De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kroniek

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kroniek

9 minuten leestijd

Uit een bewogen verleden — „Lidmaten, die hun kerkgang blijvend verzuimen" — Uit de Synode.

Het bericht van het plotseling overlijden van dr. J. G. Geelkerken deed ineens voor mij een verleden herleven. Het verleden van de jaren rondom '24- '26, de aanklacht door „broeder Martinus" tegen zijn predikant, die hij beschuldigde van afwijkende gevoelens betreffende Genesis 3. Een felle strijd ontketende zich. Geelkerken was niet gemakkelijk; „een moeilijk mens" zei prof. Smelik van hem in de rouwdienst. En ook Buskes liet dat woord uit zijn pen gaan in het „In memoriam" in Herv. Nederland", d.d. 13-2-'60. En zij konden het weten, want ze waren medestanders en collegae in het H.V. Er was dus die twintiger jaren rumor in casu. Vooral in de Geref. Kerken. Maar niet minder in de pers; in velerlei conversatie. In de treinen zelfs, was „de sprekende slang" onderwerp van serieuze of raillerende discussie. Het pleit werd beslecht op de Synode van Assen, die in haar aanvangsstadium getroffen werd door het overlijden tijdens haar zitting van de eerste praeses dr. De Moor uit Utrecht. Geelkerken werd afgezet. Hij kon zich niet conformeren en trotseerde de breuk met zijn kerk, om van de inmiddels tot stand gekomen Geref. Kerken in H.V. de bezielende leider en moderator te worden. Dat verleden greep mij ineens weer, toen ik in „Trouw" dd. 6-2-'60 zijn portret zag, gemaakt toen hij vorig jaar z'n 80e verjaardag mocht vieren. En ik herkende in het vergrijsde gelaat de trekken van hem, gelijk ik hem gekend heb in de eerste jaren, dat ik predikant was. Hij zocht mij op en we hebben meermalen geconverseerd en getheologiseerd tot hij naar de „grote stad" ging. Uit roeping, want ze trok hem allerminst. Geen van tweeën hebben we in die tijd kunnen denken, dat hij nog eens hervormd zou worden, ook al waren er toen in zijn denken „Ansatze" van wat later zich rijper openbaarde. Hij had op de collegebanken bij dr. A. Kuyper Sr. gezeten, was bij prof. Bavinck gepromoveerd en uit de kring der Utrechtse doleantie, vereerder van wijlen ds. H. Hoekstra. De overgang met zijn kleine, selecte kerkengroep naar de Hervormde Kerk is hem gewis niet gemakkelijk gevallen. De oecumenische instelling, reeds in zijn studententijd hem eigen, zal Geelkerken geholpen hebben met de zijnen de stap te doen. En de „vernieuwingen" in ons kerkelijk leven zullen er mede een rol in gespeeld hebben.

De schrijver van het in memoriam in „Trouw" zegt, dat Geelkerken „eigenHjk bij zijn leven al de kerkhistorie is ingegaan, wat hij en de zijnen niet zochten". Na 1926 heeft Geelkerken zich niet meer in het publiek over „Assen" in de strijd geworpen. Want de strijd om „Assen" ging door. Visscher's boek: „Het Paradijsprobleem" dateert ook uit die tijd.

Buskes het, betreffende „Assen" het woord „fundamentahsme" vallen. Is dat terecht? Zeker, het ging in die strijd voor Geelkerken en de Gereformeerde Kefk om de fundamenten. Daarom gaat het nog, ook in ons kerkeHjk leven. Er staat immers ook zoiets van „de fundamenten aantasten" in onze K.O.!

Dankbaar voor het contact dat ik betrekkelijk kort met hem had, gedenk ik Geelkerken, als de man, die stond voor zijn overtuiging, welke naar hij meende goed gereformeerd was. Bij alle verschil in zienswijze, zij zijn voorbeeld stimulerend in onze generatie. Gedenk aan de fundamenten!

Zijn we in de kerk aangeland bij wat Prediker zegt in c 1 : 6; „al deze dingen worden zo moede, dat niemand het zou kunnen uitspreken."

Neen, nu heb ik niet het oog op „de vlucht uit het ambt". Ook niet op het feit, dat er te weinig jongeren zijn, die lust en roeping hebben tot het „wondere" ambt, een verschijnsel hier, in Duitsland en Zwitserland en waar maar meer, waaraan prof. Lekkerkerker een deel van de „Kroniek" in „Kerk en Theologie" (jan. '60) wijdde.

Ik dacht aan wat in „Hervormd Weekblad", dd. 28-1 en 4-2-'60 stond te lezen onder het opschrift: „Lidmaten, die hun kerkgang blijvend verzuimen."

Een kerkeraad, — is hij ten einde raad betreffende deze materie? — wilde dergelijke leden een brief sturen, welke ik niet in zijn geheel overneem, omdat hij te veel plaats zou innemen, doch waarvan het slot luidt:

„Mocht u echter willen blijven volharden in deze schending van uw belijdenisbeloften, zo raadt de kerkeraad u aan bij hem ontheffing te vragen van uw belijdenisbeloften en u af te scheiden van de Hervormde Kerk. U kunt daartoe gebruik maken van bijgaand formulier. Invulhng en inzending daarvan heeft ten gevolge, dat u niet langer gerekend zult worden tot de lidmaten der kerk en niet langer zult worden aangesproken over het niet-nakomen van uw beloften.

De kerkeraad hoopt en bidt evenwel en zal met de gemeente in de kerkdienst bij name voor u bidden, dat aan uw nalatigheid weldra een einde zal komen en dat u met vreugde zult gaan meeleven in het leven der kerk en zult gaan meewerken aan de opbouw der gemeente."

Voorts is aangehecht of bijgevoegd een stuk, waarop „hij of zij" aan wie gericht, naam etc. kan invullen en ondertekenen het verzoek waarin de kerkeraad gevraagd wordt hem of haar van „voor God afgelegde belijdenis, verklaring of belofte" te willen ontheffen.

De kerkeraad der hervormde gemeente hier bedoeld — te X — heeft de classis om advies gevraagd over dit stuk, dat gelukkig nog niet is verzonden. Ook aan prof. Van Itterzon, de redacteur van de „Vragenbus" werd het concept ter fine van advies gezonden.

De commissie, door de betreffende classis benoemd, heeft met klem van argumenten dit stuk afgekeurd, hoezeer waarderend de goede bedoeling, welke zij wel aanvoelde.

Een dergelijk antwoord gaf ook prof. Van Itterzon. Hij wees ondermeer op de fout, als zou een kerkeraad iemand kunnen ontheffen van een door hem of haar „voor God afgelegde belofte".

Het stuk herinnerde mij aan formulieren, indertijd kwistig uitgedeeld door „De Dageraad" aan leden en doopleden die practisch met de kerk gebroken hadden, maar bedanken per deurwaardersexploit te veel moeite en te kostbaar vonden. Ze bedienden zich, na inlichting door leden van bovenvermelde vrijdenkersvereniging van het hun verstrekte papier. De kerkeraad van X zou eigenlijk de weg, door „de Dageraad" aanbevolen, ook al gruwt hij van die vrijdenkersgroep, bewandelen. Zijn brief, indien uitgegaan, zou een stroom van ergernis over heel de kerk doen uitgolven. En terecht! Want hoezeer de kerk ook in het pastoraat, tucht moet oefenen, tucht bedoeld allereerst öm te trekken, om te behouden. Wat prof. Van Itterzon als remedie in plaats van bedoeld concept, aanbeval is: „Huisbezoek en nog eens huisbezoek". Ja, dat is het middel. Nooit een dergelijke schriftelijke invitatie. „Scripta monent", het geschrevene blijft  en veroordeelt zo menigmaal de schrij­ver.

Nu veronderstel ik wel, dat de kerkeraad van X huisbezoek en pastoraat zal hebben betracht. En ik kan er inkomen, dat de verdrietelijke ervaringen zovele waren, dat men in zijn teleurstelling en vermoeienis tot dit voorstel kwam. Doch tegen dergelijke ervaring zij er een zich sterker in de Heere Jezus, met ontferming bewogen over de scharen, „omdat ze waren als schapen zonder herder".

Over „Pinkstergroeperingen", „Geloofszending", Doopmoeilijkheden en het gravamen indertijd door ds. Duetz, toenmaals predikant van de Hervormde Gemeente van Zeist ~ nu dient hij de Hollandse Hervormde Gemeente van Geneve — ingediend tegen de „Verkiezing, het hart der Kerk" (D.L.I) heeft de Generale Synode der N.H.K., op 8 en 9 februari jl. bijeen, gehandeld. Het waren dus voornamelijk sectarische stromingen, over welke onze hoogste kerkvergadering had te delibereren.

Over secten — ze groeien in onze tijden onrustbarend — schreef prof. Berkouwer in „Trouw", dd. 13 februari jl. een zeer lezenswaard artikel met als opschrift: Boete en Apologie. Een Duits auteur had kort geleden geschreven, zo meldde prof. Berkouwer, dat de kerk zich tegen de secte niet moest verdedigen, — geen apologie! —, doch dat zij, gezien haar zonde en verzuim betreffende datgene, wat de secte in haar (de kerk) miste en nu zelve propageerde, zich had te bekeren, boete te doen. Prof. Berkouwer is het daarmede niet ten volle eens en aanvaardt niet in alle delen het gezegde: „secten zijn de onbetaalde rekeningen der kerk". Hij herinnert vervolgens aan wat Schilder meer dan 30 jaar geleden schreef: „Van kerk tot kring een afval". In dat verband zegt B. dan: „maar er is waarlijk plaats om in en vanuit de openheid tot zelfkritiek en bescheidenheid dringend te waarschuwen tegen wat als de meest onbetwijfelbare waarheid wordt voorgehouden aan vele eenvoudigen in onze tijd.

Er ligt ook in allerlei secten, met name van onze tijd, een bewuste strijd, niet in verband met wat de Kerk in de practijk van haar leven mist of niet genoegzaam verwerikt heeft, maar eveneens tegen wat de kerk behjdt en als het heil Gods in de wereld verkondigt.... Er is vaak een fanatisme in de secte, dat waar­lijk uit diepere bronnen wordt gevoed dan uit accenten, die, eenmaal door de kerk opnieuw gelegd, wel weer de poort naar de Kerk zouden openen. Daarom geen dilemma tussen Boete en Apologie". Hij wijst dan op Matth. 24 : 26.

Begrijp ik het verslag van de Synodezittingen goed, dan zal het getuigenis, dat ter verweer mtgaat en ook leesbaar is voor gewone gemeenteleden in de geest worden samengesteld als uit het citaat uit Berkouwer's stuk spreekt. Dit geldt ook het verweer tegen de „Geloofszending", waarover het volgende:

„De naam „geloofszending" is te verklaren uit de afkeer van de meeste hunner van georganiseerde financiële acties voor het bijeenbrengen van geld. De grondslag van hun financiële beleid is het geloof, dat God hun op de rechte tijd het nodige geld zal doen toekomen. De geloofszendingen zijn vaak geworteld in kringen waar men weinig oog heeft voor de noodzaak van de confrontatie van evangelie en cultuur, van de beoefening van de theologie als een vorm van geloofsgehoorzaamheid. Hun zendelingen ontvangen hun opleiding aan bijbelscholen. Bij vele geloofszendingen bestaat de praktijk van het overdopen van reeds gedoopten. Vele geloofszendingen — niet alle — weigeren andere arbeid te respecteren en tonen vaak grote onverdraagzaamheid ten opzichte van andere zendingen. Het bestaan der geloofszendingen is voor de kerkelijk en oecumenisch gezinde zendingen een voortdurende waarschuwing tegen het gevaar .van te weinig te leven uit de verwachting van de komst van het Koninkrijk Gods en van zich in de wereld te vast in te richten.

Aanbeveling van financiële acties van geloofszendingen door predikanten en kerkeraden moet ontraden worden".

Over de herdoop, die, blijkens verslag, meerdere belijdende leden voor zich vroegen en ontvingen, is de reactie mij te slap. Zeker, men moet trachten de dwalenden terecht te wijzen. Maar is het juist, ambtsdragers, die zich heten wederdopen, in hun ambt te laten, totdat hun zittingsperiode is afgelopen?

Heeft de Synode, die zich deed vertegenwoordigen bij de grote Calvijn-herdenking, niet zijn schim zien rondwaren en de permanente bestrijding door de Geneefse hervormer van de wederdoperij als in een echo gehoord?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Kroniek

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's