De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

De wijze bouwer

8 minuten leestijd

Matth. 7 : 24. Een iegelijk dan, die deze Mijn woorden hoort en dezelve doet, die zal Ik vergelijken hij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft.

Het komt volgens de Heere Jezus aan op een horen en doen van Zijn woorden. Die woorden zijn in 't verband van onze tekst het gebod Gods over het ganse leven. In Matth. 5 : 17 zegt Hij: „Meent niet, dat Ik gekomen ben om de Wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om die te ontbinden, maar te vervullen". Het gebod Gods, door de Wet en de profeten geleerd, komt Hij in zijn volle scherpte en diepte naar voren te brengen.

We moeten niet menen, dat het Evangelie van Gods genade de opheffing van Gods geboden inhoudt. Integendeel. Ook de apostel Paulus, die eerst scherpelijk in Rom. 3 de rechtvaardiging door het geloof zonder de werken der Wet leert, eindigt dit hoofdstuk met te vragen: „Doen wij dan de Wet te niet door het geloof? " Beslist is zijn antwoord: „Dat zij verre, maar wij bevestigen de Wet".

Wee degenen, die zichzelven vleien met de gedachte, dat een wandel in verachting van Gods gebod gepaard kan gaan met een ingaan in het Koninkrijk der hemelen. Nadrukkelijk zegt de Heere Jezus in vers 21 van ons teksthoofdstuk: „Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet de wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is".

Volbrengen wij Gods gebod? Gods Woord zegt duidelijk, dat we in de dag des gerichts niet zullen kunnen volstaan met de belijdenis, dat we Gods geboden met gedachten, woorden en werken overtreden.

Hoe moet en kan echter Gods gebod volbracht worden? Dit leert ons de Heere in het beeld van de wijze bouwer.

Allereerst is op te merken, dat de man in de gelijkenis niet meteen kon beginnen aan het optrekken van het huis. Voordat hij naar boven kon, moest hij eerst graven in de diepte. In Lucas 6 : 48 lezen we van deze zelfde man: „Hij is gelijk een mens, die een huis bouwde, en groef, en verdiepte, en legde het fundament op een steenrots".

Hierin verschilde hij met die dwaze bouwer, die zijn huis zo maar op het zand begon te bouwen, zonder eerst te gaan graven.

Voor het oog scheen in de tijd van het bouwen de wijze bouwer dwaas en de dwaze bouwer wijs. Immers, het gele zand aan de oppervlakte was in de droge tijd, die duurt van april tot begin november, hard en vast. Het leek op het eerste gezicht zeer betrouwbaar. Wanneer men de oneffenheden aan de oppervlakte wat gelijk maakte, kon zo het gebouw worden opgetrokken. '

Welk een zwaar werk was het, om in de hete tijd te gaan hakken en graven in het harde zand! Onoogelijk ging het terrein er uitzien, toen met houweel en spade de grond werd losgewoeld.

Is dat nog niet zo, waar de arbeid geboren wordt om Gods geboden te volbrengen? Eerst wordt het hart doorwoeld met de ploegschaar van Gods heilige Wet. Niet alleen komt die Wet tegen ruwe oneffenheden, in het overtuigen van schuld in de uitbrekende zonden, maar ook in het overtuigen van het onnut zijn van alle eigen gerechtigheden uit het vlees.

Naarmate men dieper afdaalt, wordt het steeds moeilijker. De uitwendige zonden laten en het uitwendige leven reformeren, dat gaat nog. Maar nu het harde hart veranderen! Wie zal iets reins kunnen voortbrengen uit het hart, dat uit zijn diepste diepte vijandschap tegen God en tegen de naaste opwelt!

Wat geeft dat een strijd, om het te leren beamen, dat uit ons, dat is uit ons vlees, geen vrucht kan voortkomen in der eeuwigheid! De Heere Jezus heeft niet voor niets gezegd: Strijdt om in te gaan. Eng is de poort en nauw is de weg, die ten leven leidt".

De dwaze bouwer bespot die wijze, die zich aftobt in het graven. Hij zit al rustig te genieten, terwijl de andere met stof en vuil bedekt, zich afslooft.

Komt niet de spot en vijandschap van de zijde van de natuurlijke mens, die in een godsdienst uit het vlees rust gevonden heeft? Zou zulk een tobben en zuchten wel nodig zijn? 't Is immers alles al volbracht? Jezus Christus is immers het Fundament?

Inderdaad, het Fundament ligt er. Die rots was er al. Maar hoe zijn we er gekomen. Hebben we al het zand maar laten zitten en vertrouwen we zo op de Rots, die onder het zand hgt? 't Zal niet baten. We zullen worden weggesleurd, wanneer de stormen en regens en watervloeden komen in de dag des gerichts.

Maar laat ons terugkeren tot hem, die daar graaft en verdiept. Hij wil de weg vinden tot het doen van Gods geboden. Hij zoekt geborgen te zijn voor de dag des gerichts. Hij zoekt vrede met God, verzoening met de Heere. Dit weet hij, dat de dag komt, dat hij rekenschap moet afleggen van zijn leven. Enerzijds is daar de vrees voor het oordeel. Anderzijds is daar de begeerte om in de liefdedienst van God te mogen zijn, om gemeenschap met Hem te hebben.

Kent ge de kracht van Gods Woord, dat overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel? 't Wordt steeds hopelozer. Van klacht tot klacht gaat het voort. En het ergste wordt het, als de Geest des Heeren ontdekt, dat er geen plaats voor Christus is in het natuurlijk hart. Dan weet ge niet, wie Hij is, wat gij met Hem doen moet. Het Fundament ligt zo verborgen.

Bij die laatste arbeid hebben de discipelen geweend en geklaagd. Juist voordat zij onverbrekelijk met dat Fundament verenigd zouden worden, was het voor hen het moeilijkste. Toen de Heere Jezus gekruisigd was, zaten zij moedeloos neer, terwijl Israël feest vierde, het feest van Pascha. Zij waren blij op het feest, dat het teken van de gekruisigde Christus tot middelpunt had, terwijl de discipelen bedroefd waren.

Weet ge, hoe die arbeid alleen maar verricht kan worden? Door het geloof, dat de Heilige Geest werkt, Die overtuigt van zonde en schuld. In het ontdekken van de zonde komt toch Gods Geest ook Gods goedertierenheid te ontdekken. Wat kan er in het hart een liefdesuitgang zijn tot die God, die zondaren nodigt. Die het hun toeroept: „Bekeert u, bekeert u, want waarom zoudt gij sterven? " De woorden van genade, van de aanbieding van het eeuwige leven om niet, zijn als water op een dorstige ziel. Het hart strekt zich uit in de liefdesuitgangen tot de Heere, om heilig en volmaakt Hem te dienen. Hij is het zo waardig. Ja, er zijn tijden, dat ze in het graven even verpozen mogen, opdat ze nieuwe kracht zullen ontvangen om met het moeizame werk voort te gaan. Soms kunnen ze zingen: „'k Zal Zijn lof zelfs in de nacht, zingen, daar ik Hem verwacht. En mijn hart, wat mij moog treffen, tot de God mijns levens heffen ...".

Niet, dat ze daarin kunnen blijven rusten. Als zij dit proberen, zullen zij tot hun eigen schade ontdekken, dat ze nog geen schuilplaats hebben. Ze zijn nog ongered. Maar in dit alles gaat de trekking uit van Hem, Die de enige Rotsgrond voor Zijn volk is, opdat zij, in de smartelijkste ontdekking, niet zullen kunnen aflaten, om naar de Heere te blijven vragen. Wanneer de vleselijke natuurlijke godsdienst zich in ergernis van de Heere Jezus afwendt, vraagt Jezus Zijn discipelen: Wilt gijlieden ook niet heengaan? Dan mag het antwoord wezen: „Heere, tot wie zouden wij heengaan. Gij hebt de woorden des eeuwigen levens".

Rijke beloften zijn er in Gods Woord voor hen, die zo naar het Fundament, naar de Steenrots zoeken. De Heere heeft beloofd: „Zoekt, en gij zult vinden. Klopt en u zal opengedaan worden. Bidt en u zal gegeven worden. Een iegelijk, die zoekt, die vindt".

Welk een blijdschap geeft het, als dat Fundament gevonden wordt, wanneer het Gode behaagt. Zijn Zoon in het hart te openbaren. Dat is een grondslag, waarop men kan bouwen. Daarop mag men rusten voor tijd en eeuwigheid. Waar alles verloren wordt aan eigen kant, wordt alles gevonden, om niet geschonken.

Dat is die Rots, waarvan Christus zegt: Op deze rots zal ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen.

Op die Rots kan gebouwd worden. Het Gode behagelijke werken wordt dan mogelijk.

Kent ge die Christus? Hebt ge Hem gevonden in de weg van sterven aan uzelven? Dan komt tot u het Woord des Heeren: „Werkt uwszelfs zaligheid met vrezen en beven, want het is God, Die in u werkt beide het willen en werken van Zijn welbehagen."

Zalig hij, die alzo hoort en doet, want hij zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen.

('s-Gr.-Capelle.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's