De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Legitiem confessioneel?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Legitiem confessioneel?

6 minuten leestijd

IV

Ds. L. begint in het nr. van 1 oktober '59, van het Hervormd Weekblad met de vraag:

Is onze Generale Synode in gebreke?

Naar zijn oordeel geenszins, want om meer dan èèn reden acht hij, dat de Synode niet de zondebok is.

De beantwoording van de door ds. L. gestelde vraag is afhankelijk van een andere vraag: Wat dunkt u van de nieuwe koers? Ten dele betekent dit ook: Wat dunkt u van de z.g. nieuwe theologie?

Gaat iemand mee met de nieuwe koers en volgt hij de nieuwe theologie op verschillende punten, welke die koers mede bepalen, dan zal hij wellicht de Synode niet in gebreke stellen. Heeft hij echter bezwaren tegen een en ander, omdat hij overtuigd is, dat door de leidslieden op onzuiver kompas wordt gevaren, dan ligt het voor de hand, dat hij critisch staat tegenover de hoogste vergadering der kerk. En wie durft zo maar zonder meer daarover zijn afkeuring uitspreken, dan hij, die door dik en dun synodaal is en de bezwaren van de andere kant niet heeft gepeild?

Om meer dan één reden zou men de Synode niet in gebreke mogen stellen volgens ds. L.

1. Het belijden gaat de synode zeer ter harte. Dat moet blijken uit verklaringen, kanselafkondigingen, boodschappen, herderlijke brieven en rapporten uitgevaardigd door of namens de Generale Synode in de jaren 1945-'55. Inderdaad zijn de eerste jaren, ik denk altijd nog aan de werkorde, niet de slechtste geweest. Ds. L. wijst met name op het rapport over de kinderdoop naar aanleiding van „al te stoute beweringen van K. Barth".

Maar dan noemt hij „Fundamenten en perspectieven van belijden".

Het zal de schrijver toch niet onbekend zijn, dat daartegen nog al wat bezwaar is gerezen. Ten eerste: Uit welk beginsel vindt de Synode het nodig eens een proeve van hernieuwd belijden de kerk in te zenden, die daaraan gezien de uitkomst van rechts tot links volstrekt geen behoefte heeft gehad? Ds. L. schrijft zelf: Men weet in brede kringen zelfs niet van het bestaan van dit geschrift af. Datzelfde geldt van het later verschenen geschrift over de leer aangaande de H. Schrift.

Uit een oogpunt van beleid kan men deze dingen niet hoog aanslaan. Wellicht heeft de Synode de verschillende richtingen in èèn baan willen leiden met deze geschriften, maar ze zijn voor links te orthodox en voor rechts te weinig orthodox.

Aanhangers van het nieuwe-koers-kerkbegrip hebben kunnen menen, dat het kompas zo moest worden gericht om de hele lading mee te krijgen, en ze zullen daarin misschien wel volharden tot het bittere einde.

Eén ding hebben ze echter vergeten en misschien ook in het geheel niet be­seft: Als iemand spreekt over hernieuwd belijden, wordt daarmede een oordeel uitgesproken over het belijden der vaderen, althans een formeel oordeel over de belijdenis. Men zegt in gemeenschap met de belijdenis der vaderen te willen belijden, maar de belijdenis, zoals die daar ligt, aanvaardt men zó niet.

Dat geeft reeds aanstoot en achterdocht bij degenen, die de belijdenis der vaderen kennen en van harte liefhebben, omdat zij overeenkomt met de Heilige Schrift en in het geloof zo wordt doorleefd. Zij stellen daartegen — met het volste recht —, dat goede belijdenissen geen vernieuwing behoeven. Goede belijdenissen zijn zulke, die met de Schrift overeenstemmen. Is dat het geval met de belijdenis der vaderen? Welnu, wat wil men dan?

Ds. L. spreekt ook over het gesprek der richtingen, een boekje, dat de gewichtigste stukken der leer behandelt. Hij zegt er bij: „Deze handreiking is nog veel te weinig in gebruik".

Wat denkt de schrijver nu? Denkt hij, dat iemand, die in de belijdenis der vaderen zijn persoonlijk geloof in de weg der Schriften vertolkt vindt, behoefte heeft om eens in „het gesprek der richtingen" te studeren, ten einde een ander geloof deelachtig te worden? Of zal ook een vrijzinnig man dat boekje aangrijpen ten einde midden-orthodox te worden?

Zo liggen toch de zaken niet. En weten de mannen van de leiding niet, dat de kerk alleen gebouwd wordt door de zuivere prediking des Woords? Dat is dus door de zuivere leer? De kerk is geen gesprekscentrum, maar een geloofsgemeenschap.

Wij hebben in den beginne verschillende gesprekken bijgewoond en daarvan geen resultaten van betekenis gezien. Men sprak naar aanleiding van een tekst. Ieder gaf zijn mening. Doch de belijdenis der vaderen werd niet tot uitgangspunt gemaakt 

Een tweede vraag van ds. L.: Wie moet de belijdenis handhaven?

Niet in de eerste plaats de Synode, begint de schrijver op te merken. Daarop volgt een beroep op de kerkorde inzonderheid op ord. 11 over het opzicht. Immers daar wordt aangewezen, hoe men daarbij te werk moet gaan. De vinger wordt gelegd bij art. 14-1 en 2. De Generale Synode is slechts een vergadering voor hoger beroep. Derhalve moet men z'n ontevredenheid loslaten op de provinciale kerkvergaderingen, bij wie het begin ligt van alle handelingen.

Formeel gezien zal dat wel zo zijn. Doch daarmede is de verantwoordelijkheid van de Generale Synode niet gedekt. Zij is geroepen in de eerste plaats in haar beleid de belijdenis te handhaven en dat doet ze — naar herhaaldelijk is gebleken — niet. Dat treedt telkens weer aan de dag. De Synode en voornamelijk haar voormannen zijn toch verantwoordelijk voor de leiding volgens de nieuwe koers en van uit een kerkbegrip, dat als zodanig weinig of niets gemeen heeft met de leer der confessie, vanuit een opvatting van het apostolaat, welke aan het wezen der kerk als het Lichaam van Christus voorbijgaat, van uit een waardering der Heilige Schrift, die principieel afwijkt van de belijdenis der vaderen, getuige o.a. het besluit om de vrouw tot het ambt toe te laten.

Wij vragen: Is dat nu „bekladden" of „zwart maken", of een gegronde klacht? Men moet het toch wel met de gang van zaken eens zijn om zulke woorden te willen gebruiken, gelijk ds. L. doet.

Werpt deze houding misschien ook enig verklarend licht op de betekenis van de uitdrukking „legitiem" confessioneel? Is dat „legitiem", omdat het zich voegt naar de opvattingen van de Synode?

Dan ligt daar het verschil, want wij meenden, dat „legitiem" confessioneel zich richt naar de confessie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Legitiem confessioneel?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's