De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kroniek

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kroniek

10 minuten leestijd

Wegen der prediking — Nieuwe vormgeving aan avonddiensten — De eeuwige jeugd van Heidelberg — „Interim"-professor? — Kerkbouwactie-cijfers — Van Synthetische strevingen.

Onlangs verschenen in „Hervormd Nederland" een paar artikelen onder het hoofd: „Wegen der prediking". Aanleiding waren een boek, dat dezelfde titel draagt als het opschrift van genoemde artikelen, en een van de journalisten Felderhof en Van der Stoep: „Opnieuw in de houten broek". Beide scribenten publiceerden indertijd — het is nu al heel wat jaren geleden — een boek onder dezelfde titel, — nu is hij vermeerderd met „opnieuw" — dat toen nogal de aandacht trok. Vooral wat over de nu reeds gestorven dr. Schilder en ds. Kersten werd geschreven, werd in meerdere kringen druk besproken. Dat Felderhof en Van der Stoep voor de tweede maal tot in de titel toe „de houten broek" alias preekstoel noemen, wijst er op, dat de kansel nog een plaats heeft in onze samenleving, zij het ook, dat hij niet meer die invloed heeft als in vroegere tijden. Komt het, doordat minder zorg aan de preek besteed wordt? Ik neig er toe, gehoord, wat dienaangaande aan kritische geluiden opklinkt, die vraag bevestigend te beantwoorden. En zulks, ondanks, dat er in theologen-kringen met veel nadruk gesproken wordt over de „verkondiging". Men krijgt wel eens de indruk, dat vele predicatores zich er meer op toeleggen de mensen anderhalf uur bezig te houden, dan een geladen preek, gefundeerd in de Schriften, te geven, in volle overtuiging en spanningsvol. Ontbreekt de echte Geest-drift?

De gemeente gaat in dezen ook niet vrijuit. Wanneer in de preek op de dingen wat dieper wordt ingegaan, wordt er soms wel heel snel geklaagd, dat de preek moeilijk te volgen was. Dat is dan nogal in zachte termen uitgedrukt. Men bedient zich ook wel van heel wat forser bewoordingen.. Hier wreekt zich, dat de kennis der Waarheid gering is, om niet te zeggen droevig en oppervlakkig. Ook werkt hier traagheid om zich in te spannen en tot luisteren te zetten. Zo wordt er een druk uitgeoefend op de predikant, waartegen de dominees, met name jongere, lang niet altijd zo bestand zijn, als dienstig zou wezen. Niettemin is zwichten in dezen, voor predikant en gemeente funest.

Ook de kerkdiensten staan in het middelpunt van de belangstelhng, in het bijzonder de avonddiensten. In de steden schijnen ze aan ontvolking te lijden. In de dorpen is het wel beter, doch het kwaad sijpelt langzamerhand door. Het euvel beperkt zich niet tot dé Herv. Kerk. Ook de Geref. Kerken hebben er mede te kampen. Men zoekt ook hier wel naar een andere vormgeving.

Prof. de Gaay Fortman deed onlangs de suggestie — ik meen in „Centraal Weekblad" — om van de avonddiensten zangdiensten te maken. Hij vond, dat de gemeente meer moest zingen, en dacht, dat zulk een zangdienst er wel in zou gaan, en de opkomst ten goede zou komen.

Nu is zingen uitstekend. Over het algemeen wordt in onze gezinnen veel te weinig gezongen. Voor'heen meer. Toen had het huisorgel nog zijn goede dagen. Het werd gebruikt. Het verzamelde jongeren en ouderen rondom zich en men zong uit volle borst. Er was iets in van het psalmwoord: „Men hoort der vromen tent weergalmen, van hulp en heil ons aangebracht....". Er ging iets van uit. Ongewilde evangelisatie. Wil men anders: iets van „leken-apostolaat". Thans laat men voor zich zingen en spelen. We leven immers in „das technische Zeitalter".

Maar terzake. Zullen „zangdiensten" de avonddiensten redden van 'n bloedeloos verkwijnen?

De kerkeraad van wijk 2, Amsterdam- Centrum (Geref. Kerk) „bepleitte maatregelen, die tot een beter begrip van de Bijbel kunnen dienen"; aldus meldt „Trouw" dd. 30-l-'60 in een stuk met als opschrift: „Korte preek en dan vragen stellen in avonddienst". Het schrijft dan verder: „De bedoeling is nu, dat in een avonddienst, na een catechismuspreek van een kwartier, tijdens een pauze gelegenheid geboden wordt elkander als leden persoonlijk te ontmoeten. Gelijktijdig kunnen dan voorstellen en opmerkingen bij een kleine commissie worden ingediend. Het verzamelde materiaal wordt aan de predikant voorgelegd, die vervolgens zijn preek nader zal toelichten". De voorstellen vonden bij de kerkeraad „weinig tegenkanting", zodat wijk 2 binnenkort „een nieuw experiment kan beleven".

Dit „nieuwe" zal er aanvankelijk wel ingaan. Men is, ook in kerkelijke kringen, vandaag aan de dag nogal gebrand op iets nieuws. Doch het „nieuwe" is er zo snel af. Dat leert de ervaring keer op keer.

Ik vrees, dat dit „experiment" — het is meen ik een vormgeving aan de avonddienst, onlangs door prof. Brillenburg Wurth voorgesteld — het, evenmin als vele andere nieuwe vormen van inrichting van de avonddienst in herv. kerken, zal doen.

Het is wel te waarderen, dat in de voorgestelde diensten de catechismuspreek, zij het in kort bestek — de vaderen van Dordt drongen al aan op „summierlijk" behandelen — in ere blijft.

Men hoort nogal eens stemmen, dat het kerkvolk de catechismuspreek gaarne zou zien verwisseld met bijbellezingen. Er zijn predikanten, die, met of zonder hun kerkeraad er in te kennen, zulks doen, al of niet onder druk. Ook zouden ze, indien toch catechismus, deze in verschillende stukken willen hakken, omdat de stof in meerdere zondagen zo uitgebreid is.

In „Herv. Weekblad" is met ingang van januari 1960 prof. Haitjema een verklaring van „de Heidelbergse Catechismus als klankbodem en inhoud van het actueel belijden onzer kerk" aangevangen. Hij veriKeldt in zijn eerste artikel, dat de verplichting om de Catechismus te preken in 1860 door de toenmalige Algemene Synode der Ned. Herv. Kerk is opgeheven. De predikanten mochten daarna te rade gaan met de behoeften der gemeente. Voordien had de Synode op een desbetreffend verzoek afwijzend beschikt. Zij oordeelde, „dat het minder trouwe kerkbezoek wel niet aan de Heidelbergse Catechismus zou zijn toe te schrijven. Hoogstens aan een heel eigenaardige manier van behandeling van de Catechismus, „wijl vele predikanten na veeljarige dienst de vroegere leerredenen gaaf teruggaven en de gemeente met dezelfde woorden steeds hetzelfde moest horen"....

Hij (prof. H.) verblijdt er zich over, dat met 1951, invoering van de nieuwe kerkorde, het besluit van 1860 niet is gehandhaafd, al heeft de kerkorde de catechismusprediking niet verplichtend gesteld. Hij meent echter, dat in hoofdstuk XI wel is te lezen, dat ze op z'n minst is aanbevolen.

Waar in dezen — inrichting van de kerkdiensten — de kerkeraden stem in het kapittel hebben, hoop ik, dat ze hun rechten zullen laten gelden, en in hun gemeente van hun predikant de catechismusprediking zullen vragen. En als de Heidelbergse Catechismus serieus gepreekt wordt, zal het met het kerkbezoek nog wel loslopen.

De gemeenten mogen er door leren kennen „de eeuwige jeugd van Heidelberg" (dr. Oorthuys) en zo gefundeerd worden in het allerheerlijkste geloof.

Ds. v.d. Woude heeft zijn benoeming tot hoogleraar aan de Theol. Hogeschool (vacature den Hartogh) aangenomen. De „radiokrant" der N.C.R.V. meldde het vrijdagavond 24 januari j.l. Deze benoeming heeft direct, nadat zij was geschied, kritiek opgeroepen in de jaarvergadering van de Vereniging „Waarheid en Eenheid", welke in die dagen werd gehouden. De voorzitter, de heer Schelhaas, nog student, sprak gepeperde woorden van misnoegen en wilde zijn kritiek namens de vergadering der Generale Synode van Utrecht kenbaar maken. Dat is niet doorgegaan. Naar ik meen is wel gemeld, dat de Synode inzake de hereniging met de „vrijgemaakten" met haar terzijdestelling van de „vervangingsformule" niet ver genoeg was gegaan.

Afgezien van die onbesuisde kritiek der jongeren — ik meen, dat genoemde vereniging in meerderheid uit hen bestaat — moet erkend, dat de benoeming ongewoon is. Ds. v. d. Woude is geen doctor theologiae. Nog niet, moet ik zeggen. Want, zijn de berichten juist, dan hoopt hij binnenkort te promoveren. Ook al zou dit niet zo zijn, men kan professor worden zowel aan een gewone universiteit als aan de Theologische Hogeschool, zonder gepromoveerd te zijn.

Er is nog iets. Ds. v. d. Woude wordt D.V. 22 maart e.k. 64 jaar. Hij zal dus niet zo heel lang, ongeveer 6 a 7 jaar, het professoraat kunnen bekleden. Ook dat komt meer voor. Dr. Itterzon werd ook benoemd toen hij al over de 60 jaar was. Maar hij was eigenlijk al professor, voor hij tot het ambt geroepen werd. Zo kan het ook met ds. v. d. Woude zijn. Zijn persarbeid en staat van dienst — hij was nu de 2e maal praeses Synodi — kan waarborg zijn, dat hij genoegzaam expert in kerkrecht is, dat de studenten wat dat betreft heel wat van hem kunnen leren.

Maar ja, wij zijn in een periode, waarin men de stelregel huldigt, dat jongeren tot hoogleraar dienen benoemd te worden; dan kan de benoemde in alle diepte en breedte zich in de stof inwerken. Met deze ongeschreven wet, is de benoeming van ds. v. d. Woude in strijd. Om reden, dat er geen jongeren waren, bekwaam tot dit ambt, of nog niet bekwaam?

Men heeft gesproken van een „interim-professor". Natuurlijk naar aanleiding van de „interim-Paus" Johannes XXIII, die zich intussen ontpopt als allerminst een „interim"-figuur. Men denke aan zijn besluit inzake het r.k. oecumenisch concilie, waarover het secretariaat van de voorbereidende commissie kort geleden meldde, dat alleen r.k. leden zouden uitgenodigd worden, ook al mochten waarnemers de zittingen bijwonen. Dit echter terloops.

Als prof. v.d. Woude het ook, mutates mutandis, doet als de „interim-Paus", zullen de Kamper studenten een te waarderen hoogleraar hebben. Die zegen zij de nieuw benoemde geschonken. En „Waarheid en Eenheid" doe haar winst met de kritiek op haar geoefend door de kerkeraad der Geref. Kerk van Franeker, die ds. v.d. Woude wel beter zal kennen dan haar voorzitter, de heer Schelhaas.

Kerkbouw-actie is in deze tijd in schier alle vaderlandse kerken in gang. De actie der r.k. Kerk is gestart. Van de kerkbouw-collecte in de Chr. Geref. Kerken, zondag 24 januari j.l. gehouden, is het totaal nog niet gemeld. Doch een steekproef Het zien, dat men ver over het bedrag, dat men gaarne van ieder lid zou hebben, heen was.

Volgens de laatste berichten is er in de Herv. Kerk ruim 9,5 miljoen binnen. Ik geef in dit verband iets door uit „Kerkbouwactie-cijfers", een stuk dat ik aantrof in „Weekbulletin no. 5 dd. 30-1-'60, Persbureau der Ned. Herv. Kerk".

„De Hervormde Kerk telt ongeveer drie miljoen zielen, de Gereformeerde Kerken bijna 700.000, de Remonstrantse Broederschap 40.000, de Doopsgezinde Broederschap 67.000 en de Evangehsch Lutherse Kerk 69.000 zielen. Dit betekent, dat per 31 december per ziel was bijgedragen: in de Herv. Kerk ƒ 3, 10; de Geref. Kerken ƒ 2, 27; de Remonstrantse Broederschap ƒ 4, 25; de Doopsgezinde Broederschap ƒ 2, 27 en de Evangelisch Lutherse Kerk ƒ 1, 40".

Hier slaat de Herv. Kerk geen slecht figuur.

Bisschop dr. Dibelius is voornemens in 1961 af te treden als leider der Evang. Kerk. Hij is dan ruim 80 jaar. Moeilijk zal hij te vervangen zijn als synthetische figuur. De bisschop van Hannover, genoemd als opvolger, is nogal anti-thetisch ingesteld tegen de kerken van het geref. protestantisme. Zijn benoeming en episcopaat zou iets van de oude strijd tussen Luthersen en Calvinisten kunnen doen herleven. En vooral in de situatie waarin men zich in West- en Oost-Duitsland bevindt, zou een synthetische instelling wel zeer gewenst zijn.

Maar wat te zeggen van een synthetisch streven, dat in onze kerk schijnt gaande te zijn? Ik zeg nadrukkelijk schijnt. „Kerk en Wereld" wist kort geleden — in het bijblad „Contact" — mede te delen, dat professor P. Smits door de Raad van Kerk en Theologie zou uitgenodigd zijn om op Woudschoten een lezing te houden over: „Verzoening". Daarbij zouden dan alle kerkelijke hoogleraren ook geinviteerd zijn. Indien juist, is die samenkomst dan bedoeld om het werk van de generale commissie voor het Opzicht te steunen, of te doorkruisen? Of om, na peiling van heel de existentiële achtergrond, die prof. Smits tot zijn bekende uitlatingen drong, te stellen, dat prof. Smits ondanks aberratie in bepaald opzicht, niettemin zich beweegt binnen de grenzen van het belijden der kerk? (Art. X K.O.). Of wil men door die samenspreking een herderlijk schrijven over de Verzoening voorbereiden? Wat houdt in dezen de toekomst in haar schoot verborgen?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Kroniek

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's