De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

11 minuten leestijd

In de vorige persschouw werd de veronderstelling geuit, dat de commissie voor het opzicht uit de generale synode wel de procedure, voorgeschreven in hoofdstuk IV van ordüiantie 11, op het oog heeft gehad, toen zij sprak van „een andere weg, die buiten het terrein van een commissie voor het opzicht ligt en meer geëigend is voor de behandeling van vragen, het belijden der kerk betreffende".

Deze veronderstelling is juist gebleken. „Kerk en Wereld", het weekblad van de Vereniging van Vrijzinnig Hervormden, verbond aan de weergave van de uitspraak van de generale commissie voor het opzicht, twee conclusies, nl. „dat er dus geen maatregel van tucht tegen prof. P. Smits genomen dient te worden", en dat genoemde uitspraak „een gelukwens aan prof. Smits en aan de Hervormde Kerk waard is".

Mede in verband met nog enkele andere reacties op de beslissing van de generale commissie voor het opzicht om het besluit van de provinciale commissie van Zuid-Holland, waarbij aan prof. Smits de bevoegdheden als van een emeritus-predikant werden ontnomen, te vernietigen, geeft de hoofdredacteur van „Hervormd Nederland", ds. F. H. Landsman, in het nummer van 20 febr. jl. onder de titel „Misvattingen" enkele kanttekeningen bij de uitspraak van de generale commissie.

Hij schrijft o.a. het volgende:

Wat de generale commissie voor het opzicht heeft uitgemaakt is nl. dat als er klachten zijn t.a.v. de belijdenis van een emerituspredikant of tegen iemand die, hoewel geen dienstdoend predikant meer zijnde, dezelfde rechten als een emeritus-predikant heeft (nl. de bediening van Woord en Sacramenten), deze klachten op dezelfde manier dienen te worden behandeld als golden ze de dienst des woords en de catechese van een dienstdoend predikant.

Dat wil zeggen dat de commissie voor het opzicht, classicaal, provinciaal of generaal, daar dus niet aan te pas komen. Er moet dan een geheel eigensoortige procedure worden gevolgd, die is vastgelegd in het vierde hoofdstuk van ordinantie 11 van de kerkorde, waarbij het initiatief berust bij de provinciale kerkvergadering, de provinciale visitatoren een belangrijke rol spelen, de raad voor de zaken van Kerk en Theologie wordt ingeschakeld en uiteindelijk de generale synode de eindbeslissing heeft. Maar vóór het zover is moet er een lange weg worden afgelegd, die de bedoeling heeft aan het „handhaven" van de belijdenis in de Hervormde Kerk een eigen karakter te geven en overijlde en niet verantwoorde beslissingen te voorkomen.

De uitspraak van de generale commissie betekent dus dat nu vastgesteld is dat de Hervormde Kerk als ze wil uitgemaakt zien of prof. P. Smits in zijn verkondiging en kerkelijk onderricht al dan niet „De gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift aantast en de gemeenschap niet de belijdenis des Vaderen verbreekt", de lange weg zal moeten gaan, die we zoeven aanduidden.

Dit is duidelijk. De generale commissie heeft dus alleen een beslissing genomen ten aanzien van de procedure-kwestie, en dus niet uitgesproken, dat de leringen van prof. Smits al of niet de fundamenten der kerk aantasten. Ds. Landsman schrijft dan ook:

Of er te dien aanzien, ooit de beslissing zal vallen hangt nu in eerste instantie af van de provinciale kerkvergadering van Zuid-Holland die zal moeten besluiten al dan niet de eerste schreden op de meergenoemde lange weg te zetten.

Intussen publiceerde „Kerk en Wereld" van 26 febr. jl. de letterlijke tekst van de uitspraak van de generale commissie, waarin o.a. te lezen staat, dat de commissie voor het opzicht uit de generale synode.

Overwegende, dat de uitspraken van prof. dr. P. Smits en de ingekomen brieven daarover voor de Provinciale Kerkvergadering van Zuid-Holland de „redenen" zouden kunnen zijn, waar Ordinantie 11.15.1 van spreekt en behandeling volgens hoofdstuk IV mogelijk was en is, aangezien bij de zeer ruime formulering van Ordinantie 11.14.3 een uitleg mogelijk is, waardoor ook emeriti-predikanten en zij, die de bevoegdheid als van een emeritus bezitten, wanneer en voorzover zij werkzaam zijn in de dienst des Woords of de catechese, vallen onder het opzicht, zoals dit in hoofdstuk IV van Ordinantie 11 geregeld is;

het besluit van de provinciale commissie van Zuid-Holland vernietigt.

Het kan de lezers van dit blad bekend zijn, dat prof. Van Itterzon een en ander maal gewaarschuwd heeft tegen een kerkordelijk onjuiste procedure in de zaak prof, Smits, die, naar hij meende, zich bezig was te voltrekken. De feiten hebben hem in het gelijk gesteld.

Prof. van Itterzon vreest edhter opnieuw dat er stukken zullen gemaakt worden. Wat is het geval? Deze deskundige in het kerkrecht is het er ten enenmale niet mee eens, dat ord. 11 in deze zaak moet gehanteerd worden. Hij is van mening, dat hier ord. 13.29.5 van toepassing is, d.w.z. dat het breed-moderamen van de generale synode hier handelend op moet treden. In een bewogen artikel in het „Hervormd Weekblad" van 25 februari jl. geeft hij uiting aan zijn verontrusting en waarschuwt hij de kerkelijke instanties opnieuw voor onjuiste beslissingen. Volgens prof. Van Itterzon zou het een ramp zijn,

als de kerkelijke procesvoering nu een tweede weg opging, die na enige tijd eveneens hopeloos onbegaanbaar zou blijken te zijn. Het is mijn vaste overtuiging, dat wij, als wij de weg van hoofdstuk 4 van Ord. 11 opgaan, wij vroeg of laat het bord zullen vinden: Doodlopende weg. In elk geval staat er zoveel prikkeldraad, dat er geen doorkomen aan is. Want hoe staan de zaken?

Hoofdstuk 4 van Ord. 11, dat de artikelen 14-18 omvat, regelt het opzicht over de dienst des Woords en de catechese. Daarbij is gedacht aan de dienstdoende predikant, die niet om de eerste de beste onbenullige kwestie voor het front kan worden geroepen, maar die werkelijk alleen moet worden aangesproken, als hij de fundamenten der kerk aantast.

En even verder schrijft hij:

Met geen enkel woord maakt hoofdstuk 4 (zo zullen we het nu maar kortheidshalve noemen) er melding van, dat dit hoofdstuk ook van toepassing zou kunnen zijn, mutatis mutandis (d.i. na veranderd te hebben wat veranderd moest worden, dus: met de nodige wijzigingen) op een predikant, die eervol van zijn ambt ontheven is, al heeft hij daarna ook als kerkelijke gunst de bevoegdheden als van een emeritus-predikant ontvangen. Want zo zonder meer is het zonneklaar, dat de artikelen 15-17 van Ord. 11 gewagen van een dienstdoend predikant en niemand anders. Dus, toegepast op het geval van prof. Smits, niet op prof. Smits. Want prof. Smits is 'geen dienaar des Woords meer. Hij is immers officieel „eervol van zijn ambt ontheven". Ontheven! Geen ambtsdrager dus. En, voor zover mij bekend, is prof. Smits toch achteraf niet weer werkzaam geworden „in enigerlei bediening of functie" „in de dienst des Woords en van de catechese" (Ord. 11, art. 14, lid 3). Als nu prof. Smits igeen ambt, bediening of functie meer heeft, hoe kan men hem dan in goeden gemoede laten vallen onder de bepalingen van hoofdstuk 4?

Met de bepalingen van de kerkorde voor ogen bewijst dan prof. Van Itterzon, dat het niet mogelijk is prof. Smits te laten vallen onder de bepalingen van hoofdstuk 4 van ord. 11. Eén voorbeeld;

Art. 15, lid 1. ,,Een provinciale kerkvergadering of haar breed moderamen, redenen hebbende om aan te nemen, dat een dienaar des Woords bij de verrichting van de aan zijn ambt verbonden werkzaamheden zo predikt en leert, dat hij de fundamenten der kerk aantast, draagt aan visitatoren-provinciaal op, een onderzoek daarnaar in te stellen."

Neem er goede nota van: „Dienaar des Woords." Dat is prof. Smits niet meer, ook niet, als hij nu en dan op zondag ergens een kerkdienst leiden mag. Ook al mag hij dan (op zijn wijze) het Woord bedienen, een dienaar des Woords in de zin der kerkorde is hij niet meer. Hij is hoogleraar gevsrorden. Hij heeft niet, zoals elke dienaar des Woords, toegang tot vergaderingen van kerkeraden en classes. Hij kan nooit als predikant naar de synode, classicaal, worden afgevaardigd. Ik lees verder; „zijn ambt". Maar dat heeft hij nu juist niet. Hij heeft dus ook geen „werkzaamheden", die aan zijn ambt verbonden zijn, waarin hij fundamenten-aantastend zou kimnen prediken en leren.

Eerlijk gezegd, zie ik er prof. Smits op aan (ik toen nooit zijn advocaat geweest en ben het ook nu niet), dat hij al spoedig zal wijzen op het kerkelijk prikkeldraad en het bordje: doodlopende weg. Als prof. Smits, blijkens het gepubliceerde provinciale besluit, heeft geweigerd voor de provinciale commissie voor het opzicht te verschijnen, kon hij ook wel eens weigerend antwoorden op een oproep der provinciale kerkvergadering. Zo'n oproep, die volgens de uitspraak in hoger beroep blijkens de kanttekeningen van ds. Landsman op hoofdstuk 4 zou moeten worden gegrond, zou kortweg beantwoord kunnen worden met de mededeling: Ik ben geen dienaar des Woords, heb geen ambt en val dus niet onder Ord. 11, art. 15, lid 1.

Heel fel opponeert prof. Van Itterzon tegen de opmerking van ds. Landsman, dat de generale commissie heeft uitgemaakt, dat hoofdstuk 4 van ord. 11 op de zaak van prof. Smits van toepassing is.

Tegen deze zienswijze meen ik, in het belang der zaak en van de gehele kerk zelf, met de meeste klem te moeten opkomen. De generale commissie voor het opzicht heeft geen recht wetten en bepalingen te maken. Zij mag die alleen hanteren en uitvoeren.

De P.K.V. van Zuid-Holland krijgt een dringende waarschuwing: hanteer ord. 11.15.1 m dit geval bepaald niet. En het breed-moderamen van de synode krijgt het advies: herzie uw standpunt en handel volgens ord. 13.29.5.

Wij menen, dat prof. Van Itterzon volkomen gelijk heeft, en wij hopen, dat men de waarschuwing en het advies van deze hoogleraar niet in de wind zal slaan, zoals kennelijk in het verleden gebeurd is. Het mag geen prestigekwestie worden. Het zou een knak zijn voor het prestige van de Hervormde Kerk, als de leidinggevende figuren in onze kerk pas na geleerd te zijn door schande en schade heen, zouden moeten bekennen: Van Itterzon had toch gelijk.

Deze kwestie heeft ook nog een andere kant. De wijze, waarop in de kerkorde gesproken wordt over de functionering van de leertucht, m.n. de zinsnede: de kerk weert wat haar belijden weerspreekt, heeft altijd bezwaren opgeroepen van de kant van hen, die een totaal andere visie hebben op het probleem van de Hervormde Kerk, nl. zij, die in het verleden, bij de vaststelling van de nieuwe kerkorde, geijverd hebben voor handhaving van de belijdenis, en die de huidige formuleringen van de kerkorde daarvoor veel te vaag en onduidelijk vinden. Deze vaagheid en onduidelijkheid wreekt zich nu.

Zeker, ds. Landsman schrijft ronduit — en wj zijn daar blij mee:

En daarom hebben ook zij ongelijk die verontwaardigd zijn omdat nu dus wel duidelijk is dat in de Hervormde Kerk „Alles maar gezegd mag worden".

Maar nu verder:

Of dat wat prof. Smits in zijn puiblikaties als zijn mening over de verzoening, het gebed, het christelijk geloof en de „andere Godsdiensten" naar voren heeft gebracht, al dan niet de fundamenten der kerk aantast, is door de kerk nog niet uitgemaakt. En daarom ook nog niet of prof. Smits al dan niet zal moeten worden uitgenodigd van zijn bevoegdheden als van een emeritus-predikant af te zien.

In de opmerking van ds. Landsman, dat het door de kerk nog niet is uitgemaakt of prof. Smits al dan niet de fundamenten der kerk aantast, is de huidige crisis van de Hervormde Kerk ten voeten uit getekend. Want wij dachten in onze onnozelheid, dat dit juist wel uitgemaakt was, en dat daarom prof. Smits niet het recht mag hebben Woord en Sacramenten te bedienen in onze kerk. Misschien zegt men: dit is al te spitsvondig, maar met dit zeggen wordt de zaak, waar het om gaat, eerder vertroebeld dan verhelderd. Wil de Hervormde Kerk metterdaad een reformatorische kerk zijn, dan valt op dit punt een beslissing. De kerk der eeuwen heeft geloofd en gelooft nog dat het verzoenend hjden en sterven van Jezus Christus de inhoud van het Evangelie is. Dat behoeft door de Hervormde Kerk in de 20ste eeuw niet meer uitgemaakt te worden. Als het breed-moderamen van de synode de weg zou gaan van ord. 13.29.5 en in haar beslissing het bovenstaande zou honoreren, zou deze beslissing van een enorme importantie zijn. Op zo'n beslissing hopen wij alsnog, om der wille van de rechte bediening des Woords en der sacramenten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's