TOT OP DEZE DAG
Vervolg van:HUISBEZOEK EN AVONDMAALSVRAAG
11
De laatste maal besloten wij met op te merken, dat we op huisbezoek tijdig ter zake hebben te komen.
Als u de gegevens van uw kaartregister bij u hebt, is het niet nodig, te vragen naar namen, leeftijd en aantal kinderen. Heeft u die gegevens niet, dan zou ik er toch niet direct aan beginnen. Het staat zo notaris- of ambtenaarachtig, alsof er een soort procesverbaal moet volgen en u weet ook niet, welke mensen u voor u hebt. Zij die niet kerkelijk meeleven denken zo gauw, dat je voor de belasting komt.
Meestal vroegen wij eerst: U bent toch Ned. Hervormd? Was het antwoord bevestigend, dan gingen wij verder: Is u dooplid of belijdend lid? Soms begreep men dat niet. Dan vroegen wij: Is u gedoopt? O ja, dat begrepen ze beter. Is u aangenomen? Hierop luidde het antwoord ook wel eens bevestigend. Verder was er dan geen belangstelling.
Gewoonlijk vroegen wij deze dingen in de steden al onder aan de trap. Klonk dan het antwoord: „Niet nodig vandaag!" of: „Wij zijn aan de steun!" dan wisten wij wel, hoe laat het was.
Ook gebeurde het wel, dat ik, alleen op pad, midden op de trap werd tegengehouden. Dan vroeg ik: „Ik mag zeker wel boven komen? " Antwoord: „Wat wou u boven doen? " Vraag herhaald: „Mag ik boven komen? " Antwoord: „Nu vooruit dan maar, als je er lol in hebt". Meteen een roep naar boven: „Vrouw, een dominee!" Daverend gelach.
Gelukkig waren dit toch uitzonderingen. Nu spreekt het vanzelf, dat men in zulke gevallen niet moet beginnen met boos te worden. Als het kan, en waarom zou het niet kunnen? u blijft vriendelijk en zelfbeheerst. Moet u soms in de grote stad veel verliezen van de „geestelijke waardigheid", die u uit uw vorige standplaats nog meegenomen had, het zal u heus geen kwaad doen. Een flinke dosis nuchterheid en gewoonheid komt een mens en ook een dominee vooral van pas.
Komen de stedelingen dan met bezwaren, vooral tegen de kerk, dan nemen wij geen houding aan, maar luisteren ernaar, in het besef, dat de kerk inderdaad ook grote schuld heeft.
Komt men met de aantijging: „de kerk heeft nooit naar ons omgekeken", dan mogen wij zeker antwoorden: „Maar u toch ook niet naar de kerk". Verder moeten wij eerUjk toegeven, wat waar is. Nooit moeten wij proberen, de schuld der kerk goed te praten, maar dit mogen wij dan toch zeggen: „de kerk zocht u nooit op. Maar nu zoekt zij u dan tooh op en komt u hier vertellen van die éne Naam, onder de hemel, door Wie wij zalig worden. Mocht u ons ooit nodig hebben, ons adres is dat. Kom gerust en schaam u voor uw buren of kennissen niet".
In de dorpen gaat het er gewoonlijk heel anders, meer ordelijk naar toe. Dikwijls kennen wij veel gezinnen al.
Toch vragen wij ook daar van allerlei. Of men trouw ter kerk gaat. Of Gods Woord aan tafel gelezen wordt. Of de kinderen ter catechisatie komen; dus of men kerkelijk meeleeft.
Is het antwoord bevestigend, dan gaan wij dieper op de dingen in en vragen onder anderen of men persoonlijk iets heeft aan de prediking in de kerk. 'U vist natuurlijk niet naar complimentjes door „curieuselijk" eens te polsen of u misschien een beetje mooier preekt dan uw collega. Het gaat om de indruk en de doorwerking van „het Woord", niet om of over uw preek. Hierom: of men uit de prediking van het Evangelie wat meeneemt en er gedurende de dagen der week door wordt gesterkt. Dan kan het gebeuren, dat er een doodse, angstige stilte ontstaat, hetzij men u niet kan volgen of ook toch niet begrijpt. Want ach! er zijn vaak in een gemeente zoveel domineesvrienden. Hun „geloof" staat of valt met de aanwezigheid van een bepaalde leraar. Bij hem komen ze soms aan het H. Avondmaal. Is die bepaalde dominee weg, dan schijnt alles bij hen weg te zijn.
Eens was ik (in de stad!) bij een juffrouw op ziekenbezoek, wier bedstee vol was geplakt of gehecht met foto's en prentjes van alle dominees, die zij kende. Wat zou die zuster in deze dagen een werk gehad hebben met het uitknippen van al die conterfeitsels en beeltenissen uit de Radiogids. Broederlijk prijkten ze daar naast elkaar: „de Gereformeerde Bonders" naast de „middenorthodoxen".
Hoe dikwijls krijgt men de indruk, dat men met gewoontekerkgangers te doen heeft. Men gaat ter kerk maar men weet zelf niet, waarom. De kerkgang is een sleur geworden.
Hier hebben wij dan te wijzen op de verantwoordelijkheid van hen, die zondag aan zondag onder het gehoor van Gods Woord komen.
Er zijn echter, Gode zij dank! ook gezinnen, waar wij wat anders bemerken. Daar leeft men mee, aards kerkelijk, maar ook Hoog Kerkelijk. Niet, dat men een preek altijd zo goed kan weergeven. Ze hebben weinig „opsluiting", zoals zij dat noemen. Maar als het om het ware geestelijk leven gaat, dan zwijgen zij niet stil. Dan kunnen die overigens onbegaafde mensen u soms met één trek weergeven de eigenlijke kern van de preek van de afgelopen zondag. Dan ontvangen de ambtsdragers op hun huisbezoek van Hoger Hand zelf wel eens iets, wat zij ook zo hoog nodig hebben. De Heere is aan die plaats en men weet het en daar is dan nu de Avondmaalsvraag op haar plaats.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1960
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's