De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Het lijden van Christus voorspeld

9 minuten leestijd

Daniël 9 : 26.

Het was in het jaar 538 voor Christus. Het machtige Babel van Nebucadnezar was gevallen. Bij verrassing had Kores of Cyrus, een generaal van vorstelijke bloede, de stad ingenomen.

Omdat hij wilde voorttrekken op. zijn verdere overwinningstochten, ontbrak hem de tijd om zelf op Babels troon te gaan zitten. Daarom maakte hij Darius, de zoon van Ahasveros, uit het zaad der Meden, tot koning over het koninkrijk der Chaldeën. Ook Daniël, die door Belsazar in de nacht van Babel's val zo hoog was verheven, werd in dat ambt bevestigd.

In mijn gedachten zie ik Daniël zitten met de profetie van Jeremia in zijn hand. In zonderheid heeft hij zich verdiept over hetgeen in het 29ste hoofdstuk over de vervulling van de zeventig jaren staat geschreven.

Er staan voor de staatslieden van deze eeuw machtige bibliotheken en archieven ter beschikking, waarvan ze gedurig nuttig gebruik kunnen maken.

Waar zijn echter de staatslieden, die met Daniël in de eerste plaats vragen, wat God, de Heere, ons in Zijn Woord heeft te zeggen? Koningen en ministers, die zich verdiepen in de Heilige Schrift?

De eerste wegvoering naar Babel had plaats gehad in het jaar 606. Zeventig jaar zou de ballingschap duren, gelijk Jeremia had geschreven: „En dit ganse land zal worden tot een ontzetting en deze volken zullen de koning van Babel dienen zeventig jaren. Maar het zal geschieden, als de zeventig jaren vervuld zijn, dan zal Ik over de koning van Babel en over dat volk, spreekt de Heere, hun ongerechtigheid bezoeken, mitsgaders over het land der Chaldeën en zal dat stellen tot eeuwige verwoestingen. Jeremia 25 : 11-12.

Het stond voor de negentig jarige grijsaard vast, dat deze profetie ten dele reeds vervuld was. Nog een paar jaar en het uur der bevrijding zou aanbreken.

Zou hij het zelf nog mogen beleven, dat Israël weer uit Babel terugkeerde naar het Heilige Land oin stad en tempel weer te herbouwen?

Wat doet Daniël nu? De profetie naast zich leggen en nu maar geduldig afwachten? Wat lees ik in het 3e vers: „En ik stelde mijn aangezicht tot God, de Heere, om Hem te zoeken met het gebed, en smekingen, met vasten, en zak en as".

Ik zie hem daar zitten in zijn boetekleed, om zich te verootmoedigen voor het aangezicht van God.

Daniël wist het, dat de ballingschap het rechtvaardige vonnis over de zonden des volks was geweest. Helaas, de grote massa had de roede niet gevoeld en zich niet tot de Heere bekeerd.

Wat een ootmoedige schuldbeHjdenis sprak hij uit voor het aangezicht des Heeren: „Wij hebben gezondigd en hebben onrecht gedaan en goddelooslijk gehandeld en gerebeleerd met af te wijken van Uw rechten; wij hebben niet gehoord naar Uwe dienstknechten en profeten, die in Uw naam spraken tot onze koningen en onze vorsten en onze vaders, en tot al het volk des lands".

Neen, neen, deze Daniël heeft maar niet uit de hoogte neergezien op de zonde en de schuld van anderen.

Genade leert om in de eerste plaats op zichzelf te zien. Daniël zegt niet tot zijn volk: „Gij hebt gezondigd!" Neen, hij spreekt van „wij". Hij sluit er zich zelf bij in. Paulus zegt: „Ik ben de voornaamste van de zondaren".

Wij leven in een eeuw, waarin de kennis en de wetenschap met snelle schreden voort schrijdt, maar helaas aan de kennis van eigen zonde en schuld ontbreekt zo reusachtig veel; bij de grote massa allies. Men is van nature rijk en verrijkt en heeft aan geen ding gebrek, doch men weet niet, dat men is jammerlijk, blind, naakt en ellendig.

Daniël heeft de zonde diep gepeild. Er is een climax in zijn belijden: gezondigd, onredht gedaan, goddelooslijk gehandeld, en tenslotte bereikt zijn belijdenis het hoogtepunt in de woorden: en gerebelleerd met af te wijken van Uw rechten.

Daniël belijdt, dat de Heere het aan waarschuwingen niet heeft laten ontbreken. Hij had aan Zijn volk Zijn heihge Wet geschonken en Hij heeft het afvallige volk laten waarschuwen door de profeten. Neen, bij de Heere was geen onrecht. Bij het volk van Israël was er alleen maar sprake van eigen schuld.

Daniël kan het dan ook niet anders inzien of de ballingschap was de rechtvaardige straf over de zonden des volks en kon naar recht geen einde nemen. Van rechten zijnerzijds is geen sprake meer.

„O Heere, bij ons is de beschaamdheid der aangezichten, bij onze koningen, bij onze vorsten en bij onze vaderen, omdat wij tegen U gezondigd hebben".

Aan Daniels kant schijnt het nu verloren. Als God doet naar recht, dan zal Zijn toorn moeten ontbranden en Zijn grimmigheid zal hem en Israël verschrikken. Er is van zijn kant niets om op te pleiten. Het schijnt een verloren zaak te wezen!

Doch ziet, daar richt het geloofsoog van de boeteling en smekeling zich op de genade Gods. Genade, ja dit is de enige mogelijkheid om nog te worden gered.

O Heere, laat toch Uw toom en Uw grimmigheid worden afgekeerd van Uw stad Jeruzalem. Neig Uw oor, mijn God en hoor; doe Uw ogen open en zie onze verwoestingen en de stad, die naar Uw naam genoemd is; want wij werpen onze smekingen voor Uw aangezicht niet neder op onze gerechtigheden maar op Uwe barmhartigheden, die groot zijn.

We deden maar enkele grepen uit het vele uit dit schone gebed.

En dan breekt hij tenslotte de zinnen telkens af.

„O Heere merk op, en doe het, vertraag het niet, om Uws zelfs wil, o mijn God! want Uw stad en Uw volk is naar Uw naam genoemd".

O, wat een pleitgrond: de naam van de Heere zelf. Als Israël in ballingschap zou ondergaan, dan zou de eer van God er mee gemoeid zijn.

Wat dunkt u lezers? Zou zulk een gebed onverhoord kunnen blijven? Immers neen! Nauwelijks was de bidder begonnen met smeken of het antwoord van de Heere was al gereed om het aan Zijn hemelbode, de aartsengel Gabriel, toe te vertrouwen.

Het blijkt oök nu weer waar te wezen: „Eer ze roepen, zal Ik antwoorden".

En dan komt de goddelijke boodschap: Zeventig weken zijn bestemd over uw volk en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten en om de zonden te verzegelen en om de ongerechtigheid te verzoenen en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen en om het gezicht en de profeet te verzegelen en om de heihgheid der heiligheden te zalven.

Met die zeventig weken zijn jaarweken bedoeld. Met andere woorden vier honderd en negentig jaren. Die zeventig weken worden ook weer in drieën gesplitst. Eerst zeven weken, daarna twee en zestig weken en dan nog één week. Het is niet zo gemakkehjk te zeggen, welk jaar met „de uitgang des woords" uit vers 25 bedoeld is. Of we moeten beginnen bij het jaar 536, het jaar van het edict van Cyrus, of we moeten beginnen bij het edict van Artaxerxes Langimanus, in 457, laten we in deze overdenking maar rusten.

De zeven eerste jaarweken zouden dus bestemd worden voor de opbouw van Jeruzalem. De stad des groten Konings zal weer uit het stof verrijzen ondanks de moeilijkheden, waarmee de teruggekeerde ballingen te worstelen hadden.

Het gebed van Daniël is dus verhoord. Israël zal wederkeren en Jeruzalem zal worden opgebouwd.

Maar daarmede is de verhoring niet uitgeput.

Op die zeven jaarweken zullen twee en zestig nieuwe jaarweken aanbreken. Dat zouden bijna vier eeuwen zijn van strijd en benauwdheid. De boeken van de Maccabeën vertellen ons van die moeite en die strijd. Maar aan het einde van dat tweede tijdperk zou vorst Messias komen. Hij zal de overtreding sluiten, de zonde te niet doen. Hij zal de zonde verzegelen, gelijk Daniels leeuwenkuil werd verzegeld om te verhinderen, dat hij er uit zou komen.

Hij zal de ongerechtigheid verzoenen.

Maar hoor, er is meer. Die Messias zal volkomene gerechtigheid aanbrengen.

De verhoring van Daniels gebed is veel heerhjker, dan hij had kunnen vermoeden. Ze belooft de verlossing uit Babel, maar nog veel meer getuigt ze van de gerechtigheid, die zou worden aangebracht door die Hjdende Vorst Messias, Die zou sterven aan een kruis.

Sion zal door recht verlost worden en hare wederkerenden door gerechtigheid.

Van dat lijden en steiven van die dierbare Heiland heeft Gabriel voor Daniel's oren getuigd.

Na die twee en zestig weken zou de Messias worden uitgeroeid.

„Uitgeroeid", voorwaar dat profetische woord is niet te kras, om weergave te doen van dat schrikkelijke, smadelijke lijden van de Zoon van God aan het kruis.

„Maar het zou niet voor Hem zelf zijn". Ik weet, dat er over deze woorden ver­ schillend wordt gedacht. Gaarne blijf ik er uit lezen, dat Hij niet aan het kruis stierf ten bate van Zichzelf, maar ten behoeve van een arm zondaarsvolk, hetwelk duizenden talenten schuld heeft, maar geen penninkje bezit om te betalen.

Met Luther de hand gelegd op het stervende offerlam: mijne zonden op U gelegd, om te komen tot de jubel: Heere Jezus Christus, Gij zijt mijn gerechtigheid!

Niet straffeloos heeft Israël zich vergrepen aan zijn beste zoon, de Zoon van God. De Romeinen hebben de stad en de tempel verwoest en Israël is verstrooid onder de Volken. En al is het gedeeltelijk teruggekeerd binnen de gren­ zen van het oude Kanaan, nog geven Egypte en Syrië aan Israël geen rust.

Die rust zal het alleen maar kunnen vinden als het met Daniël mag leren in ootmoedige belijdenis van zonde en schuld te bidden om genade aan de voet van het kruis.

Dan moeten ook wij afzien van 't geen de Joden deden, toen ze de Messias hebben uitgeroeid en verstaan dat wij Hem met ónze zonden al die smarten hebben aangedaan.

Zalig de mens, die als een arme tollenaar mag nederbuigen bij het kruis van Golgotha met de bede: „O God, wees mij zondaar genadig!"

(Woerden)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1960

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's