Tot op deze dag (9)
Is lachen zonde (vervolg)
De vorige maal wezen wij er op, dat wij van de Heere Jezus niet lezen, dat Hij ooit heeft gelachen. Wèl, dat Hij weende.
Misschien wilt u zeggen, dat de Heere Jezus hier op aarde was de Man van smarten. Die de zonde der wereld droeg, Wiens bestemming het was om naar Gethsemané en naar Golgotha te gaan. Toch vraag ik: Als de Heere hier op aarde niets te lachen vond, wij dan wel? Van wie waren die zonden, waaronder Hij leed en stierf?
Ik bedoel hiermee nu niet, al dat lachen zonde te noemen, dat geen spotten met het heilige is, maar slechts een vrolijkheidsuiting, wanneer men plotseling getroffen wordt door de humor van een bepaald geval.
Ik denk aan het lachen in lichtzinnigheid en spotzucht, waarin men de ernst van het leven tracht weg te lachen en de draak steekt met rechtvaardigheid, matigheid en het toekomend oordeel.
Deze aarde is een tranendal. En toch: Wat wordt er hier ontzettend veel gelachen. De kinderen der wereld hebben echt lust in het flauwe en smakeloze. Men wil er eens uit, uit de wereldellende en alle narigheden eens opzij zetten en denken: „Na ons de zondvloed!"
Wat wordt er gelachen in schouwburgen en bioscopen, waar de grappenmakers de volste zalen hebben. „Zoek de zon op!", is de leuze en men bedoelt daarmee de lichtzijden in én van dit leven, alsof er zonder God en zonder hope een lichtzijde was.
U zou hun niet gaarne de kost geven, die mensen, die er in deze dagen door de radio naar luisteren en door de televisie deze dingen zelfs horen en zien.
De schouwburg en de bioscoop is nu in de huisgezinnen gekomen. De televisieslaven krijgen meer en meer de overhand. Waar vroeger nog plaats was voor een goed, christelijk woord, daar geraakt ook dat op de achtergrond. En dat noemt men dan „Kunst" (grote K).
De kerkgaande wereld verandert meer en meer in een jolig christendom waar alles er bij door kan en dat speelt met principes van Gods heilige Wet. Men vindt u maar achterlijke mensen als u niet dansen kunt. Stel u voor: „Dansende Calvinisten!"
De spotgeest steekt hoe langer hoe brutaler de kop op.
Zeker, er zijn nog vele christelijke instellingen. Er komen er nog dagelijks bij. Maar ouders van kinderen, die naar een christelijk Lyceum gaan, en op een Ouderavond of Jeugdavond daar aanwezig waren, vragen zich 's nachts om één uur wel eens af: „Waar zat nu vanavond het christelijke eigenlijk in ?" En verder willen ze er liever niet over praten.
De Heere hekelt in Zijn Woord al het lachen en spotten met het heilige. „Het lachen van een zot", zegt de Schrift, „is als het geluid van doornen onder een pot". Wanneer die branden, dan knetteren ze en geven een knappend geluid en een grote vlam. Even maar en het is uit.
Ja, dat lachen is wel lelijk en gruwelijk voor God.
Vraagt u of degenen, die God liefhebben nog wel eens lachen in ongeloof? Ach ja, ook zij staan somtijds nog aan die zonde schuldig. Daar was Sara, die aan de deur der tent luisterde, waar Abraham met de Heere binnen was. Zij heeft ook gelachen, toen zij vernam, dat zij „omtrent deze tijd des jaars" een zoon zou hebben. Dit was een lachen in ongeloof.
Abraham heeft ook gelachen om dezelfde boodschap, die hij van de Heere ontving. Wij moeten dit echter niet gelijk stellen met het lachen van Sarai, want van Abraham staat er bij: „Toen viel Abraham op zijn aangezicht en lachte. Dat was geen lachen in ongeloof, maar meer een ontlading van aanbiddende vreugde.
Trouwens, ook Sara heeft later wel gelachen in geloof, toen zij haar zoon „Izaak" noemde, want zij zeide: „God heeft mij een lachen verwekt". En: „Een ieder, die het hoort zal met mij lachen".
Ja, dat is de schoonste lach onder de zon, als God de Heere, na tijden van smart, in Christus vreugde verwekt. Wanneer de ziel zeer vrolijk is in de Heere, omdat Hij onze Zon en ons Schild is. Dat is een zalig lachen over de wonderen Gods in Zijn Zoon. Op de Hemelzangschool worden klaagzangen geleerd, maar met lofzangen wordt er geëindigd. Wanneer ook onze dagelijkse opgewektheid daaruit voortkomt met het geloof als achtergrond, het onteert de Heere niet.
Nog één vraag blijft hier over. Mag een christen ook lachen als uiting van spot? Dat ligt er maar aan, waarover het gaat. De kinderen der wereld spotten vaak met het heilige. Wanneer Paulus in Athene over de opstanding der doden begint spotten sommige hoorders. Het is erg gemakkelijk, om met iets wat men niet kent, de spot te drijven.
Wanneer een christen spot, dan zal het zijn over het onheilige, over de grootdoenerij der wereld. Over haar dwaze afgodendom en vindingen van eigen maaksel.
Iemand zou kunnen zeggen: „Het is niet erg liefdevol, met het geloof van een ander de draak te steken. Men moest veeleer medelijden met hem hebben". Hier was echter niet bedoeld, een ander in hooghartigheid te veroordelen. Maar wanneer een ander zich buigt voor iets wat geen God is, dan kan ik daar onmogelijk eerbied voor hebben.
Dat betekent niet, dat ik het wapen van de spot zo maar zou mogen hanteren. Daarom was de beeldenstorm enkele eeuwen geleden ook zeker niet uit God.
Spotten met wereldverzinselen mag ik dan alleen, wanneer de Heere het mij gebiedt en leert. Wanneer ik dus zelf in het geloof sta, dat de Heere mij schonk.
Zoals Elia, die de Baalpriesters bespotte in hun aanroepen van een God, Die niet bestond.
Of zoals de Heere de dochter Sions beval, om tot de koning van Assyrië te zeggen: „de jonkvrouw, de dochter Sions veracht u, zij bespot u; de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u!"
In Psalm 2 kunnen wij lezen, dat de Heere God Zelf lacht en spot over het woeden der volkeren. Hij, Die in de hemel zit, lacht daarover. Wel is dit in mensenwoorden gezegd. Het lachen van God is toch heel iets anders dan dat van een mens. Voor de Heere bestaan geen verrassingen. Het betekent, dat al dat dwaze gedoe van de moderne wereld zo in-bespottehjk is in Gods ogen. En ook wij als christenen mogen daar niet mee „heendoen".
Ons optreden is vaak zo slap en onzeker tegenover de verschijnselen rondom ons. Velen hebben nog teveel respect, waar zij helemaal geen respect moesten hebben. Ze zijn verdraagzaam waar zij het niet moesten wezen.
Ik schrijf dit niet om de onverdraagzaamheid te prediken, maar evenmin om een christendom aan te bevelen boven geloofsverdeeldheid. Christus en Belial kunnen nu eenmaal niet samengaan. Het is: Of de Eén of de ander.
Wie bijvoorbeeld „de heilige rok van Trier" kust of vereert, vergist zich vreselijk. Die moet Christus alleen hebben en niet Zijn rok. Daarvan ging immers de kracht niet uit, toen de Heere nog op aarde was, want de Heere Zelf zei eens, nadat een vrouw de zoom van Zijn kleed aangeraakt had: „Ik beken, dat er kracht van Mij is uitgegaan".
Er zijn meer dingen, die weerzinwekkend en droevig belachelijk zijn.
Alleen wie vrolijk is in God, Heeft iets van zalige lach verstaan. En of ook hel en duivel spot. Hij is ten hemeldans gegaan. Het huppelen van zielevreugd is schoon voor ouderdom en jeugd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's