijke verlegenheid, het diepste stilzwijgen". En de titel boven het artikel roept uit: „Ontstemming is algemeen". Afgaande op de teneur der meeste commentaren kan men wel zeggen, dat deze beschrijving de algemene indruk zoal niet geheel weergeeft, dan toch wel aardig benadert. Bij een zo grote mate van overeenstemming moeten er in de gronden, waarop de commissie heeft gesteund, toch op z'n best nog wel zoveel dubieuze en aanvechtbare punten zitten, dat het wel zeer onverantwoordelijk geacht moet worden om daarop een zo ingrijpende tuchtrechterlijke beslissing te baseren!

Deze conclusie prikkelt ertoe het eigen oordeel niet zonder meer aan dat van anderen te ontlenen, maar zelf „tot de bronnen" te gaan. Dat zijn dan vooral de kerkorde en de uitspraak der commissie. De redactie van het Weekblad voor Vrijzinnig-Protestanten „Kerk en Wereld" heeft daarbij zeer gewaardeerde diensten bewezen, door in een speciaal „Leertuchtnummer" de uitspraak der commissie in extenso op te nemen. In dit nummer werd ook het vaak aangehaalde artikel, dat Prof. Dr. G. P. van Itterzon schreef in „De Gereformeerde Kerk", opnieuw afgedrukt.

Het is mijn bedoeling hieronder het resultaat van die studie weer te geven. Daarbij heb ik mij - het zij ter voorko­ming van alle misverstand vooropgesteld - bepaald tot de formele kant van de zaak, de vraag dus of de kerkorde al dan niet terecht is toegepast. Op de materiële kant van de zaak, dus de vraag of de uitspraken van Prof. Smits 'n maatregel van tucht rechtvaardigen, ga ik niet in.

Mijn oordeel, na bestudering van de betrekkelijke artikelen van de kerkorde en de over de zaak-Smits gepubliceerde stukken, is, dat door de commissie voor het opzicht uit de P.K. van Zuid-Holland op kerkrechtelijk volstrekt verantwoorde en juiste wijze is gehandeld.

Verbazingwekkend moet ik dan ook wel noemen de stelligheid, waarmede in kerkelijke commentaren anders wordt geoordeeld. Maar tegelijkertijd rijst dan de vraag, of men soms maar op gezag van anderen oordeelt, zonder zelf van de stukken behoorlijk kennis te nemen. Dat blijkt b.v. uit het steeds weer als bewijs aanvoeren van het artikel van Prof. van Itterzon. Zo las ik b.v. in „Hervormd Utrecht" van 8 januari 1960 in een artikel van Ds. M. Groenenberg over deze zaak: „Als ik het goed zie, zijn hier grote fouten gemaakt. Dat zegt b.v. de kenner van het kerkrecht. Prof. Dr. G. P. van Itterzon. Prof. Smits is dadelijk in hoger beroep gegaan en deze uitspraak zal dus wel vernietigd worden". En Ds. Groenenberg is niet de enige, die zo schrijft.

Maar wie nu het artikel van Prof. van Itterzon zelf leest, vindt het met zo grote stelligheid geciteerde gezaghebbende oordeel daarin niet terug! En dat is dan toch wel met recht een hoogst bedenkelijke en onverantwoordelijke zaak, wanneer een rechtsprekend kerkelijk college van misbruik van rechtsregels wordt beschuldigd, zonder dat de beschuldiger zelf de juistheid van zijn beschuldigingen heeft nagegaan! Zelfs wordt zo de indruk gevestigd, alsof menigeen, die voor de opvattingen van Prof. Smits niet gaarne ruimte in de Kerk zou willen of durven opeisen, zó blij is met de vondst van formele fouten, dat hij dit wat al te gretig aangrijpt om langs deze weg een effectief „weren van hetgeen het belijden weerspreekt" te voorkomen.

Tegen de beslissing van de commissie worden voornamelijk twee verschillende bezwaren van formele aard ingebracht.

De één zegt: ontneming van emeritusrechten langs de weg van ordinantie 11 (zoals de commissie deed) is niet mogelijk. Dat kan alleen langs de weg van ordinantie 13, en dan is niet de commissie uit de P.K. bevoegd, maar het breedmoderamen van de generale synode.

De ander zegt: neen, ordinantie 11 is wel van toepassing, maar daaruit niet hoofdstuk II en III (waarop de commissie zich baseert), maar hoofdstuk IV, en dat schrijft een geheel andere procedure voor.

Beide opvattingen willen wij toetsen aan de kerkorde.

Ordinantie 11 of ordinantie 13?

Het eerste, dat bij vergelijking van ordinantie 11 met ordinantie 13 de aandacht trekt, is, dat ordinantie 11 handelt over „het opzicht" en ordinantie 13 over „het pastoraat". Dat is niet zonder betekenis. Integendeel. Deze indeling brengt mede, dat bepalingen over het opzicht in ordinantie 11 te zoeken zijn, terwijl bepalingen uit ordinantie 13 allereerst, zo niet uitsluitend, gelezen dienen te worden in hun betekenis voor het pastoraat. De ordinantie, waarin een bepaling voorkomt, is voor de interpretatie van grote betekenis. Al diegenen, die met een beroep op ord. 13.29.5 eenvoudig stellen, dat het breed-moderamen van de generale synode hier „de enig-bevoegde instantie" is (zo b.v. Ds. M. Groenenberg in zijn eerder aangehaald artikel in „Hervormd Utrecht"), hadden zich daarvan toch wel wat meel rekenschap mogen geven.

Is het dus om redenen van methodiek al waarschijnlijk, dat bepalingen van tucht in ord. 11 te zoeken zijn, men zou kunnen twijfelen, wanneer hij, die de rechten van emeritus heeft, in deze ordinantie tevergeefs zou worden gezocht. Doch zo is het niet. Hij wordt in 11.5.2 met name genoemd, èn het opzicht over hem wordt daar opgedragen aan de provinciale kerkvergadering, namens wie het blijkend het daarop volgende lid wordt uitgeoefend door een commissie van opzicht uit de P.K.

Het wordt nu toch wel heel onaannemelijk, dat de kerkorde zou hebben bedoeld het opzicht over één bepaalde categorie (hoewel ook deze in ord. 11 is genoemd) bij wijze van uitzondering in de ordinantie over het pastoraat te regelen. En dat in een bijzin van één der leden van één der veertig artikelen van deze over een ander onderwerp (n.l. het pastoraat) handelende ordinantie! Het is toch ondenkbaar, dat de kerkorde zou hebben bedoeld, dat tegen de van het ambt onthevene met emeritus bevoegdheden alleen maar meer zou kunnen worden geageerd met het weer intrekken der verleende bevoegdheden, maar dat alle anderen onder ord. 11 zouden vallen! Dat had er dan toch op z'n minst wel met zoveel woorden uitdrukkelijk bij vermeld mogen worden.

Ordinantie 13.29, dat handelt over de „ontheffing uit het ambt op eigen verzoek", bepaalt in lid 5, dat het breedmoderamen der generale synode aan degene, die aldus eervol van zijn ambt is ontheven, de bevoegheden als van een emeritus-predikant kan verlenen. Deze bevoegdheden kunnen hem door dezelfde instantie weer worden ontnomen „indien het voortduren daarvan niet strookt met de waardigheid of de belangen der Kerk".

In het boven aangehaalde „leertuchtnummer" van „Kerk en Wereld" schrijft nu Mr. A. Mulder: „De gronden, waarop de bevoegdheden van de predikant kunnen worden ingetrokken, wijzen erop, dat men aan een zekere vorm van tuchtiging heeft gedacht".

Is dat zo? Het verband, waarin deze bepaling voorkomt, wijst er veeleer op, dat aan iets anders dan aan een vorm van „tuchtiging" moet worden gedacht (nl. pastoraat). Het vermelden van degene, die de rechten als van een emeritus heeft, in de ordinantie, die over het opzicht handelt (11), versterkt het vermoeden, dat in ord. 13 juist aan iets anders dan aan een tuchtbepaling gedacht moet worden.

Zo vreemd is dat helemaal niet. In ordinantie 13 komt herhaaldelijk een soortgelijke term voor (13.30.10; 13.34.3; 13.37.14; 13.38.5) zonder dat daarbij van tuchtrecht sprake is. Een wel heel sprekend voorbeeld in dit verband is ordinantie 13.37.11, dat met zoveel woorden spreekt van ontheffing „om andere redenen dan die welke zouden leiden tot het toepassen van een bijzonder middel ter handhaving van de kerkelijke tucht".

Alles wijst er dus op, dat met het intrekken der bevoegdheden wegens „de waardigheid of de belangen der Kerk" aan iets anders moet worden gedacht dan aan tuchtoefening over de eervol van zijn ambt onthevene. Welnu, dat is helemaal niet zo moeilijk. Denk b.v. eens aan de mogelijkheid, dat de betrokkene de controle over zijn geestesvermogens verliest. Dat is geen grond tot tuchtoefening, maar het zou toch bepaald met de waardigheid der Kerk in strijd zijn, wanneer hij zijn bevoegdheden van emeritus zou behouden. Of denk eens aan een situatie, waarin er een overschot aan „preekbevoegden" zou zijn, waardoor op de „preekbeurtenmarkt" (ik bedoel hier niets onvriendelijks mede, ik gebruik het woord puur als economisch begrip) het evenwicht tussen „vraag" en „aanbod" geheel zou worden verstoord. Dat levert geen grond op tot individuele tuchtoefening, maar de belangen der Kerk zouden dan toch wel eens kunnen medebrengen, dat aan bepaalde categorieën die bevoegdheid wordt ontnomen. Daarvoor nu geeft ord. 13.29.5 een uitweg.

Daarbij past geheel, dat de in ordinantie 13.29.5 voorkomende gronden zo zorgvuldig objectief zijn geformuleerd. Tuchtoefening is sterk subjectief. De in ord. 13.29.5 genoemde gronden („de waardigheid of de belangen der Kerk") zijn daarentegen geheel van de persoon losgemaakt en geobjectiveerd.

Dat die ontneming dan geschiedt door dezelfde instantie, die de bevoegdheden verleende, lijkt mij heel voor de hand liggend. Daarmede wordt de betrokkene, voor wat het opzicht betreft, helemaal niet aan de jurisdictie van de provinciale kerkvergadering onttrokken.

Het gaat immers in ordinantie 13.29 over de ontheffing uit het ambt. Lid 5 van dit artikel heeft m.i. nu deze betekenis, dat het breed-moderamen der generale synode de mogelijkheid heeft aan deze ontheffing slechts beperkte gevolgen te verbinden. Met andere woorden: ondanks het terugtreden als dienstdoend predikant en ondanks de ontheffing uit het ambt, blijft het ambt en blijven de ambtelijke  bevoegdheden toch nog in beperkte mate voortduren. Wie nimmer het ambt heeft bekleed, zou die bevoegdheden nooit kunnen bezitten. Zij zijn dus duidelijk aan het ambt (zij het een eertijds bekleed ambt) gebonden. En het is volkomen logisch en reëel, dat — naast de mogelijkheid van het breedmoderamen van de generale synode om op de gronden van ord. 13.29.5 de verleende bevoegdheden weer in te trekken — de instantie, die het opzicht houdt over hem, die de rechten als van een emeritus bezit (11.5.2), op haar regarderende gronden deze „quasi-ambtsdrager" uit zijn beperkt voortdurende ambtelijke bevoegdheden kan ontzetten, zoals zij ook uit het ambt zelf kan ontzetten (11.6.1.5).

Tenslotte is er nog een belangrijke reden, waarom in ord. 13.29.5 geen bepaling van tucht mag worden gezien. Bij tuchtoefening behoort nl. een procedure-regeling, maar in ord. 13 ontbreekt ook maar de meest summiere procedureregeling, Iedere waarborg voor een behoorlijke rechtsgang ontbreekt. Tucht op grond van ord. 13.29.5 zou zijn een „veroordeling zonder enige vorm van proces".

Ord. 11 daarentegen geeft uitvoerige procedure-regels, zoals bij tucht ook past. Terecht worden voor een tucht-procedure waarborgen verlangd. Ord. 11 geeft die uitvoerig, ord. 13 in het geheel niet. Ook het belang van de betrokkene wijst dus uitdrukkelijk naar ord. 11.

Wij concluderen dus:

1. Een bepaling van tucht hoort systematisch thuis in ord. 11.

2. Ord. 11 noemt degene, die de rechten als van een emeritus heeft, met name. Het opzicht over hem wordt daarin opgedragen aan een commissie uit de P.K.

3. De in ord. 13.29.5 genoemde gronden zijn andere dan die, welke aanleiding kunnen geven tot tuchtoefening.

4. In ord. 13 ontbreekt een procedureregeling, die voor een bepaling van tucht een noodzakelijke vereiste is.

5. De bevoegdheid tot het houden van opzicht over degene, die de rechten als van een emeritus bezit, berust bij een oommissie uit de P.K.

Er zijn anderen, die erkennen, dat ook degene, aan wie de rechten van emeritus zijn verleend, valt onder het in ordinantie 11 geregelde opzicht, óók voor wat betreft de mogelijkheid tot het ontnemen van zijn emeritusbevoegdheden. Echter, zo stellen zij, dat geldt niet hoofdstuk II, maar hoofdstuk IV. Daarover echter volgende week in een tweede en laatste artikel.

(Utrecht)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Een kerkordelijk verantwoorde beslissing

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's