TOT OP DEZE DAG
HUISBEZOEK EN AVONDMAALSVRAAG
10
Waarom is huisbezoek eigenlijk nuttig en nodig?
In een tijdperk van 50 jaar is er heel wat veranderd; ook in de kerk. Veel dingen worden heel anders aangepakt dan voorheen. Maar wat tot heden althans bleef en ook blijven moet in de toekomst, dat is het huisbezoek.
Ik geloof, dat in onze Hervormd-Gereformeerde Gemeenten er meer werk van gemaakt wordt dan voorheen. En dat is ook heel nodig. Want evenzeer als wij in het bouwen van kerken verre ten achter staan bij anderen, is dat ook het geval met het bezoeken van de huisgezinnen der Gemeenten. Vooral in de grote steden is dat zo. Hele straten en wijken wachten al zo lang op kerkelijk bezoek, dat maar niet komt. De dominees schijnen hoe langer hoe meer bezet te zijn met vergaderingen en bestuursfuncties van allerlei aard en soort. Men heeft vaak het oog op het massale en hoog geeft men op van de indruk die er van uitgaat.
Een paar jaar geleden vroeg een vooraanstaand synodelid mij nog of ik ook niet meende dat gemeenteavonden en dergelijke niet meer effect sorteerden dan het bezoeken van gezin voor gezin?
Daar hebt u het weer: Wij leven tegenwoordig toch wel in een explosieve tijd; het moet daveren en knallen. De kerk moet volgens hen meer van zich doen spreken.
Ik ontken niet, dat aldus ook mensen kunnen worden gegrepen; in geen geval echter mag het huisbezoek daaronder lijden. Grote bijeenkomsten lenen zich nu eenmaal niet voor intieme gesprekken. De kerk moet ook bij monde van hare ambtsdragers, bij de huisgezinnen zelf op bezoek. Daar is het intieme gesprek op zijn plaats en kan men van hart tot hart elkander naderen.
De Roomsen overdrijven het wel heel sterk met hun geloof in de kerkelijke Moeder. Dat is het éne uiterste. Maar lopen wij soms niet min of meer gevaar, in het andere uiterste te vervallen?
De Roomsen verafgoden een Moeder, die zij zelf in het aanzien riepen. Maar dreigt onder ons niet het gevaar, de kerkelijke moeder te veel te verachten?
Uitdrukkingen als: „ik geef om de kerk niets!" zijn aan de „wanorde" van de dag.
Iemand zegt: „Ik geloof in het gezag van het Woord, niet van de kerk." Maar Woord en Kerk behoeven geen tegenstellingen te zijn. Christus Zelf heeft toch Zijn Kerk ingesteld. De ware Kerk van Christus komt met het Woord. En als zodanig zijn wij haar ook meteen gehoorzaamheid verschuldigd.
Zó moeten dan ook de dominees en de ouderlingen met dat Woord Gods aan huis komen. Dus de Kerk moet aan de wandel.
Verondersteld: Daar staat een kerkgebouw in het midden van uw wijk. Het Woord Gods wordt er iedere zondag verkondigd. U kunt daar op de dag des Heeren terecht en bij bijzondere gelegenheden ook op andere tijden. U maakt de Openbare Eredienst daar mee en begeeft u naar huis tot de volgende zondag.
Gedurende een week staat die kerk daar dan verder leeg en verlaten. Zij doet niets en zij doet ook u niets. En de hele week bruist het drukke mensengejaag er langs.
Zeker: als Gods Woord door Zijn Geest u trof, dan neemt u dat Woord mee en het kan een week of langer uw zielevoedsel blijven. Maar die kerk zelf spreekt u dan verder niet aan. U neemt niet uw hoofddeksel af, als u er langs gaat. Wanneer zij gedurende de dagen der week geopend was, zou u er eens naar binnen kunnen gaan, om de drukte der wereld een ogenblik te ontvluchten en in stilte wat te mediteren. Kwaad zou het niet kunnen. Maar u voelt wel: daar is een leegte.
De kerk zonder Evangelieprediking en dus ook zonder de bediening van het Heilig Sacrament bhjft dan voor u een lege, stille ruimte. Een geweldige kathedraal met machtige gewelven en pilaren kan u boeien, vooral wanneer u van kunstgevoel niet is ontbloot. Er kan een soort gewijde stemming over u komen. Maar daarbij blijft het dan ook en wij gaan toch niet naar de kerk om te bewonderen architectonische kunst, hoe schoon zij ook kan wezen.
Daarom moet die kerk, en nu bedoel ik het aards kerkelijk instituut, de gemeente, die daar bijeenkomt, dan ook meer doen. Christus' Kerk is geroepen om in hare dienaren ter deure uit te treden en de leden der gemeente ook in hunne huizen te bezoeken en in liefde te vervolgen met datzelfde woord, dat men gedurende de zondag binnen hare muren vernam. De kerk wil u opzoeken midden in uw leven en daarin moet zij haar karakter openbaren. Zij wil woning bij u maken, zoals God in de Zoon Zijner liefde woning onder ons maakte.
Als dat niet zou gebeuren, dan zou er aan de bediening van het Ambt geweldig veel ontbreken. Alsof de Evangelie-boodschap binnen de muren van het „kerkfort" moest blijven! Christus heeft toch tot Zijn discipelen gezegd, dat zij het zout der aarde zijn.
Ik noemde daar een woord: Doen onze kerken vaak niet denken aan ouderwetse forten met kanonnen op de wallen, vanwaar des zondags nog een kogel wordt afgevuurd, de wijde wereld in, maar binnen zit men veilig en verschanst achter de borstwering en steunt men soms in verkeerde zin op zijn ware leer en behjdenis. Ons land ligt vol van dergelijke kerkelijke forten, van waaruit het klinkt: „des Heeren tempel zijn wij", maar waar de nood buiten de muren vaak geheel vergeten wordt. Het is al meer gezegd:
Wie altijd praat van zijn princiep. Bij hem. zit het meer hoog dan diep.
De Kerk van Christus moet bedenken, dat zij schatten heeft uit te dragen. Ook het geringe, eenvoudige werk moet ons lief zijn. Waarom? Omdat het Hem, de Heere, zo lief was. Is een dominee alleen studeerkamergeleerde en niet meer, dan blijft er tussen hem en de leden der gemeente een bedenkelijke gaping en afstand.
Daarom gaan de ambtsdragers, dominees en ouderlingen, dan ook op huisbezoek. Liefst met zijn tweeën, als het kan. In de dorpen is dit doorgaans nog wel uitvoerbaar en kan er in de Kerkbodes bekendheid aan gegeven worden. In de steden zijn de moeilijkheden groter. Het huisbezoek is daar praktisch beperkt tot de avonduren en de stadswijken zijn door hun uitgestrektheid haast niet te overzien.
Wanneer men binnentreedt, vraagt men natuiurlijk eerst naar de welstand der bewoners. Het spreekt vanzelf, dat men dat doet, niet voor de vorm, maar uit oprechte belangstelling.
Misschien komt de gedachte bij u op: Welke welstand meent u, de lichamelijke of de geestelijke? Dit doet mij denken aan „de dagen van ouds", een 50-tal jaren terug. Als u dan binnenkwam en vroeg naar de welstand, dan kon men u soms antwoorden: „Mocht het maargoed wezen, dominee!" Men vatte uw vraag meestal direct geestelijk op. Maarzo geestelijk behoeven wij mensen toch niet te wezen. God heeft ons niet geschapen als engelen (alleen geest) maar als mensen (lichaam en geest). Dat lichaam is dus niet te minderwaardig, om over te den ken of te praten (in stilte vinden wij dat toch ook niet) maar ook voor onze lichamelijke welstand hebben wij dankbaar te zijn.
Meer dan eens heb ik de mensen daarop dan ook gewezen, dat ik de lichamelijke welstand bedoelde. Want men scheen het als een zonde te beschouwen, om bij het binnentreden daarmee te beginnen. Waren dominee en de ouderling dan twee geestelijke wezens, die over de weg liepen en binnentraden? Overigens geloof ik niet, dat deze dingen nu nog veel voorkomen.
Wanneer wij dan binnen zitten, gaan wij niet praten over koetjes en kalfjes, over de nieuwtjes van de dag.
Hebt u te doen met „rederijkers", die op handige wijze u willen afleiden van het doel, waarvoor u kwam, laat uw rede dan nog rijker zijn, door op vriendelijke wijze hen te overtreffen, door het aangesneden onderwerp desnoods plotseling af te breken en te beginnen met de Zaak. Want de zaak des Konings heeft haast.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's