Tot op deze dag (8)
Is lachen zonde?
Gaarne wil ik erkennen, dat bovengenoemde vraag er wat vreemd tussen in valt. Het schijnt, dat ze letterlijk niets te maken heeft met een dominee en zijn werk. Toch heeft zij dat wel; want ze is bij mij opgekomen op deze wijze: Mag een dominee lachen onder zijn werk?
Zo hoop ik deze vraag dan te behandelen, maar tegelijk zou ik haar richten willen tot anderen, een ieder in zijn of in haar levensverhouding.
Dat ze indertijd bij mij opkwam, zat zó: Wij (een ouderling en ik) kwamen eens op huisbezoek. Wij liepen over het bruggetje, dat over de sloot lag en traden door het achterhuis naar binnen. Dat was aldus de gewoonte omdat de voordeur meestal op slot zat.
Ons bezoek was niet aangekondigd en enigszins overvielen wij dus de mensen. Daar stond een man met ontblote borst en rug. Een van zijn dochters was juist bezig, een grote pleister van lijnmeel van vaders rug af te nemen, om er daarna een nieuwe op te leggen. Vader had namelijk een vreemde blauwe bult op zijn rug en zij behandelden dit geval zelf, door het te pappen, opdat het doorbreken zou. Een gewaagde proef, naar het ons voorkwam.
De man schrok in het minst niet, toen wij binnenkwamen. Een ander zou gezegd hebben: Hoe jammer, dat u het zo slecht treft. Hij niet. Direct werden wij uitgenodigd, om het eens even te zien. Nu, dat gezwel zag er onheilspellend genoeg uit. Het geleek verdacht veel op kanker. Vader zelf maakte de nieuwe pleister klaar en dat ging nogal primitief. Of hij dacht, dat er in speeksel zielestof zat, ik weet het niet. Het was in elk geval een zonderling schouwspel.
Terwijl hij met twee vingers door de substantie streek, keek hij ons zo vrolijk aan als wilde hij zeggen: „Versta ik mijn vak of niet? "
Dat deed de maat bij ons overlopen. Zo goed mogelijk hadden wij ons beheerst, maar lach nu eens niet, wanneer uw lachspieren u plagen. Hoe langer men het uithoudt, des te heviger straks de eruptie.
Wij hebben gezegd, dat wij later wel eens terug zouden komen en op diezelfde avond deden wij geen huisbezoek meer.
Was dit nu verkeerd? vragen wij. Misschien vindt u die vraag wat overdreven. Toch zijn er mensen, die er anders over denken. Nog kort geleden zei een jonge moeder in het westen van het land: „Onze baby heeft vandaag haar eerste zonde begaan; ze heeft gelachen".
Waarschijnlijk had die moeder dat als grap bedoeld. Daaruit bleek evenwel, dat het in de kringen van haar ouders of voorouders toch gebruikelijk was, om zo iets te denken, misschien wel met het oog op Sara.
Lachen is soms een wonderlijk iets.
Als kind heb ik eens gelachen in de kerk toen er in een winteravonddienst een paar vleermuizen zó laag door het kerkgebouw vlogen, dat de vrouwen het hoofd bogen, vol angst dat die fladderdieren op hen zouden neerdalen.
Als kind heb ik weer gelachen, toen de trouwe hond van dominee ook kans gezien had, met de kerkgangers mee naar binnen te lopen en bij het ontdekken van zijn „baas" mee de trappen van de preekstoel al kwispelstaartend op liep. Tegelijk echter werden wij rood van schrik bij de gedachte, dat de herder en leraar een zijner dochters of anders de jonge neef zou aanzien, met de bedoeling, dat een onzer „Jumbo" naar huis zou brengen. Een nederige dienstmaagd was echter de gelukkige.
Als jong predikant heb ik eens gelachen, toen onze bakker en buurman de kerk binnenkwam, door een zijner poesjes vergezeld. Grote consternatie!
De bakker liep zelf ook op handen en voeten om poeslief te grijpen. Telkens had hij bijna succes, maar dan dacht poes blijkbaar: „Ik blijf nog even"!
Deze episode had zelfs ernstige gevolgen. Het was namelijk een Bijbellezingavond en ik had geen preek voor mij liggen. Ik wilde mij namelijk oefenen in improviseren, hetgeen wel nodig was.
En zie! Tengevolge van het kijken naar poesjes bedaarde, spelende gang door het looppad der kerk, was ik de draad van mijn onderwerp kwijt. Angstvallige stilte in de kerk. Iedereen zat met mij in angst. Gelukkig, na een bedenkelijke pauze, kon ik daarna verder gaan. Maar een paar dagen later vroeg mij een broeder en vriend of ik toch als 't u blieft niet meer improviseren wilde, want zij hadden toch zo in angst gezeten.
Veertien dagen later echter kwam er geen kat in de kerk.
Eens heb ik gelachen bij het ernstig ziekbed van een familielid. Hij lag daar in zware, ijlende koorts en sprak zulke vreemde, ongerijmde dingen, dat wij tweeën (mijn broer en ik) of wij wilden of niet, lachen moesten. Daar richt de zieke zich op. Hij komt even bij en zegt: „Och ja, jelui lachen maar!" En wat het nog droever maakte: Hij lachte mee. Toen ben ik weggerend, bitter bedroefd. Och, dat waren we al; maar door het waken in de nacht zeer overspannen.
Een mens is geneigd, om soms te lachen op plaatsen en tijden, waar het eigenlijk geen pas geeft. Toch zijn er ook bij wie er geen lachje af kan; hoogstens een grijns. Zij hebben óf geen gevoel voor echte humor, óf zij voelen zich boven het gewone leven verheven en vinden dat lachen iets minderwaardigs is.
Zulken zou ik willen vragen: Waar heeft God ons geschapen? In een onderwereld, waar geen lichtstraal doordringt?
Of op deze aarde, waarover de Heere Zijn zon doet opgaan over bozen en goeden?
Daarop zou men echter kunnen antwoorden met een wedervraag: Is er in het aardse leven dan zoveel te lachen? Is er niet meer reden tot droefheid dan tot blijdschap? Gods Woord en onze Belijdenisgeschriften spreken er immers van, dat de mens van nature in verderf en ondergang ligt. De toekomst voor die mens als zodanig is dus somber en donker. De zon schijnt wel en de Zon der gerechtigheid is wel op aarde gekomen. Maar als de mens zich nu niet wil laten beschijnen door dat waarachtige Hemellicht, wat moet er dan van hem worden? Zal de Heere hier niet zeggen: „Wee u, gij, die nu lacht, want gij zult treuren en wenen"?
Van de Heere Jezus gesproken: Leest u ergens in het Nieuwe Testament, dat Hij ooit heeft gelachen? Neen! Wel dat Hij weende over Jeruzalem en ook aan Lazarus' graf.
Wel lezen wij, dat de Heere Zich in de Geest eens heeft verheugd, toen Hij zeide: „Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen hebt verborgen en hebt ze de kinderkens geopenbaard."
(Wordt vervolgd)
(Wierden)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's