Kroniek
Tuindorp-Oostzaan in het water — „Misdadigheid uit overvloed" — Het concilie van Florence — Tien jaren Seminarium — „Diep water - toch een brug" — De hervormde kerk op de tweesprong?
Kopij-nood is een euvel, dat strikt genomen, alleen redacties en uitgevers van periodieken kennen. En dan is de oorzaak: te weinig of teveel kopij hebben. Gewoonlijk kwelt het euvel wellicht in de laatste vorm.
Ook als kroniekschrijver kan men in kopij-nood verkeren. En wel doordat er te weinig of teveel gebeurde, wat stof voor kopij oplevert. Gewoonlijk gebeurt er in een periode van een paar weken nogal het een en ander, dat de man aan het „spievenster" belangrijk genoeg schijnt het de lezers, meer of minder gecommentarieerd, voor te leggen. Soms kan er echter zoveel zijn, dat een chroniqueur verkeert in wat de Fransen noemen: l'embarras du choix, d.i. verlegenheid om te kiezen. In die omstandigheid ben ik op het moment een beetje. Ik vraag me af, of ik — om dit eerst te noemen — ook iets moet schrijven over de dijkdoorbraak in Tuindorp-Oostzaan. Nieuws kan ik er niet over geven. Extra uitzendingen door de radio, reportages en kranten hebben er het nodige over doorgegeven, zodat we er wel alles van weten. En als deze Kroniek in ons blad verschijnt, zullen de gedupeerde bewoners reeds druk bezig zijn zich zo goed mogelijk weer in te richten, in afwachting van schadevergoeding en herstel van alle verbroken aansluitingen en contacten, zullen we dringende oproepen en aanbevelingen horen en ontvangen om te offeren aan het „rampenfonds" — het zij ons warm aanbevolen — en we gaan over tot de orde van de dag.
Maar dan verder. „We weten er alles van", zei ik. Neen, niet alles. De oorzaak ligt nog in het duister. Na de ramp in 1953 heeft men in kerkelijke kringen weer de vraag gesteld, of ook hier gold: „Zal er een kwaad in de stad zijn, dat de Heere niet doet? " (Amos 3:6). Ik meen, dat ook in de ramp in Tuindorp-Oostzaan God middenin staat, al was hier geen geweld van stormwind en springvloed. Hebben wij Hem ontdekt? En voorts, hebben wij verstaan: „elk uur in gevaar"? Veilig zijn we alléén in de hoede van „onze goede God", Die de psalmist noemt: „mijn rotssteen en mijn heil, mijn hoog vertrek" (Ps. 62 : 3).
En dan is er de verontwaardiging over de golf van anti-semitisme, welke losbrak. Eerst in Keulen, daarna in andere steden, in en buiten Duitsland. Men dacht aan ondergrondse actie van geheime nazi-organisaties. De autoriteiten van de West-Duitse Bondsrepubliek, wellicht duchtend een minder welwillende houding bij mogendheden, welke haar thans welgezind zijn, haastten zich de geruchten dienaangaande te desavoueren. Er was geen sprake van herlevend en herleefd nazidom. Bisschop Dibelius bevestigde dit, aan zijn droefheid en verontwaardiging over het gebeurde uiting gevend, gelijk ook de Bondsregering gedaan had. De kladderijmanie heerste trouwens in meerdere landen. „Hervormd Nederland" dd. 16-l-'60 spreekt van „elf". In Londen deed in sommige kringen het oude antagonisme tegen Duitsland zich weer gelden in de vorm van een zekere boycot ten opzichte van goederen „made in Germany".
Maar met dit al is er toch een golving van anti-semitisme alom aan de dag getreden, waarin onmiskenbaar haat tegen het Jodendom, weerzinwekkende haat, aan het licht trad.
Op de avond van de dag, dat Tuindorp-Oostzaan rampgebied werd, is er in Amsterdam een protest-vergadering gehouden, waarin als eerste spreker dr. Buskes optrad. Hij heeft daar fel gereageerd. Hoe zou het ook anders, gegeven een man, met een zo emotioneel geladen dynamiek!
„Hervormd Nederland" — ik noemde het blad reeds — gaf een zeer bezonken en gedocumenteerd artikel, dat de ondertekening draagt: J.C. van Broekhuizen, met als opschrift: „Nazisme of jeugdprobleem? "
Na diepgaand onderzoek meent de schrijver te kunnen concluderen: „Na alles, wat wij over dit gebeuren gehoord en gelezen hebben, na alles wat wij met eigen oog en oor konden waarnemen, is ons duidelijk geworden, dat men het antwoord op deze vraag (nl. naar de motieven van bedoelde excessen) tevergeefs zoekt, wanneer men zijn navorsingen instelt op het gebied van de politiek".
Maar waar liggen dan de motieven, welke drongen tot die te verafschuwen daden? De heer v. Br. beantwoordt die vraag in het vervolg van zijn artikel, waarboven hij als opschrift stelde: „Misdadigheid uit overvloed". In dit verband zegt de schrijver: „De wortels van dit gevaar liggen in de ontwikkeling van onze maatschappij, die juist door een nog steeds toenemende mate van sociale veiligheid, juist door de toenemende welvaart, juist door het terugdringen van armoede en sociale ongerechtigheid in blijkbaar evenzeer toenemende mate en dagelijks klemmender bij velen onder de jongere generaties een innerlijke leegte, een geestelijke honger niet alleen onbevredigd laat, maar te voorschijn roept. Een leegte en een honger, die langs velerlei wegen tot uitbarsting komen, en die leiden tot een verschijnsel, dat men tegenwoordig wel „misdadigheid uit overvloed" noemt". En dan verder: „Die waarheid (nl. dat het sterke benen zijn, die de weelde kunnen dragen) is, dat het juist de materiële welvaart en veiligheid, de overvloed aan goederen, aan amusementsmogelijkheden is, die in een — gelukkig zeer klein — deel van de huidige jongere generaties een gevoel van opstandigheid teweegbrengen, dat geen andere uitweg vindt dan in onvermengde boosaardigheid. Een boosaardigheid, die haar ontstaan vindt in een innerlijke leegte, die tenslotte zelve weer gewekt wordt door het simpele feit, dat onze materieel zo succesvolle moderne maatschappij met haar zo uitschietend aardse strevingen en bevredigingen onverschillig wordt ten aanzien van zoveel, dat in vroegere tijden als het wezen van de mens beschouwd werd en waarvan het bewustzijn juist door de technische overwinning van armoede en lichamelijk leed, steeds meer op de achtergrond geraakt".
Deze analyse lijkt mij juist. Excessen als waartoe het in de jaarwisseling te 's-Gravenhage kwam, liggen m.i. in dezelfde lijn. De verschijnselen, hier boven aangeduid, doen aan het licht treden, hoe overal een jeugd opgroeit, onbekend met de eeuwige waarden van het Kruis, vervreemd van het geloof in de Christus Gods. Hier ligt een grote en dure roeping voor gezin en kerk.
In dit verband — nu bepaald betrokken op het Joodse volk — wil ik ook nog wijzen op wat de redacteur van de „Leeuwarder Courant", dd. 6-1-1960 schrijft: „Het vraagstuk van het Joodse volk wordt niet door de politiek opgelost. Men kan en moet de Joden dezelfde humanitaire behandeling en beoordeling toewensen als ieder ander volk, maar daarmede is het feit niet weggeruimd dat de Joden ook en in de eerste plaats zichzelf tot een vraagstuk geworden zijn. Meer dan ooit staan zij voor de beslissing, of zij de eigenheid van hun volk in de raskenmerken en in de gemeenschappelijke lotsverbondenheid, dan wel in de religieuze roeping zullen zoeken. Geen assimilering, geen Joods-nationalisme, geen spel van wereldpolitiek zal het Joodse volk kunnen redden, dat zal alleen de terugkeer tot de God van Abraham, Izaak en Jakob kunnen doen. Het gaat hier om een uitverkoren volk, dat in het midden van de volkerenwereld de absoluutheid van Gods heerschappij heeft te verkondigen, maar dat het maar al te vaak in het verzet tegen het goddelijk heilsplan heeft gezocht. Wij allen zijn er in deze dagen weer op de pijnlijkste wijze aan herinnerd, dat de Joden niet maar een gewoon volk, maar dat zij hét volk zijn".
In r.k. kringen bereidt men zich grondig voor op het door Paus Johannes XXIII aangekondigde oecumenisch concilie, dat de eenheid der kerken wel als hoofdthema zal hebben. In het bijzonder zal vereniging met de Grieks-orthodoxe kerk, de kerk van het Oosten, wel in het oog zijn gevat. Oost en West leven sinds 1054 kerkelijk gescheiden met een zeer korte onderbreking. Het concilie van Florence (1438-1445) bracht een hereniging tot stand, welke echter van korte duur was. In dit verband is het begrijpelijk, dat genoemd concilie weer de aandacht trekt, zowel van r.k. als van andere zijde. Een kort bericht dienaangaande, dat ik aantrof in de N.R. Grt., dd. 14-l-'60, geef ik hier door.
„In Chicago, Illinois, Ver. Staten, heeft onlangs een congres plaatsgevonden van leden van de American society of church history — die in hoofdzaak gevormd wordt door protestantse historici — en leden van de American catholic historical association. Het initiatief tot dit congres was van de eerstgenoemde organisatie uitgegaan. Doel was om gezamenlijk te spreken en te studeren over het concilie van Florence (1438-1445), dat een samengaan, hoewel slechts van korte duur, heeft tot stand gebracht tussen het rooms-katholicisme en de oosterse orthodoxie, die sedert 1054 van elkaar waren verwijderd. In het licht van de recente pogingen, uitgaande van het Vaticaan en van informele contacten na de zitting van het uitvoerende comité van de Wereldraad van kerken, achtte men het van belang zich op dit concilie te bezinnen".
Zoals men ziet, heeft het r.k. oecumenisch concilie de aandacht van vele kringen, met name van historici daarin. Zal de historie in dezen een wijze leidsvrouwe zijn?
De 15e januari jl. is het de 10e verjaardag van het seminarium der Ned. Herv. Kerk te Driebergen geweest. Het zou niet juist zijn dit feit hier niet te memoreren. Hoe men ook over het seminarium oordeelt, feit is, dat het in het afgelopen decennium, ondanks kritiek zowel van seminaristen als kerkleden, door goed en kwaad gerucht heen, zich heeft gehandhaafd en te zien is als een instelling, beantwoordend aan het doel, dat de synode in de oprichting voor ogen stond. Het is bedoeld om een manco in de opleiding, scholing voor de kerkelijke praxis, prediking en pastoraat, aan te vullen.
In hoeverre het aan dat doel heeft beantwoord, moet de praktijk leren, m.a.w. moeten de gemeenten beoordelen.
Maar de synode had voorzeker ook nog wel een andere bedoeling met deze instelling, nl. om een teamgeest onder het a.s. predikantencorps te kweken, de éénwording in de kerk te dienen, contacten tussen de „modaliteiten" of richtingen te bevorderen, in één woord, de synthese — „gewijde synthese" zou ik hier naar analogie van de titel der rede, waarmede wijlen prof. dr. W. J. Aalders te Groningen inaugureerde kunnen zeggen — te bevorderen. Wat ik hier noemde is ipsis verbis, met de woorden zelve, niet gezegd in het interview dat ds. Ruitenberg met de rector van het seminarium, dr. H. Berkhof, had en waarvan hij een en ander vertelt in „Hervormd Nederland", dd. 16-l-'60. Maar ik meen, dat het wel besloten ligt in wat als doelstelling is aangegeven in het opschrift: „Vroomheid, Gemeenschap, Apostolaat en Vaardigheid".
De rector vertelde, dat nog wel eens seminaristen „met loden schoenen" kwamen aantreden, doch dat de tegenzin van de eerste lichtingen zo niet meer aanwezig was. Dr. Berkhof noemde als factor van weerstanden ook de som van ƒ 600,- , die men moest fourneren en begreep niet, heb ik hem wel verstaan, waarom de kerk dit bedrag niet voor haar rekening neemt.
Dat het seminarium aan zijn doelstelling heeft beantwoord, meer of minder dan, is voor een deel zeer zeker te danken aan de persoon van de rector, die zich, omnium consensu, wel heeft doen kennen als de rechte man ter plaatse, waaraan trouwens weinigen, die hem kenden, zullen getwijfeld hebben. De ervaring door hem op deze post opgedaan, zal hem zeker dienen/ in zijn a.s. professoraat. Misschien zo, dat de lacune, die er in de opleiding, wat de kerkelijke hoogleraren betreft, schijnt te zijn, wat verkleind wordt, zodat dit instituut aan zijn oorspronkelijke bedoeling meer kan beantwoorden.
Donderdag 14 januari j.l. is de Generale Synode der Geref. Kerken opnieuw verdaagd en uiteengegaan tot begin april. Vele onderwerpen zijn behandeld, maar niet alle zijn afgehandeld. Het delicate vraagstuk der gezinsvorming is ter definitieve (? ) behandeling naar de volgende Synode verwezen. Ook over het contact tussen de Herv. Kerk en de Geref. Kerken is uitvoerig gehandeld. Bij de bespreking van het rapport van „de commissie voor het Gereformeerd-Hervormd gesprek" in de november-vergadering van de Generale Synode der Herv. Kerk kwam deze tot het besluit de besprekingen aan de top voorlopig te staken, de contacten in de plaatselijke kerken te bevorderen en af en toe over belangrijke zaken beide kerken rakende, te doen bespreken tussen de synodale moderamina.
De Synode te Utrecht heeft zich na uitvoerige bespreking met dit standpunt verenigd.
Het grote struikelblok is wel geweest het feit, dat de leiding der Gereformeerde Kerken over de belijdenis en de handhaving der belijdenis anders denkt dan die der Hervormde Kerk. Zo ongeveer gaf F. H. L. in „Hervormd Nederland", dd. 16-l-'60 de beslissing der Synode weer. Dat is het „diepe water", dat scheidt volgens hem. Maar zijn artikel waarboven de geciteerde woorden staan, draagt verder het opschrift: „toch een brug". Zijn wens is, dat er een druk verkeer op de brug mag zijn, die, hoe smal ze dan ook moge zijn, toch is geslagen".
Tenslotte nog iets betreffende de procedure prof. Smits. Naar verluidt zal zijn zaak nu behandeld worden door de generale commissie voor het opzicht, waarvan ds. Spilt uit Utrecht de voorzitter is. Dat zal geen gemakkelijke zaak worden en we wensen ds. Spilt wijsheid en kracht toe. In het „leertucht-nummer" van „Kerk en Wereld" heeft het hoofdbestuur der Vereniging voor Vrijzinnig Hervormden bericht, dat „het ermede begonnen is prof. Smits te steunen met de bijstand van een raadsman, die met hem in de beroepszaak zal spreken". En dan verder, dat, volgens het hoofdbestuur „in het tuchtproces primairis aan de orde is de vraag of kernvragen van het christelijk geloof binnen de Hervormde Kerk discutabel kunnen worden gesteld". Deze visie op de zaak verklaart wel de uitgave van het „leertucht-nummer", alsmede „steun met de bijstand van een raadsman". Het gaat dus volgens de uitspraak van het hoofdbestuur voornoemd om meer dan de uitlating van prof. Smits. Men zou kunnen zeggen: „de Hervormde Kerk op de tweesprong". En dat nog vóór 1961.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's