De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Dordtse Leerregels

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Dordtse Leerregels

9 minuten leestijd

Hetgeen dan noch het licht der natuur, noch de Wet doen kan, dat doet God door de kracht des Heiligen Geestes, en door het woord of de bediening der verzoening, welke is het Evangelie van de Messias, waar door het God behaagd heeft de gelovige mensen, zowel in het oude als in het nieuwe Testament, zalig te maken.

HOOFDSTUK III/IV

Artikel 6

Wat kan het licht der natuur niet en evenmin de Wet? Dat licht kan de mens niet brengen tot de zaligmakende kennis Gods en tot de bekering en de Wet kan de mens niet helpen aan de zaligmakende genade. Misschien geeft het de bedoeling nog duidelijker weer als we zeggen: de mens kan zichzelf met behulp van het licht der natuur of de Wet tot die kennis en bekering en genade niet brengen.

Dit gaat rechtstreeks in tegen Pelagius en de Remonstranten van alle tijden. Pelagius ging uit van het natuurlijk vermogen van de mens, dus van het licht der natuur. Hij verzette zich tegen het gezegde van Augustinus: „Geef wat Gij beveelt en beveel, wat Gij wilt". Pelagius ging er van uit: God heeft de mens bevolen het goede te doen, dus moet hij het ook kunnen.

Op deze wijze wordt het in de kerk van heden niet zoveel gepredikt. Maar heeft het, voorzichtig gezegd, soms niet de schijn, dat men deze stelregel toepast op het geloof? God heeft het geloof bevolen, wij zijn gedoopt en dus moeten wij ook kunnen geloven. In elk geval wordt er nog al eens gepreekt alsof de mens dit wel kan. Men wil niet van wedergeboorte preken, maar concentreert zijn prediking op het bevel des geloofs.

Dit heeft m.i. niet zelden een min of meer verborgen „pelagiaanse" achtergrond.

Ik heb het woord „pelagiaans" tussen aanhalingstekens gezet. Daarmee wil ik de aandacht vestigen op het verschil. Pelagius zag de mens als vrij om voor het goede of tegen het goede te kiezen. Elk mens is in de staat der rechtheid als Adam. Hij heeft van God een vrije wil gekregen. In zekere zin zijn wij het daarmee eens. De mens kiest inderdaad vrijwillig het kwade. Hij is formeel vrij. Doch tegelijk materieel met heel zijn wezen verkocht onder de zonde en dus volkomen onvrij tegenover het goede. Het licht der natuur geeft hem geen kracht om voor God te kiezen. Hij kiest van nature altijd vrijwillig tegen God.

Om nu nog even op de prediking terug te komen, de predikers, die zo de nadruk leggen op het bevel des geloofs en op de eis van de gehoorzaamheid aan dit bevel, gaan er niet allen vanuit, dat wij krachtens de schepping de mogelijkheden hebben om te geloven. Sommigen laten in het midden, vanwaar de mens deze mogelijkheid zou hebben, anderen zeggen, dat dit natuurlijk van God is, weer anderen laten met de Doop een zekere algemene mededeling van de H. Geest verbonden zijn. Apart is hier ook nog te vermelden, de veronderstelling dat alle leden van een kerk wedergeboren zijn en dus op die wijze de mogelijkheid hebben gekregen om te geloven. Dan zijn er ook nog weer, die de H. Geest zo aan het gepredikte woord verbonden laten zijn, dat met de prediking de mogelijkheid voor ieder is gegeven om te geloven. Maar hoe men dit ook denkt, altijd krijgt men de veronderstelling, dat deze hoorders krachtens hetgeen zij voor of onder de prediking bezitten, allen de mogelijkheid van het geloven hebben.

Dit nu is een neiging in de richting van het remonstrantisme al is het gepaard met veel strijkages naar de gereformeerde belijdenis. Sommigen nemen het kwalijk als iemand zegt, dat zij niet gereformeerd zijn. De remonstranten maakten ook veel buigingen in de richting van de noodzakelijkheid der genade. Maar in weerwil van hun uitspraken, dat de genade onmisbaar is tot zaligheid, leerden zij toch een werkzaamheid van de vrije natuurlijke wil des mensen zowel bij het ontvangen als bij het vasthouden der genade Gods. Dientengevolge loochenden u de remonstranten de onwederstandelijkheid der genade evenzeer als de onmogelijkheid om van de genade te vervallen.

Karl Barth vertoont hier ook duidelijk zijn remonstrantse inslag. Bij hem is de verkiezing niet onwederstandelijk. Een uitverkorene kan verloren gaan. Het is wel zeker, dat allen uitverkoren zijn, doch het is niet zeker, dat allen zalig worden, die uitverkoren zijn. De onwederstandelijkheid der genade wordt ook bij hem geloochend. Men mag het een onmogelijke mogelijkheid noemen, doch de mogelijkheid van het geloof blijft in de leer van Barth ook voor de uitverkorene. En zolang een prediking deze mogelijkheid voor de uitverkorene openbaart, kan er in de weg, die deze prediking voorstelt, niemand zalig worden, want elk Adamskind is dood in zonden en misdaden en kan alleen maar Gods genade weerstaan. Hij doet dit tot het laatst toe, tot dat een onwederstandelijke genade hem te sterk wordt.

Wat is de uitverkiezing bij de remonstranten? Daar is geen uitverkiezing in de reformatorische zin van dit woord, evenmin als bij de Barthianen. Prof. R. Seeberg vindt bij de remonstranten de stilzwijgende uitschakeling van de gedachte der praedestinatie. Terwijl nl. de praedestinatie, volgens de orthodoxe leer bepaal4e afzonderlijke personen tot voorwerp heeft, is zij bij de volgelingen van Arminius, precies als bij Melanchton, slechts een uitdrukkingswijze voor een algemene de hele mensheid bedoelende goddelijke orde, waaraan de afzonderlijke personen al naar hun eigen willen deel krijgen of niet. Daarmee is de eigenlijke kern der leer weggenomen.

Hoe dicht of de remonstrantse leer bij de reformatorische kan komen, toen en nu, is duidehjk uit artikel 3 en 4 van de remonstrantse Leerregels. Daar belijden zij, dat de mens het zaligmakende geloof niet krachtens zijn vrije wil kan verkrijgen en van zichzelf uit niets, dat werkeUjk goed is kan denken of doen. Hij moet door God in Christus wedergeboren worden door de H. Geest en vernieuwd worden wat betreft verstand, wil en alle krachten. Daardoor alleen kan hij het goede leren kennen, willen en daar in toenemen. Ook de wedergeboorte kan zonder de genade Gods niets goeds werken. Alle goede daden des mensen komen dus voort uit de genade Gods. Maar dan zeggen zij: „De krachtige genade waardoor iemand bekeerd wordt is niet onwederstandelijk, en hoewel God alzo de wil door het Woord en de inwendige werking Zijns Geestes aanvoert, dat Hij beide de macht om te geloven, of bovennatuurlijke krachten geeft, en de mens inderdaad doet geloven; nochtans heeft de mens uit zichzelf deze genade kunnen verachten, en niet geloven, en alzo vervolgens door zijn eigen schuld vergaan. Hoewel naar de gans vrije wil Gods de ongelijkheid der Goddelijke genade zeer groot is, nochtans geeft de H. Geest, of is bereid te geven, zoveel genade aan allen en een iegelijk, wie Gods Woord gepredikt wordt, als genoegzaam is tot bevordering van de bekering der mensen in hare trappen; en derhalve verkrijgen niet alleen degenen genoegzame genade ten gelove en ter bekering, dewelke God gezegd wordt naar het besluit der absolute verkiezing te willen zalig maken, maar ook diegenen, die metterdaad niet bekeerd worden".

Deze remonstrantse uitspraak zou men wel de belijdenis kunnen noemen van velen in onze tijd, die toch nog de naam van gereformeerd willen dragen. Dat schijnt een goede naam te zijn. Velen roepen: „maar ik ben ook gereformeerd". Ondertussen zijn ze op de eigenlijke punten remonstrants. Dus remonstrants-gereformeerd zoals de oude remonstranten zich noemden. Het is voor iedere prediker wel goed, dat hij op zijn eigen prediking toeziet of toch niet door hem de vrije wil en de genoegzame genade, die ieder zou ontvangen, geleerd wordt. Of er tenminste geen sporen daarvan in zijn prediking zijn ingeslopen, als wij tenminste prijs stellen op de reine prediking des Woords.

De remonstrantse belijdenis is deze: zonder genade geen zaligheid en niets goeds in de mens. Maar ieder krijgt deze genade. De mens kan zich uit zichzelf op de genade voorbereiden. Hij heeft ook het vermogen om de genade aan te nemen of af te wijzen. Dit alles vermag het licht der natuur met behulp der genade. Zeer terecht spraken onze vaderen van helpende genade. Velen hebben er genoeg aan, naar het schijnt.

Daar is echter een volk, dat met helpende genade om moet komen. Geloofd zij God, dat de remonstrantse prediking fout is. Voor dat in zichzelf verloren volk is er een genade, die de mens eenvoudig niet toestaat genade af te wijzen. De remonstrantse prediking van alle tijden en alle richtingen laat de werkelijk arme en verlorene in zijn nood. Daarom verheugen we ons over de belijdenis van artikel 6, dat God de bekering en de zaligheid (alleen) werkt. Wij belijden de krachteloosheid van alle pogingen des mensen om door middel van eigen vermogen en voorgelicht door de Wet zijn zaligheid te werken. Waarom belijden we dit? Om de krachteloze verdorven mens zo te laten als hij is? Zijn we nu klaar als we de onmacht maar goed gepredikt hebben? Dat zij verre. Dan begint de rechte prediking pas. Gedreven, door de verschrikkelijke nood van de verlorenheid, onmacht, onwil en onmogelijkheid des zondaars, predikt de rech­te prediker met tranen in zijn hart en met bewogenheid zijner ziel, dat God almachtig is en dat alle dingen bij Hem mogelijk zijn. Dus predikt hij de vernedering van alle hoogmoed, dus predikt hij de toorn en de gramschap Gods, wetende de schrik des Heeren. Dus predikt hij de bewogenheid des Almachtigen, die waarlijk geen lust heeft in onze dood.

Ik geloof niet, dat er door ons dominees in 't algemeen goed gepreekt wordt. Onze prediking grijpt in 't algemeen niet aan. Dat zal er voor een deel wel aan liggen, dat wij zelf niet genoeg aangegrepen zijn. En dat ligt wel aan de hardigheid en wereldsgezindheid van ons hart. Maar het is niet goed te maken, door een beetje remonstrants te gaan preken, de mens te preken. De situatie is ernstig. Belijdenis komt tegenover belijdenis te staan. Het communisme belijdt: „Ik geloof in de totale veranderbaarheid van de mens en in de in de loop der ontwikkeling toenemende goedheid" (Gollwitzer). Wij belijden: Ik geloof in de totale verdorvenheid van de mens, die onveranderlijk slechts is in zichzelf. Dit alleen? Dan verliezen wij het van het communisme. Maar dit is het niet alleen. „Ik geloof, dat bij God alle dingen mogelijk zijn". Wij prediken God in Christus. Laat het een ere zijn en een bijzondere taak in een wereld zonder genade en in een kerk met helpende genade met veel groter bewogenheid de totale genade Gods te prediken, aan verloren zondaren. Maar dan niet buiten ons hart om. Dan alleen als zulken, die deze genade hebben ervaren en ontvangen. Als verbrokenen, die geheeld zijn. Wie zo van de almacht en goedheid Gods in Christus preekt, kan nooit teveel zeggen van de onmacht en boosheid van de mens.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Dordtse Leerregels

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's