De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het Nieuwe Testament

12 minuten leestijd

1 Corinthe 11 : 3

IV

Na de uitweiding, de vorige maal, keren wij thans weer terug tot wat de apostel schrijft in 1 Corinthe 11: 3. Het is ons duidelijk: als Paulus hier van Christus spreekt, alleen als Hoofd van de man, dan bedoelt hij niet te ontkennen, dat Christus, wat het genadeleven betreft, ook niet het Hoofd van de vrouw zou zijn.

Daar gaat het in 1 Corinthe 11 niet over. In dit hoofdstuk gaat het de apostel om iets anders. Dat er bij alle gelijkheid in het leven, eveneens in het geestelijk leven, onderscheid kan zijn. Dat er zo iets als een gezagsverhouding bestaat in dit leven, wat juist voor het welzijn van dit leven is. Zo heeft God het leven reeds bij de schepping ingericht. Wij denken hier even aan Genesis 3 : 16, waar de Heere tot Eva zegt dat de man over haar heerschappij zal hebben. Men voert weleens aan, dat, wat de Heere hier zegt, — na de val — een vloek voor de vrouw zou moeten betekenen. Welke dan door Christus zou zijn opgeheven en nu zo niet meer zou gelden. Dit lijkt ons een onjuiste opvatting. Hebben wij hier niet veelmeer, gezien ook andere gegevens in de Schrift, te maken met een scheppingsordinantie Gods, welke wel na de val door de zonde ook tot een vloek kan worden, maar scheppingsordinantie blijft?

En blijft deze gezagsverhouding daarom niet altijd gelden, ook in het leven der gemeenten? De herschepping haalt geen strepen door wat God in de schepping gesteld heeft, maar integendeel, wil die juist tot nieuwe geldigheid en heerlijkheid brengen. Wij zien hier hetzelfde, als bij wat Jezus Zelf zegt van Zijn werk ten opzichte van de Wet. Wanneer Hij zegt, dat Hij gekomen is om de Wet te vervullen, houdt dat toch niet in: afschaffing van die Wet, doch juist tot nieuwe, heerlijke geldigheid brengen van die Wet. Door de zonde is dat onmogelijk gemaakt, door Christus' werk opnieuw mogelijk.

Hoe functioneerde de Wet in Zijn leven; hoe gaat ze opnieuw op een bijzondere wijze functioneren in het leven der zijnen. Een vorig maal legden wij grote nadruk op de betekenis van de rechtvaardiging door het geloof alleen. Doch nu zeggen wij weer: dit kan niet zonder de heiligmaking blijven.

Intussen, zoals met de eisen der Wet, ligt het ook met de scheppingsordinantiën Gods. Die zijn in het leven der genade niet opgeheven, maar juist van nieuwe kracht geworden. Dit geldt eveneens van die gezagsverhouding tussen man en vrouw. En dit moet uitkomen in de houding en in het optreden van de vrouw, vooral in het openbaar.

Het is in verband hiermede, dat Paulus in 1 Corinthe 11 zegt, dat Christus het Hoofd van de man is. Weer bedenken wij, dat in de Grieks-Romeinse wereld van Paulus' dagen de positie van de vrouw over het algemeen niet zo best was; in de christengemeenten hadden de vrouwen toch wél een plaats en werkten zij zelfs mee in de dienst van het evangelie. Maar nu dreigde dit laatste wel weer eens door te slaan naar de andere kant. Daarom is het, alsof de apostel op deze weg ook weer een halt toeroept en zelfs terugdringt. Hij wijst met nadruk op die gezagsverhouding.

Echter, stellig waren er toen in Corinthe, als in alle tijden en ook nu, vrouwen, die de schampere opmerking maakten: de vrouw is maar ondergeschikt en onderworpen, de man is de baas en mag heersen.

Daartegenover stelt Paulus, dat, wie zo redeneert, er glad naast is. Ook de man is niet de baas, zonder meer. Hij heeft als man wel een bijzondere positie, doch heeft eveneens een Hoofd boven zich, nl. Christus. Dat heeft hij te erkennen, daarmee heeft hij rekening te houden, en de gelovige man zal hiernaar ook staan. Dit geldt natuurlijk in het bijzonder binnen het huwelijk — ons oude Huwelijksformulier zegt daar het één en ander van, wat nog altijd actueel is; — maar ook buiten het huwelijk.

Natuurlijk zijn er onder de mannen despoten, die hun positie uitbuiten en de baas willen spelen, als hadden zij zelf niemand boven zich en waren zij niemand verantwoording schuldig. Maar de wil Gods is anders: de man mag zijn plaats als hoofd niet prijsgeven, omdat hij die plaats van Godswege ontvangen heeft, doch hij heeft altijd te bedenken, dat hijzelf aan Christus onderdanig is. En als hij zo, juist ook als hij een gelovige is, bedenkt, wie Christus voor hem, en al de zijnen wil zijn, zal hij zijn plaats met ere innemen. En met wijsheid en liefde.

Maar dan houdt het ook voor de vrouw helemaal niet iets vernederends in, om dit gezag te erkennen. Integendeel, omdat God Zelf het zo wil, ligt daar zégen in.

Dat dit zo is, wil de apostel nog stérker laten uitkomen. En daarom schrijft hij nog over die andere verhoudingen. Niet alleen is daar de verhouding Christus, man, doch ook man, vrouw en God, Christus. Christus is het Hoofd van iedere man, en de man is het hoofd der vrouw, en God het Hoofd van Christus.

De man het hoofd der vrouw! Eigenlijk hebben wij daar in het voorafgaande al genoeg over gezegd. Echter, thans willen wij nogeens er aandacht aan schenken, dat in het beeld van het hoofd zijn dus de gedachte schuilt van gemeenschap hebben en regeren. Het hoofd van het lichaam staat in een levende relatie met de andere delen van het lichaam en regeert die ook. Als alles goed functioneert, gaat dat vanzelf, en heeft het niets geforceerds. Alleen, als de spieren en zenuwen niet meer gewillig werken, als daar wat aan hapert, gaat dit niet meer vanzelf. Wij voelen dat echter dan als iets onbehaaglijks en wij weten: nu dreigt er gevaar, waardoor zelfs ons lichamelijk welzijn bedreigd wordt.

Wij bedoelen maar te zeggen, dat Christus het Hoofd is der zijnen en van de man in het bijzonder, spreekt eigenlijk vanzelf, zó is het de heilzame ordening Gods, en als dit functioneert, ligt er zégen in. Maar de zónde kan ook hier storend werken. Christus Zelf kan hier evenwel die storing opheffen en voorkomen, door met Zijn Woord en Geest in de harten te werken, opdat door het geloof deze ordening erkend worde. Zo ligt het ook met die verhouding tussen man en vrouw, 't Is Gods heilzame ordening, dat de man het hoofd der vrouw is en dat dit feit in die verhouding functioneert. De zonde echter kan ook hier zo storend werken. Maar genade doorbreekt en herstelt die storing. Genade doet dat in het innerlijk leven, en doet dat in heel het leven, eveneens, waar het deze verhoudingen betreft. Daarom kunnen wij immers in ons leven niet zonder die genade, noch met het oog op ons innerlijk leven, noch met het oog op heel het leven. Genade zal er ons ook naar doen staan, dat in het leven die heilzame ordening Gods functioneert, dat nl. de man het hoofd der vrouw is.

Wij wezen er reeds op, hoe deze ordening in de schepping gefundeerd ligt. Het schijnt ons toe, dat hier ook de aard van de man en van de vrouw ons iets te zeggen hebben. God heeft man en vrouw zó geschapen, dat de één niet minderwaardig is ten opzichte van de ander, wel anders. Over het algemeen heeft de man eigenschappen ontvangen, die hem meer stempelen tot voorganger, baanbreker, hoofd; bij de vrouw met haar sterker gemoedsleven en aanhankelijkheid ligt dat anders. Wel ontving zij ook gaven, waarop de man jaloers kan zijn. Daarom komt deze vaak tot volle ontplooiing van zijn mannelijke eigenschappen met de vrouw naast zich. En ligt er een diepe betekenis in de uitdrukking, dat de vrouw de man tot een hulp is.

't Is duidelijk, dat dit met name geldt voor het huwelijk. Dit is een bijzondere, door God Zelf gestelde levensverhouding, levenskring. Geldt dit echter in zekere zin ook niet van het maatschappelijke en sociale leven? Daar zijn ook levensverhoudingen en kringen, door God gesteld. En nu vragen wij: mag ook daar de vrouw niet bepaalde posities bekleden en kan ook daar dan niet uitkomen, dat de vrouw de man tot hulp is? Kan het leven niet het best tot ontplooiing komen als de vrouw hier in bepaalde zin naast de man haar plaats heeft? Echter, geldt ook hier niet, dat, wanneer ook op dit terrein almeer plaatsen voor de vrouw worden ingeruimd, wij ons toch wel moeten afvragen: is er geen verschuiving gaande, waarbij het hoofd zijn van de man ten opzichte van de vrouw te weinig dreigt te functioneren?

Wij dachten, dat dit hoofd zijn van de man mede van betekenis is voor de waag aangaande de vrouw in het ambt, doch dat dit eveneens van betekenis is binnen het huwelijk én voor het terrein van het maatschappelijke en sociale leven.

Intussen, wij verliezen niet uit het oog, dat het Paulus in ons teksthoofdstuk gaat om de handhaving van die gezagsverhoudingen welke God Zelf gesteld heeft voor het leven en die in het geloofsleven niet vervallen zijn, integendeel. Wij verliezen daarbij evenmin uit het oog, dat de apostel tegenover verkeerde gedachten van sommigen in de Corintische gemeente, juist ook het zegenrijke van die verhoudingen wil benadrukken. Weer denken wij hier aan ons oude Huwelijksformulier, dat op zon diepzinnige wijze spreekt over die verhouding van man en vrouw. De man is het hoofd der vrouw, gelijk Christus het Hoofd der gemeente, en de vrouw erkent dit hoofd zijn van de man, gelijk de gemeente het Hoofd zijn van Christus erkent. Gaat het hier om iets minderwaardigs, om knellende dwang, om een band, welke niet bij het leven past? Of gaat het hier integendeel om iets zeer zegenrijks? Wat is er heer­lijker, dan dat Christus Zijn scepter der genade zwaait over hart en leven en dan dat de zonde en het ongeloof bestreden en het ware geloof en de liefde, welke buigen onder die scepter, beoefend mogen worden?

Hoe zegenrijk en het tegendeel van minderwaardig deze gezagsverhouding is, maakt de apostel vooral duidelijk, door nog een derde levensverhouding te noemen, waarin de beide partijen in gemeenschap met elkaar staan en toch ieder een eigen positie hebben. Hij zegt immers in 1 Corinthe 11: 3 ook nog: en het Hoofd van Christus is God.

Even kijken we hier op. God het Hoofd van Christus? Dat kan natuurlijk niet betekenen, dat Christus in deze zin onder God zou staan, dat Hijzelf géén God zou wezen. Paulus loochent in deze uitspraak niet de eeuwige godheid van Christus. Andere plaatsen in zijn brieven en in de verdere Schrift stellen die duidelijk. Daarom, wie de godheid van Christus loochent, — en alle eeuwen door geschiedde dit —, tornt aan wat de Schrift zegt van het Wezen van de Christus. En die treft de leer der verzoening en der verlossing én van de zonde in het hart. Alles is er aan gelegen, dat onze Verlosser de eeuwige en enige Zoon Gods is en dat Hij als zodanig beleden wordt. Zou Hij dat niet zijn, dan is zeker Zijn werk der verzoening en der verlossing van niet zo geweldige diepte en waarde? Dan is zeker ook het kwaad, de zonde, waarvan verlossing moest teweeggebracht, niet zo geweldig? Voelen wij: de ene ketterij brengt vaak de andere mee!

Intussen, het gaat in onze tekst dus niet over de eeuwige godheid van Christus. Maar over iets anders. Laten wij er op letten, dat Paulus hier spreekt van Christus, niet van de Zone Gods of van onze Heere, neen, van Christus. Dat is immers de ambtsnaam en duidt de Zoon Gods aan als Degene, Die aangesteld is en „gezalfd" om onze Borg en Zaligmaker te zijn, om dat grote werk der verzoening en verlossing tot stand te brengen, als de grote Profeet en enige Priester en eeuwige Koning, Die om dat alles te volbrengen, ook op aarde is verschenen in onze menselijke natuur.

Ziet, in dit opzicht, bedoelt Paulus, is Hij aan de Vader ondergeschikt. Als zodanig is Hij door de Vader aangesteld, gezonden, aan de Vader gehoorzaam. Wij moeten er op letten, hoe de profeten spreken van de Knecht des Heeren, hoe Christus Zelf getuigt, dat Hij gekomen is om te dienen en dat het Zijn spijze is om te doen de wil Desgenen, Die Hem gezonden had. Hoe heeft Hij in Gethsemané geworsteld om Zijn wil onder de wil van Zijn Vader te voegen. En de Hebreeënbrief zegt van Hem, dat Hij gehoorzaamheid geleerd heeft uit hetgeen Hij geleden heeft. In deze zin hebben wij ook Johannes 14: 28 op te vatten, waar Jezus zegt: „Mijn Vader is méérder dan Ik".

En nu is dit hier het belangrijke, dat het dus wel duidelijk is, dat het bij dit Hoofd zijn van God over Christus niet gaat om een ondergeschiktheid in wezen, maar in positie. Ligt daar iets minderwaardigs in, dat Christus in dit opzicht die gezagsverhouding aanvaardde en erkende? Of strekte Hem dat juist niet tot eer? Lag er geen zegen in, eeuwige zegen, voor Zijn volk en voor de ganse schepping, welke toch ook betrokken is bij de vruchten van het werk der verlossing, dat Hem opgedragen was?

Welnu, verstaan wij dan, dat het Paulus' bedoeling is, alle kritiek op en schimp over de van God gestelde gezagsverhoudingen radicaal af te snijden? Dat God het Hoofd van Christus is en Christus dit Hoofd boven Zich heeft, leert ons, dat ook in de verhouding van man en vrouw, de vrouw niet staat als minder in wezen, doch wel anders. En dat het daarbij gaat om een gezagsverhouding, waarvan geldt, dat het alleen maar tot éér en tot zégen strekt, die te erkennen.

1 Corinthe 11 : 3 noemden wij het grondbeginsel. De consequentie van dit beginsel in het praktische leven, ook in de houding van de vrouw, in het openbaar, werkt Paulus dus nader uit in het vervolg.

Doch daarover de volgende keren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's