De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een kerkordelijk verantwoorde beslissing

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een kerkordelijk verantwoorde beslissing

9 minuten leestijd

De zaak prof. Smits

Tegen het oordeel, dat door de commissie voor het opzicht uit de provinciale kerkvergadering van Zuid-Holland in de „zaak Prof. Smits" is uitgesproken, worden, zo schreven wij vorige week, met name twee bezwaren van formele aard ingebracht.

De één zegt: ontneming van de rechten als van een emeritus is langs de weg van ordinantie 11 niet mogelijk. Dat kan alleen langs de weg van ordinantie 13, en dan is niet de commissie uit de provinciale kerkvergadering bevoegd, maar het breed-moderamen van de generale synode.

Wij hebben dit bezwaar in ons artikel van vorige week aan de kerkorde getoetst en te licht bevonden. Onze conclusie was, dat ordinantie 13 niet voor zaken van tucht geschreven is en dat het opzicht over degene, die de rechten als van een emeritus bezit, overeenkomstig ordinantie 11 berust bij de desbetreffende commissie uit de provinciale kerkvergadering.

Thans willen wij ons meer in het bijzonder bezig houden met het tweede bezwaar van formele aard, dat tegen de in eerste instantie gevallen uitspraak wordt ingebracht.

Ordinantie 11: hoofdstuk II of hoofdstuk IV?

Er zijn anderen, die erkennen, dat I J ook degene, aan wie de rechten van emeritus zijn verleend, valt onder het in ordinantie 11 geregelde opzicht, óók voor wat betreft de mogelijkheid tot het ontnemen van zijn emeritusbevoegdheden. Echter, zo stellen zij, dan geldt niet hoofdstuk II, maar hoofdstuk IV. Ord. 11.5.2. zegt immers: „Behoudens het bepaalde in hoofdstuk IV van deze ordinantie wordt het opzicht over de dienaren des Woords, de emeriti-predikanten, de vicarissen, hen, die de rechten als van een emeritus hebben, en hen, die in het bezit zijn van het consent, bedoeld in ord. 3.17.1, gehouden door de provinciale kerkvergadering".

Nu moet men vóór alles deze bepaling goed lezen.

De hoofdregel is dus, dat al deze categorieën vallen onder het opzicht van de P.K. Oók de dienaar des Woords. Deze wordt weliswaar in hoofdstuk IV nog eens afzonderlijk genoemd, maar dat betekent allerminst, dat tegen hem alléén langs de weg van hoofdstuk IV geageerd zou kunnen worden. Dat is de eerste fout, die vele commentatoren maken. Zij redeneren: De dienaar des Woords valt onder hoofdstuk IV, het geval-Prof. Smits ligt analoog, en dus is ten onrechte uitgegaan van hoofdstuk II.

Dat staat er echter niet. Ord. 11.5.2. stelt uitdrukkelijk voorop, dat óók de dienaar des Woords valt en blijft vallen onder het in hoofdstuk II (en III) genoemde opzicht. Alleen voorzover hoofdstuk IV een uitzondering maakt, valt hij onder die uitzonderingsbepaling, maar voorzover hoofdstuk IV géén uitzondering op hoofdstuk II maakt, blijft hoofdstuk II van toepassing.

Hoofdstuk II betreft het „opzicht over belijdenis en wandel" en „de vervulling van ambten, bedieningen en functies". Hoofdstuk IV handelt over de „dienst des Woords en de catechese". Deze terminologie past in de bepaling van ord. 11.5.2, die hoofdstuk IV qualificeert als een uitzondering ten opzichte van hoofdstuk II. „Dienst des Woords" valt wel onder de „vervulling van ambten", maar het omgekeerde is niet het geval. In hoofdstuk IV wordt een onderdeel geregeld van wat in hoofdstuk II in het algemeen wordt geregeld.

Nu gaat de uitzonderingsregel vóór de hoofdregel, maar evenzeer geldt, dat de werking van een uitzonderingsregel nimmer door middel van interpretatie mag worden verruimd. Het karakter van uitzonderingsbepaling brengt mede, dat deze eng dient te worden geïnterpreteerd. In alle gevallen van twijfel dient de hoofdregel te worden gevolgd. Het is in het algemeen ongeoorloofd om een bepaald geval, dat zelf niet zonder meer onder de uitzonderingsbepaling valt, door middel van een analogie-redenering alsnog onder de hoofdregel uit en onder de uitzonderingsbepaling te brengen.

Voorts moet er wel op gelet, dat ord. 11.5.2 niet zegt, dat er voor alle daarin genoemde categoriën een uitzondering is. Er staat niet: „Behoudens het ten aanzien van de dienaren des Woords, enz ... in hoofdstuk IV bepaalde, wordt het opzicht over hen gehouden door de P.K.". Het is dus helemaal niet nodig, dat er ook voor degene, die de rechten van emeritus bezit, op enigerlei wijze een uitzonderingsbepaling ook werkelijk is. Dat zal dan eventueel uit de uitzonderingsbepaling zelf moeten blijken.

Welnu, hij, die de rechten van emeritus heeft, wordt in hoofdstuk IV niet genoemd. In hoofdstuk II daarentegen wel. Hoofdstuk IV spreekt van: „de medeverantwoordelijkheid van ouderlingen voor de bediening des Woords" en over „de leiding die de classicale vergadering heeft te geven aan het leven en werken der classis", over het „in enigerlei bediening of functie werkzaam zijn in de dienst des Woords en van de catechese" (11.14.2 en 3) en in de volgende artikelen zelfs zeer uitsluitend over de „dienaar des Woords". Dit alles wijst erop, dat voor de toepasselijkheid van hoofdstuk IV zeer bepaaldelijk gedacht is aan de voluit in het ambt staande dienaar des Woords. Het is trouwens, dunkt mij, ook heel verklaarbaar, dat men voor de ambtelijke verrichtingen van degene, die nog ten volle in het ambt staat, behoefte heeft gevoeld aan een uitvoeriger en met nog meer waarborgen omgeven procedure dan hoofdstuk II biedt.

Dit in aanmerking nemende, en mede gezien het karakter van een uitzonderingsbepaling en de regels ener behoorlijke interpretatie, acht ik het ongeoorloofd de van het ambt onthevene met emeritus-bevoegdheden onder de uitzondering van hoofdstuk IV te brengen. Op zijn minst is hier van ernstige twijfel sprake, in welk geval eveneens de hoofdregel dient te worden gevolgd.

Er is trouwens nog een reden, waarom in casu niet hoofdstuk IV, doch hoofdstuk II behoort te worden toegepast.

Het gaat in hoofdstuk IV over „de dienst des Woords en de catechese" en ord. 11.15.1 spreekt dan ook van de dienaar des Woords die „bij de verrichting van de aan zijn ambt verbonden werkzaamheden zo predikt en leert, dat hij de fundamenten der Kerk aantast". Het gaat dus niet slechts om een prediking of leer, die de fundamenten der Kerk aantast, maar zulks moet blijken uit de verrichting van de aan het ambt verbonden werkzaamheden. Daaronder valt b.v. niet een tijdschriftartikel. In dat geval is, óók voor de dienaar des Woords, hoofdstuk II („onchristelijke belijdenis") de aangewezen weg. Dit geldt dan a fortiori voor iemand, die niet meer in het ambt staat, doch nog slechts beperkte ambtsbevoegdheden heeft.

Wij concluderen dus:

1. Hoofdstuk II is de regel, hoofdstuk IV de uitzondering. Bij twijfel dient de hoofdregel te worden toegepast.

2. Hoofdstuk II noemt hem die de bevoegdheden als van een emeritus heeft met name, hoofdstuk IV niet.

3. Hoofdstuk IV spreekt in het bijzonder over de nog in het ambt staande dienaar des Woords.

4. Hoofdstuk IV is alleen van toepassing op een de fundamenten der Kerk aantastende prediking en leer voorzover blijkend bij de verrichting van aan het ambt verbonden werkzaamheden. Op andere wijze blijkende onchristelijke belijdenis valt onder hoofdstuk II.

Ordinantie 11, hoofdstuk III

Nog één argument, dat tegen de toepasselijkheid van hoofdstuk II wordt ingebracht, verdient nog bespreking. De bijzondere middelen, die door degenen, aan wie in hoofdstuk II het opzicht is toevertrouwd, ter handhaving van de kerkelijke tucht kunnen worden gehanteerd, worden opgesomd in hoofdstuk III. Daarbij worden genoemd: vermaning, excommunicatie, schorsing, losmaking van de ambtsbediening, ontzetting uit het ambt, uitsluiting uit de gemeenschap der Kerk. Daarbij staat dus niet genoemd: de ontneming van de rechten van emeritus.

Betekent dit nu, dat hoofdstuk II derhalve toch niet van toepassing is op degene, die met de rechten van emeritus is bekleed?

Toegegeven kan worden, dat de tekst van hoofdstuk III op zichzelf niet zonder meer duidelijk is. Een argument voor toepasselijkheid van hoofdstuk IV kan dit natuurlijk nooit zijn, want daarin staat de emeritus evenmin genoemd).

Men zal er m.i. van moeten uitgaan, dat hoofdstuk II degene, die de bevoegdheden van emeritus bezit, uitdrukkelijk onder het opzicht van de P.K. stelt. Welnu, hoofdstuk III geeft de middelen aan ter effectuering van dat opzicht. Indien in verband met het opzicht ten aanzien van hem, die emeritusrechten heeft, geen speciale middelen worden genoemd — en dat is inderdaad niet het geval —, dan zal dus ook te zijnen aanzien het opzicht van hoofdstuk II langs de weg van hoofdstuk III dienen te worden geëffectueerd.

Zeker, in hoofdstuk III wordt de ontneming van emeritaatsrechten niet genoemd. Wél echter wordt genoemd de uitsluiting uit de gemeenschap der Kerk. Dat strekt ongetwijfeld verder. Zou de commissie dan een zwaardere straf wel mogen toepassen, maar een lichtere niet? Wanneer zij tot het meerdere (uitsluiting uit de gemeenschap der Kerk) bevoegd is, dan is zij zeker bevoegd tot het mindere. Het meerdere sluit immers het mindere in.

Dat geldt ook nog op een andere wijze. De bevoegdheden als van een emeritus, die het breed-moderamen der generale synode krachtens ord. 13.29.5 aan de eervol uit het ambt onthevene kan verlenen, werden hierboven gequalificeerd als een in beperkte mate voortduren van de bevoegdheden uit het eertijds beklede ambt en daarmede ten nauwste aan dat ambt gebonden. De met deze bevoegdheden beklede werd aangeduid als „quasi-ambtsdrager".

Welnu, in hoofdstuk III wordt wél de ontzetting uit het ambt genoemd. En ook hiervan geldt: wanneer de commissie tot het meerdere (ontzetting uit het ambt) bevoegd is, dan is zij a fortiori bevoegd tot het mindere (ontzetting uit enige nog uit het eens beklede ambt resterende bevoegdheden). Ook hier geldt, dat het meerdere het mindere insluit.

Het is kennelijk met name deze laatste gedachtengang geweest, die ook de commissie heeft gevolgd, toen zij besloot Prof. Smits „te ontzetten uit het ambt, waarmede hij als predikant met de bevoegdheden van een emeritus geacht moet worden te zijn bekleed, zodat hij zijn emeritaatsrechten verliest".

Het doel van de tucht

Het is noodzakelijk, dat ook over de formele kant van een tuchtprocedure duidelijkheid bestaat, opdat te dien aanzien rechtvaardig worde gehandeld. In het bovenstaande is gepoogd daartoe een positieve bijdrage te leveren.

Niettemin, er mag nimmer uit het oog worden verloren, dat hierbij slechts de middelen in het geding zijn. Die midde­len strekken echter tot een doel. En om dat doel gaat het in een tuchtzaak.

En als eerste doel van het opzicht noemt ord. 11.4.1 het „behoud van hen, die dreigen af te dwalen".

Daarom moge er in deze weken, die voor onze Kerk, en in het bijzonder ook voor de gehele gereformeerde gezindte in Nederland, van kerkhistorische betekenis kunnen worden, in het midden der gemeente veel gebed gevonden worden. Gebed niet alleen, dat onze Kerk tot het ware geloof en de ware belijdenis worde teruggebracht en daarbij bewaard blijve. Gebed niet alleen om wijsheid voor de commissie, die in hoger beroep voor zulk een verantwoordelijke beslissing gesteld wordt. Maar bovenal gebed, dat het middel, dat wordt gehanteerd, door Gods genade en gunst moge leiden tot het doel, waartoe het werd ingesteld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Een kerkordelijk verantwoorde beslissing

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's