De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het Nieuwe Testament

6 minuten leestijd

1 Corinthe 11 vers 1, 2

II b

Met vers 2 begint dus eigenlijk hoofdstuk 11. Het blijkt uit dit vers, dat de apostel aanvangt met de gemeente te prijzen. „In alles denken zij in Corinthe aan hem en houden zij zijn inzettingen". Dit is natuurlijk paedagogische tact van de apostel. Straks komt hij met bezwaren, zelfs aanmerkingen en vermaningen. Doch eerst zwaait hij de gemeente lóf toe. Dan is het ijs gebroken en kunnen zij begrijpen, uit welke geest hij haar vermaant en terechtwijst; uit de geest der liefde.

In de Corintische gemeente was inderdaad veel te prijzen. Wij begrijpen wat Paulus bedoelt als hij schrijft, dat zij in Corinthe in alles aan hem dachten. Daarmee bedoelt hij niet, aan hem, als gewoon persoon, doch als apostel des Heeren. En zo ook, als hij het hier heeft over de inzettingen, welke hij hen overgegeven heeft, dan doelt hij stellig op zijn prediking en vermaningen, welke hij als apostel hen heeft doen horen. Ook in Corinthe was hij opgetreden met de prediking van de levende God, van de ernst en draagwijdte der zonde, van het heil in Christus en de toepassing daarvan in een mensenleven. Ook in Corinthe had hij, degenen die maar voortleefden, vermaand, de verslagenen getroost, de heilbegerigen als aan de hand genomen en tot Christus gebracht en de gelovigen verder geleid. En daarbij had hij de gemeente raad gegeven in allerlei zaken, het kerkelijk leven rakende, mondeling en schriftelijk. En het was voor de gemeente nuttig en voor hemzelf een verkwikking, dat zij naar hem wilden luisteren en in vele opzichten in practijk brachten, wat hij hen voorhield.

En nu letten wij er op, dat dus ook hier weer blijkt, dat de apostel met bijzonder gezag optreedt. Hij weet zich een apostel, d.i. een gezondene, die niet uit eigen naam of met eigen leer een bijzondere plaats voor zich opeist, doch die dit doet in de naam van een Ander, van God Zelf en van Zijn Christus. Wat hij brengt is dan ook niet zijn eigen leer, doch het getuigenis van God en van Christus Zelf. En het is hem ook overgeleverd, d.i. het is niet van hemzelf, doch van Hem, Die Zijn apostel zond. Daarom is hij zich ook bewust, dat hij bijzondere gehoorzaamheid eisen mag. Daar is de ere van zijn Zender en, het welzijn van de gemeente mee gemoeid. De situatie voor de Corintische gemeente en voor de andere christelijke gemeenten is dan ook zo, dat er dan nog geen Nieuw Testament is, waarin de leer en de werken van Christus en de leer der apostelen schriftelijk is vastgelegd. Wel is er dan het Oude Testament, dat in de Joodse en in de christelijke  gemeenten bijzonder gezag had. Daarnaast treden de apostelen, vooral nog mondeling, op. Wat zij leren, staat op één lijn met het Oude Testament en heeft éénzelfde gezag. Het vormt niet het Oude Testament het fundament voor de opbouw der gemeenten. Niet voor niets waarschuwen de apostelen scherp tegen verdraaiing en verduistering van hun leer. Zij schrikken hier zelfs niet terug voor het: „die zij vervloekt".

Wij willen de bijzondere betekenis van dit alles weer op ons laten inwerken. Datgene, wat de Heere nodig achtte, dat van deze prediking der apostelen bewaard zou blijven, is inderdaad bewaard, schriftelijke gefixeerd. Naast het Oude Testament is het Nieuwe Testament ontstaan. En het had ingang in de gemeenten, bijzonder gezag. Want het geheimenis en de kracht ervan was, dat het in mensenwoord toch Gods Woord was en als zodanig zijn werking deed in harten der gelovigen. En zo vormden beide. Oud en Nieuw Testament, het fundament, waarop de gemeenten gebouwd zouden worden. Want alles, wat totzaligheid en tot een leven ter verheerlijking Gods nodig is te kennen, wordt daarin geopenbaard, ja meer, Christus Zelf en in Hem een Drieënig God schenken Zich daardoor weg aan een zondaar. En daarom eist God Zelf, dat Zijn Kerk zich steeds, temidden van allerlei verzoeking tot dwaling en betweterij, houde aan die Schrift en dat Woord alleen. Dan zal zij ook de meeste zegen ontvangen!

Het blijft een zaak van uitermate belang om onze huidige kerkelijke situatie ook in dit licht te zien. Alle eeuwen door is er een strijd gaande geweest tegen dit geheel enig gezag van het Woord Gods. Rome zette, om zo te zeggen, iets anders, het gezag der geestelijkheid, boven dit Woord en nam het Woord daaronder gevangen. In de Kerken der Reformatie zette men, om zo te zeggen, helaas vaak iets anders ernaast; de resultaten van menselijk denken en wetenschap! En men maakte het Woord in meerdere of mindere mate daaraan ondergeschikt.

Men vindt dit ook thans in onze huidige kerkelijke situatie. En bepaalde uitspraken van de Schrift maakt men zelfs ondergeschikt aan de geest en aan de eisen van de tijd. Iets, wat b.v. duidelijk speelt bij de kwestie van de vrouw in het ambt.

Afgezien van deze laatste kwestie, — het is goed om steeds weer te bedenken, als het gaat om het geheel enig gezag van de Schrift —, van welke aard ten diepste de strijd is om dit gezag. Ten diepste gaat het hier maar niet om iets, dat alleen van intellectuele aard is, en dus op het terrein van ons verstand zou liggen, maar om iets, dat ook van zedelijke aard is, en waar daarom ook ons hart bij betrokken is. Zou er vaak niet achter zitten het verzet van het menselijk hart, de revolutie tegen het geheel enig gezag, van God gesteld?

't Is wel van belang om te zien, hoe de strijd om dit gezag blijkbaar niet alleen een formele kwestie is, maar ook de inhoud van de Schrift raakt. Waar de aanval gericht is op dit gezag, gaat het ook om de inhoud. Men tornt aan de absoluutheid van de zonde en van de verlorenheid van de mens, evenzo aan de absoluutheid van de genade Gods, men tornt aan de uitverkiezing en aan de noodzakelijkheid der wedergeboorte.

Daarom is de belijdenis van het gezag der Heilige Schrift zo van bijzondere betekenis. lïi onze huidige kerkelijke situatie én in ons persoonlijk leven. Is die belijdenis bij ons waar, maken wij die waar? Immers in theorie kunnen wij dat gezag erkennen, doch doen wij het dan ook met ons hart? Of om het wat modem te zeggen: doen wij het dan ook existentieel, met heel ons wezen en bestaan? In ons hart wortelt immers zo diep en taai de zonde van het ongeloof en van de revolutie, van de gezagsondermijning en gezags-omverwerping? Alleen het waarachtig geloof doet ook bij ons die belijdenis waar zijn en maakt ze waar. En dit geloof, dat meer is dan een theoretisch aanvaarden, is Gods gave, wordt biddend verkregen en biddend beoefend. Dit geloof bindt ook de strijd aan tegen de zonde van het ongeloof en van de revolutie, en overwint die ook!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's