De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het Nieuwe Testament

J. van der Velden

10 minuten leestijd

1 Corinthe 11 vers 3

III

De vorige maal letten wij op het begin van hoofdstuk 11 uit de 1ste Corinthenbrief. Paulus wist de gemeente ook te prijzen.

Echter, nadat hij de gemeente lof heeft toegezwaaid, komt hij op wat één van de zwakste punten is in haar gemeentelijk leven. Hoewel zij over het algemeen Paulus' leer en vermaningen ter harte had genomen, waren er toch ook die zwakke plekken. En dat was niet helemaal onbegrijpelijk. De gemeente was gegroeid en had zich ontwikkeld. In de praktijk kwam ze voor nieuwe vragen te staan. Zij leefde in een bepaalde omgeving, hoe moest haar houding te midden van dat alles zijn? Neen, 't was niet helemaal onbegrijpelijk, dat ze niet in alles de juiste houding vond.

Zo gaat de apostel nu eerst schrijven over de houding van de vrouw in het openbaar. Een vorig maal wezen wij er al op, dat Paulus blijkbaar die houding niet onbelangrijk vindt, dat ze diepere achtergronden voor hem heeft. Thans wijzen wij er op, dat het duidelijk is uit zijn brieven en uit andere plaatsen in het Nieuwe Testament, dat de vrouwen, wel een bepaalde plaats in het gemeenteleven innamen. Wij komen er straks nog op terug, hoe juist vrouwen vaak echte christenen waren. Nu echter dit: wij moeten niet vergeten, hoe veelszins de situatie was, in dagen van de apostel. Meestal leefde de vrouw vanaf haar jeugd in de afgeslotenheid van het vrouwenvertrek. Daar groeide zij op, leefde, trouwde en werkte zij, in de regel verre van het politieke en maatschappelijke leven. Vreemde mannen hadden vrijwel geen toegang tot deze vertrekken. Toegang had de eigen man of hadden andere vrouwen. Vrouwen, die tot geloof waren gekomen, zullen stellig een belangrijke rol in dit opzicht in de gemeenten gespeeld hebben. Zij hadden daar zeker ook een taak in de dienst van het Evangelie. Maar nu moest dat juist niet te ver gaan. En het ging te ver in de gemeenten van Corinthe. En daarom schrijft de apostel daarover. Vermoedelijk waren er tijdens zijn aanwezigheid in Corinthe op dit punt nog geen moeilijkheden gerezen. Zolang hij persoonlijk aanwezig was, bleven ze uit, wellicht mede door zijn persoonlijk overwicht. Maar na zijn vertrek zijn blijkbaar de toestanden op dit punt veranderd. En nu gaat hij, wat scheef getrokken werd, recht zetten. En hij doet het met apostolische zorg en vaderlijke liefde. Juist kan het nu lijden, nadat hij de gemeente eerst ook geprezen heeft.

Nu volgt er dan in ons hoofdstuk een belangrijke uitspraak. Wij zouden hier willen spreken van het grondbeginsel, waaruit voortvloeit de juiste verhouding tussen de man en de vrouw, binnen het huwelijk en ook verder, in het openbare leven. De apostel zegt: „ik wil, dat gij weet." Dat wil niet zeggen, dat er nu iets volgt, wat zij in Corinthe eigenlijk nog niet wisten, och neen, zij wisten dat eigenlijk reeds. Maar het betekent, dat zij het nu niet zouden weten in het afgetrokkene, zonder dat dat verder van invloed zou zijn, doch dat zij het zó zouden weten, dat zij zich er ook naar gedragen zouden.

Ook voor ons loont het de moeite en blijft het van belang, te letten op dit grondbeginsel.

De apostel tekent hier drie levensverhoudingen. De partijen daarin hebben steeds iets gemeenschappelijks, vormen samen één gemeenschap. Doch zij nemen anderzijds in dat gemeenschappelijke ieder een eigen positie in. Daar zijn Christus en de man, de man en de vrouw; en God en Christus.

Wat die eerste verhouding betreft, rijst direct de vraag, wat bedoelt de apostel hier met de man? De man in het algemeen of de gelovige man en dan nog de gehuwde of de ongehuwde man?

De apostel stelt het in elk geval erg algemeen: de man. Toch moeten wij hier bedenken, dat in de Grieks-Romeinse wereld, waarin Paulus ook leefde en werkte, de ongehuwde vrouw bijna niet voorkwam. De opvoeding was ingesteld op het huwelijk en zij trouwde vaak al heel jong. Bovendien, de apostel gebruikt hier steeds de uitdrukking „hoofd". Dat wijst op gemeenschap, doch tevens op regering, leiding. Het hoofd staat in levende relatie met het lichaam, is tevens samenbindend en leidend orgaan. Die relatie van gemeenschap, waarbij één van de partijen regeert en leidt, vinden wij tussen de man en de vrouw vooral binnen het huwelijk. Daarom zullen wij hier ook wel vooral aan dié verhouding mogen denken.

Daarbij heeft Paulus het in dit verband ook over het profeteren en bidden. En dat zullen wij vooral onder de gelovigen in de gemeente moeten zoeken. Zo zouden wij er toe neigen, hier vooral aan de gehuwde, gelovige man te denken. Doch wij mogen stellig, wat de apostel hier schrijft, niet alleen tot die man beperken, 't Is toch wel opmerkelijk, dat Paulus hier schrijft over iedere man. Dat is wel erg algemeen gezegd. En nu zegt de apostel dus, dat van iedere man Christus het Hoofd is. Mogen wij hier niet denken aan het feit, dat Christus, als de Zoon Gods en het eeuwige Woord, ook een bijzondere plaats bij de schepping heeft ingenomen? Daar is Hij in een bijzondere relatie gesteld tot alles en allen, en zo heeft Hij ook heerschappij over alles en allen, in het bijzonder over de man, die „het eerst" geschapen is.

Echter, dit neemt niet weg, dat wij hier toch vooral wel mogen denken aan de mannen in de gemeente. Vooral voor hén geldt het, dat Christus het Hoofd is. Hij heeft Zich met hen in een bijzondere relatie gesteld, door Zijn Woord en Geest, en door het geloof in hun harten te werken; Hij oefent ook een heerschappij van geheel eigen karakter over hen uit. Dat alles is niet alleen zo krachtens de schepping, maar daarboven uitgaande, krachtens Zijn werk der verzoening en der verlossing. Wat is Hij, als loon op Zijn arbeid in Zijn vernedering, uitermate verhoogd! Wat is Hem alle macht gegeven en wat heeft Hij een Naam ontvangen. Wat is Hem die heerschappij vooral gegeven over Zijn gemeente. Over haar zwaait Hij door Zijn Woord en Geest de scepter van Zijn genade en door haar wordt Hij in het geloof als Hoofd en Heere bijzonder erkend en gehoorzaamd.

Intussen is het toch wel duidelijk, waarom de apostel hier alleen spreekt van Christus als het Hoofd van de man. De vraag kan worden gesteld: is Hij het in deze zin ook niet van de vrouw, van de gelovige vrouw in de gemeente?

Paulus zou op deze vraag bevestigend geantwoord hebben. Zelf noemt hij op andere plaatsen in zijn brieven Christus ook Hoofd van heel Zijn gemeente, zoals wij daar hierboven reeds over schreven. Christus zoekt band met, wil heerschappij over al de Zijnen en daarin is, wat dit betreft, noch mannelijk, noch vrouwelijk. En wij denken hierbij natuurlijk o.a. aan wat de apostel schrijft in Gal. 3 vers 28: „Daarin is geen man en vrouw, want gij allen zijt één in Christus Jezus". Als het gaat om de verkrijging der zaligheid en dus om de betrekking tot Christus in dit opzicht, staan beiden, man en vrouw, gelijk. Dan zijn beiden leden van hetzelfde lichaam en zijn beiden ranken in de wijnstok. Op dit punt is er ook geen voorrang. Beiden moeten het hebben van hetzelfde Woord, van dezelfde Sacramenten, van dezelfde Geest en van dezelfde gaven der genade. En in dit opzicht zijn wij „broeders en zusters in de Heere". Zelfs zien wij, dat in de gemeenten vrouwen in dit opzicht de mannen wel eens voorgaan. De vrouw heeft een dieper gemoedsleven, een grotere ontvankelijkheid en aanhankelijkheid dan de man. Dit komt ook vaak uit in de dingen van het geestelijk leven. Dikwijls treffen wij bij de vrouwen een dieper geestelijk leven aan en vormen zij een meerderheid in de gemeente.

En het valt niet te ontkennen, dat ook in de Schrift, met name in het Nieuwe Testament, aan de vrouw in het gemeenteleven een bijzondere plaats wordt toegekend. Opmerkelijk blijft, hoe, waar éénmaal de vrouw als eerste tot de zonde verleid werd, Jezus na Zijn opstanding het eerst aan een vrouw verschijnt. Zo ook, dat vrouwen Hem dienden en Paulus met vreugde en dankbaarheid schrijft over de medewerking, welke hij van vrouwen ontving. Wij zagen reeds, hoe dit laatste van betekenis was in de situatie, waarin Paulus stond.

Wij willen daarom ook nu weer bedenken, dat ook de vrouw in de gemeente in bepaalde takken van arbeid kan worden ingeschakeld, zoals dat trouwens gebeurt. Dit is stellig niet tegen de Schrift, integendeel. Echter, wij willen hier herhalen, — voor ons blijft evenwel een punt, de vrouw in het ambt! Hier blijft het gaan om de vraag, wat is eigenlijk „het ambt" in de Kerk? Wij kunnen het toch niet anders.zien, dan dat door middel van het ambt en van degene, die in het ambt gesteld is, Christus Zelf Zijn gemeente wil regeren. De ambtsdrager zelf komt wel uit de gemeente, doch dit ambt staat niet op één lijn met wat aangeduid wordt als „het ambt" der gelovigen. Dit ambt neemt een bijzondere plaats in in de gemeente, staat boven de gemeente, en heeft een bijzonder gezag. Christus wil Zichzelf daarin tegenover Zijn gemeente doen vertegenwoordigen als Degene, Die het goede zoekt voor haar, in heel bijzondere zin in gemeenschap met haar wil treden, opdat zij daarin het leven en de zaligheid zou bezitten, doch Die haar ook regeert.

En nu blijft het van bijzondere betekenis, dat Paulus immers het huwelijk eveneens ziet als zo'n verhouding tussen twee mensen; de man en de vrouw vormen samen een heel bijzondere gemeenschap, maar de man is daarin het leidende en regerende element. Wij denken hier aan wat de apostel schrijft in Efeze 5 vers 22-32, waar hij dan ook het huwelijk ziet als iets, dat als het goed is, moet zijn, mag zijn, een afbeelding en weerspiegeling van de verhouding tussen Christus en Zijn gemeente. Daarom, dunkt ons, komt het ambt in de Kerk de man toe en achten wij het motief, waarom Jezus en Paulus, hoewel zij andere vrouwenarbeid in de gemeente wel erkennen, geen vrouw in hét ambt gesteld hebben, dieper te liggen dan b.v. in het feit, dat zij in dit opzicht „tijdgebonden" zouden hebben gehandeld.

Persoonlijk blijven wij de mening toegedaan, dat het onjuist en tegen de Schrift is, als de vrouw tot hét ambt wordt toegelaten. Wel vragen wij ons af, of naast de bijzondere ambten, waarin dan vooral dat regerende element tot uitdrukking komt, in de Kerk nog niet meer een krans van „bedieningen" zou mogen staan, waarin dan ook de vrouw een plaats zou kunnen hebben. Het dunkt ons, dat onze Synode, in plaats van de vrouw tot het ambt toe te laten. wijzer en wél Schriftuurlijk gehandeld zou hebben, als ze meer in déze richting een oplossing gezocht zou hebben. Hier komt n.l. nog bij, dat het uit het Nieuwe Testament blijkt, dat in de eerste christengemeenten aan de vrouw ook wel charismatische, bijzondere genadegaven gegeven werden. Dat zuilen wij ook nog verder op in 1 Corinthe 11, tegenkomen.

En laat het nu waar zijn, dat wij thans, wat het geestelijk leven'betreft, niet zo'n bloei mee maken. Wij zagen echter reeds, dat het ook onjuist is, het verleden te idealiseren en de toestand van de gemeenten, nu, zo gemakkelijk tegenover de toestand van de gemeenten, toen, te stellen. En moeten wij de mogelijkheid tot bijzondere, charismatische genadegaven, niet open houden?

Een volgend maal gaan wij verder met de bespreking van 1 Corinthe 11 vers 3.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's