Legitiem confessioneel?
III
Ds. L. vangt aan met het bekende refrein: „niet de partij, maar de kerk". Inderdaad wordt dat „uit den treure" verzekerd in de CV. Het is echter zeer begrijpelijk, dat ook mensen in de CV. „veel aantrekkelijks" in de partij zien en terecht haalt ds. L. de evangelisaties als voorbeeld aan. Die gaan trouwens in het partijleven nog al ver, of zijn het niet de z.g. confessionele evangelisaties, die het er op aan gestuurd hebben zich in een scheur- of partijkerkje te kunnen onttrekken aan de pastorale zorg van de legitieme plaatselijke kerkeraad, hoewel men niet kon beweren, dat de geestelijke verzorging van deze in strijd was met de confessie.
Desniettemin schrijft ds. L.: „na de invoering van de nieuwe kerkorde ontbreekt ons alle voorwendsel als partij op te treden".
Wij willen niet onbillijk zijn, alsof de CV. verantwoordelijk kan gesteld worden voor wat de bovengenoemde evangehsaties gedreven hebben, doch zij heeft zich er niet tegen verzet. En het was toch onder de nieuwe kerkorde.
Wij vragen ons slechts af, hoe men de leuze: „geen partij, maar de kerk" kan verheffen en volhouden, als men een Confessionele Vereniging opricht en in stand houdt met statuten en een orgaan, welke zich toch als zodanig niet als de kerk kan laten gelden.
„Wat is de remedie", vraagt ds. L. en zijn antwoord luidt: „ootmoedig besef van eigen schuld."
Het schijnt, dat hij daarbij alle „orthodoxen" op het oog heeft, die naar hij beweert „heel gemakkelijk schuld belijden en eigen zonde erkennen, maar zich van hunne kerkelijke zonde totaal niet bewust zijn".
Wij scharen ons gaarne onder de orthodoxen, zodat wij hier hebben mede te luisteren naar wat ds. L. hieromtrent nader opmerkt:
„Onze beginselen", zo zegt hij, „zijn immers goed, wij zijn verdedigers van de Waarheid, de anderen zijn allen afgeweken en hoog van de toren veroordelen wij allen, die niet tot de onzen kunnen gerekend worden. Juist deze gedachten en overtuigingen zijn de grote ellende in het hele kerkelijke leven; juist hierom is er zo weinig toenadering, wil men zelfs niet een klein beetje de ander tegemoetkomen".
En dan komt het: op de Veluwe, in vrijzinnige gemeenten, in gemeenten van confessionele signatuur, het kwaad zit overal.
Dat is ook zo. Het zit overal. En waarom? Omdat het geloof in gemeenschap met de belijdenis der vaderen niet overal zit, en de gelding van deze belijdenis openlijk wordt weersproken of metterdaad ontkend.
Volkomen terecht zegt ds. L., dat eigengereidheid en eigenwijsheid de grote troeven van satan zijn om de Kerk te bederven. Want wat is het anders dan eigengereidheid een stem in het kapittel te willen hebben, als men met de belijdenis overhoop ligt en het goddelijk gezag der Heilige Schrift niet ernstig neemt? Dat zijn wij wel eens, maar met de raad van ds. L. om uit deze hopeloze situatie uit te komen, zijn wij het ten enenmale niet eens. Hoor, wat hij zegt, of liever. Hoedemaker laat zeggen: „Wij moeten niemand zoeken te verdringen of te verdrijven, maar eenvoudig teruggaan naar het begin van de weg, waarvan het einde zal zijn de belijdende Kerk, die als uitdrukking van haar eenheid haar belijdenis heeft, maar die belijdenis onderzocht, gehandhaafd, vernieuwd, ja dan alleen is er hoop voor Nederland"
Over de belijdenis hebben we de vorige keer reeds gevraagd: Was de belijdenis der vaderen in overeenstemming met de Heilige Schrift? Is ze dat dan nu niet meer? Waarvoor en waarom is die vernieuwing nodig?
Wij hebben een staaltje van een hernieuwde belijdenis in „Fundamenten en Perspectieven". Daarin mist men — om deze allerfundamenteelste zaak maar te noemen — een belijdenis aangaande de Heilige Schrift. Evenals de later verschenen „Leer aangaande de Heilige Schrift", kan deze proef van hernieuwd belijden geen aanbeveling zijn voor verdere vernieuwing. Ik geef dr. Von Meyenfeldt gelijk, die opmerkt, dat goede belijdenissen niet verouderen. (Kerkelijk Vooruitzicht, blz. 107.)
Als men beginnen moet met dergelijke vernieuwingen zal men aan het voorgestelde einde, de „belijdende kerk", niet komen. Een conglomeraat van meningen en opvattingen, waarin men het zelfs over het goddelijk gezag der Heilige Schrift niet eens is, moet van de belijdenis afblijven.
„Wij moeten niemand zoeken te verdringen" zegt Hoedemaker, en ds. L. eindigt dit artikel in Hervormd Weekblad, d.d. 24-9-'59, met de vraag: „Wie moeten er uit? "
Het lijkt ons een zwak teken, als deze gedachte: wie moeten er uit? zo vooraan ligt bij de CV.
Inderdaad is het nieuwe-koers-kerkbegrip en kerkdrijven, radicaal in strijd met wat de confessie aangaande de kerk leert. Dat is een belangrijk punt. Wij kunnen begrijpen, dat het niet gemakkelijk is op een theologisch kompas te varen, dat zo grondig afwijkt van wat de grote mannen der Reformatie geleerd en beleden hebben.
Maar wij zien toch het begin waarlijk niet in de uitbanning van alle ketters. Immers jaagt men een heiden niet weg uit de kerk, tenzij hij zijn heidendom propageert. Neen, naar de ketterijen moeten van de kansel worden geweerd, zij moeten uit de regering der kerk, uit de raden en commissies, — welke steunpilaren voor het zoeven gewraakte kerkbegrip wij intussen wel helemaal kunnen missen — en uit de kerkelijke pers. Het zou reeds een goed begin zijn, als met de handhaving van de meest fundamentele stukken der belijdenis werd aangevangen. Dat zou werkelijk reeds een principiële wijziging van de huidige gang van zaken betekenen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's