De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het Nieuwe Testament

10 minuten leestijd

1 Cor. 11 vers 4-6.

V

De vorige keren zagen wij, hoe Paulus in vers 3 het grondbeginsel aangeeft voor de verhoudingen in de gemeenten, vooral ook met het oog op het optreden van de vrouw in het openbaar en in de samenkomsten. Zelfs in de goddelijke „huishouding" is er een zekere gezagsverhouding, welke met iets minderwaardigs niets te maken heeft. Integendeel. Zou die verhouding er dan ook niet zijn onder de mensen, tussen man en vrouw, in de wereld, in de gemeente Gods? En zou die niet geëerbiedigd moeten worden? Zo moet het in het leven gestalte krijgen: God is het Hoofd van Christus, Christus 't Hoofd van de man en de man het hoofd van de vrouw.

Thans letten wij op wat de apostel schrijft in de volgende verzen, waarin hij nader ingaat op de praktische toepassing van dit grondbeginsel.

Deze verzen bieden echter moeilijkheden, vooral in verband met wat Paulus schrijft in 1 Cor. 14 : 34-36. Er is immers in deze verzen sprake van profeteren en bidden. Blijkbaar moeten wij hier denken aan een bidden in het openbaar, waar anderen getuigen van zijn. En wat dat profeteren betreft, daarbij moeten wij stellig denken aan een bijzondere Geestesgave, welke in de tijd van de apostelen meer voorkwam in de gemeenten. Toen bezat de Kerk nog niet het geschreven Woord Gods in het Nieuwe Testament, dat was toen bezig te ontstaan. Welnu, in die tijd waren er in de gemeenten wel mensen, die, bijzonder begiftigd met werkingen van de Heilige Geest, bijzondere openbaringen Gods ontvingen. Deze hadden tot inhoud, wat in bepaalde situaties geweten en gedaan moest worden. En die mensen moesten dus die bijzondere openbaringen doorgeven ten dienste van de gemeenten. Daarom ligt het voor de hand, dat dit profeteren in de samenkomsten der gemeenten geschiedde. Er zijn verklaarders der Heilige Söhrift, die beweren, dat dit laatste niet altijd het geval was. Dat pro­feteren was wel tot opbouw van de gemeenten, maar vond niet altijd in de samenkomsten der gemeente plaats. Verwezen wordt hierbij naar Hand. 21, de geschiedenis van Agabus in Caesarea; een profeet, die profeteerde in betrekking tot de overlevering van Paulus. Dit zou, volgens deze uitleggers der Schrift, gebeurd zijn buiten de samenkomsten der gemeente. Echter, de omgeving van de bedoelde tekst in Hand. 21 wijst er op, dat het heel goed wél in een samenkomst kan hebben plaats gevonden. Zo ligt het ons inziens het meest voor de hand om aan te nemen, dat dit bidden en profeteren, waarvan de apostel in 1 Cor. 11 spreekt, ook in de samenkomsten der gemeente geschiedde.

Maar dan gebeurde dit dus ook door vrouwen. Echter, dan rijst hier de moeilijkheid: hoe valt dit dan te rijmen met wat de apostel schrijft in 1 Cor. 14, het zgn. zwijggebod: „dat uw vrouwen in de gemeenten zwijgen"?

Intussen, de uitleggers zijn het er evenmin over eens, wat Paulus in 1 Cor. 14 eigenlijk bedoelt. Er zijn er, die het als volgt stellen: in de gemeenten hadden sommigen bijzondere charismata (Geestesgaven) o.a. de gaven der profetie. De apostel wil dat, omdat het zo licht tot uitwassen aanleiding gaf en omdat zo gauw als wijsheid van de Heilige Geest werd uitgegeven, wat uit „de wijsheid" van eigen overspannen geest was, onder controle hebben. Er waren inderdaad ook in de gemeenten anderen, die dat controleerden. Zij beproefden de geesten, toetsten en beoordeelden ze en bespraken zo, wat inderdaad van betekenis was voor de gemeenten. Nu namen wellicht ook vrouwen aan dit critisohe werk deel. Paulus echter wil dat niet. En dan denkt hij hierbij vooral aan de getrouwde vrouwen. Welnu, laten die thuis hun mannen vragen.

Zou dit werkelijk de betekenis zijn van wat de apostel in 1 Cor. 14 schrijft, dan is dit natuurlijk niet in strijd met wat hij schrijft in 1 Cor. 11. Want dan gaat het in deze hoofdstukken om verschillende zaken. Dan kan echter 1 Cor. 14 ook niet gelden als argument voor het standpunt, dat de vrouw uit het ambt geweerd moet worden, omdat het dan in dit hoofdstuk om iets geheel anders zou gaan. Persoonlijk menen wij ook, dat deze argumentatie niet hangt aan 1 Cor. 14. Wij schreven er reeds over, dat er andere gegevens in de Schrift zijn, en dat er andere lijnen in de Schrift zijn aan te wijzen, welke pleiten tégen de vrouw in het ambt, nl. heel de kwestie van de verhouding man, vrouw én Christus, gemeente en welke de plaats en de functie is van het bijzondere ambt bij dit aUes in de gemeente Gods!

Doch, om nu weer op 1 Cor. 14 terug te komen: er zijn echter andere uitleggers, die de strekking van wat de apostel daar schrijft, veel wijder nemen. Die stellen het zó, dat alle spreken door vrouwen in de samenkomsten der gemeenten door Paulus wordt afgesneden. Dus dan valt daaronder óok het bidden en profeteren. Doch hoe dan 1 Cor. 11 : 4? Daar gaat het toch duidelijk over een bidden en profeteren door vrouwen? Welnu, deze verklaarders stellen het verder zo: in 1 Cor. 11 wil de apostel het uitsluitend hebben over het onjuiste van het ongedekte hoofd bij de vrouw, als zij bad en profeteerde in de samenkomsten der gemeenten. Dit laatste kwam voor. Maar of dat bidden en profeteren op zichzelf nu juist en geoorloofd was, daar wil Paulus op deze plaats niet nader op in gaan. Dat doet hij later, in 1 Cor. 14. Ons persoonlijk, lijkt, eerlijk gezegd, deze opvatting minder aannemelijk. Als de apostel dit bidden en profeteren van de vrouw in de samenkomsten der gemeenten in 't geheel niet wilde, zou hij er dan eerst, zonder een afwijzend woord over hebben kunnen spreken, om het dan pas later te verbieden? Zou hij het dan niet direct verboden hebben?

Persoonlijk voelen wij er meer voor, aan te nemen, dat in de tijd van de apostel ook vrouwen in de gemeenten die bijzondere Geestesgaven bezaten. Echter, omdat er een gevaar aan het bezit van die gaven kleefde, welke de nuchtere orde en opbouw van het gemeenteleven schaadde, vinden wij bij Paulus een streven, om het gebruik van die gaven in te perken, af te dammen. Ze moesten vooral niet worden tot een ontstuimig stromende rivier, welke véél vernielen kon. Daarom ordent de apostel ook dat beoordelen van de profetie en weert hij daar de vrouw.

Persoonlijk willen wij ook een onderscheid blijven maken tussen de bijzondere Geestesgaven, de charismata, en wat wij nu nog kennen als het bijzondere ambt in de Kerk. Zeker, voor de rechte uitoefening van dit ambt zijn eveneens bijzondere gaven des Geestes nodig. Toch is het ambt iets anders, méér, dan zo'n charisma. Door het ambt regeert, dient, Christus blijvend Zijn gemeente. En de gemeente heeft blijvend dit ambt nodig. En in dit ambt stelle de Kerk de vrouw niet, om redenen, reeds genoemd.

In de Corinthische gemeente zal de toestand dus wel zó geweest zijn, dat daar in de samenkomsten ook vrouwen baden en profeteerden. Doch nu ging het Paulus erom: hoe gebeurde dat dan? Op welke wijze? Met name: op welke wijze waren zij gekleed? De apostel keurt het af, als dat zodanig was, dat niet voldoende tot uiting kwam dat grondbeginsel, dat de vrouw anders is dan de man. En wanneer was dat het geval? Als de vrouw met ongedekt hoofd verscheen.

In de volgende verzen gaat Paulus op dit geval nader door. Voor de mannen was het de vaststaande gewoonte om niets op het hoofd te hebben, wanneer zij baden en profeteerden. Wij weten, dat dit onder Israël anders was, zoals het ook nu nog onder de Godsdienstige Joden anders is. Uit het Oude Testament weten wij, dat de mannen het hoofd bedekten, als zij voor God baden. ZeUs de hogepriester droeg de muts op het hoofd, wanneer hij voor het volk bad. Een overblijfsel van déze gewoonte vinden wij onder ons nog in het bidden met de hoed of met de pet voor het gezicht. En wij verstaan, wat achter deze Israëlietische gewoonte verborgen lag? Iets van schroom en vrees voor de heïHge majesteit Gods.

Overigens kennen wij onder ons deze gewoonte niet meer. In de Griekse wereld van Paulus' dagen bad de man, ook de heiden, met ongedekt hoofd. Dit deed men eveneens in de christelijke gemeenten, 't Was dus alzo de gewoonte, de zede. En nu is dit van belang, dat de apostel dit als juist accepteert.

Wij komen hier weer op het pimt van de zede. Deze zouden wij kunnen noemen een verzameling van bepaalde gebruiken en vormen, waarin de mens gestalte aan het leven geeft. Deze gebruiken en vormen kunnen zó inburgeren, dat ze als normgevend worden. Doch dat zijn ze daarom nog niet. Voor een christen is daarbij de kwestie: God gaf ons Zijn Wet, ja heel Zijn Woord en de openbaring van Zijn heil in Christus. Daarom hebben wij hierbij niet te maken met een wetboek vol artikelen; voor elk geval sla men maar op. Neen, wij hebben hier te maken met algemene richtlijnen, grondbeginselen. Maar dan wel zó, dat deze nu ook in het leven gestalte moeten krijgen. En daarom is de vraag: die zeden en gewoonten, waarin de mensen üi bepaalde tijden aan het leven vorm geven, doen die recht, aan wat God openbaart in Zijn Woord, aan Zijn ordinantiën in de schepping, aan wat Hij gaf in Christus, óf zijn ze daarmee in strijd? Zo kan een christen bepaalde gewoonten, zeden, aanvaarden óf afwijzen. Paulus aanvaardt de gewoonte, dat de man met ongedekt hoofd bidt en profeteert. NatuurUjk wü de apostel daarmee niet zeggen, dat dus die schroom en eerbied wel achterwege kunnen blijven. Doch hij ziet overigens deze gewoonte als in overeenstemming met Gods ordinantiën in de schepping, waarop hij nader ingaat in vers 7, en met wat God ons openbaarde aangaande Zijn heil in Christus.

In déze verzen betoogt hij dan als volgt: „een ieder man, die bidt en profeteert, met iets op het hoofd, die onteert zijn hoofd".

De vraag is hierbij, wat Paulus bedoelt met dat hoofd, dat de man dan onteert. Moeten wij dat letterHjk nemen? Dan is dus de betekenis, van wat de apostel hier zegt: de man, die zich het hoofd bedekt, als hij bidt en profeteert, doet niet juist, onteert zichzelf als man en als dhristen. Of: wij moeten hier 't woord hoofd in andere zin nemen. In het voorafgaande noemde Paulus Christus het Hoofd, het enig, wettig Hoofd, van de man. 't Kan zijn, dat de apostel ook hier daaraan denkt. Dan gaat het hem ook hier om Christus, als hét Hoofd van de man. Omdat de man in het leven geen ander aards hoofd boven zich heeft, dodh Christus alleen zijn hemels Hoofd is, daarom bidde en profetere hij met ongedekt hoofd. Immers het bedekte hoofd bij de vrouw is juist een teken, dat zij iemand is, die nog een ander hoofd op aarde boven zich heeft. Bedekt de man zich dus het hoofd, dan zou ook hij als het ware daarmee kunnen te kennen geven, dat er nog een ander aards hoofd boven hem staat. En dat is Christus oneer aandoen, omdat Die zijn énig Hoofd is.

Intussen, nadat de apostel zo over de man gesprokken heeft, komt hij weer terug op de vrouw. Doch daarover een volgende keer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's